FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
16)
Voor Riek was de taak die zij op zich nam, zeer vreemd en moeilijk. Wat moest zij beginnen met een zieke vrouw en drie kleine kinderen; en dat in de stad, op een bovenhuis, zij die het buitenleven zoo gewend was? Maar zij wist ook waar zij hare sterkte moest zoeken en kon vinden. „Het zou wel leeren", had Omoe gezegd, „God zou haar bijstaan." Het was voor haar een oefenschool, misschien kon ze er nog ten zegen zijn. Het was in Hein's gezin dor land geworden, al hadden zij 't in tijdelijk opzicht niet kwaad. Van Leeuwen had nu vernomen dat Hein aan zijn betrekking was gekomen door den jongen baron van Wijck Doornenburg, die vroeger op den Beukenhof gewoond had en het huisgezin van den tuinman niet had vergeten. Hij was officier in Den Haag en daar Hein's voorspraak geweest bij een hem welbekende familie.
Maar wat Zeelman verder van „oude Geertje" gehoord had over jonker Frans, zooals zij hem nog noemde, en de freules, van wie zij onlangs een brief had gehad, dat had hij niet aan Anna verteld. En juist haar vraag: „Zijt gij dat vader?" herinnerde hem er weer aan. Hoe was het toch zoo, dat hij daar telkens weer aan moest denken, dat hij het niet kon vergeten, haast geen oogenblik, hoe gaarne hij dat ook wilde, want het kwelde en plaagde hem dag en nacht? Dat was het wat hem tot haar deed zeggen, alsof zij over niets anders gesproken hadden: Nee, kind, verre van daar. Ik ben daarin veel meer schuldig dan gij denken kunt, 'k moet mij voor God en menschen schamen."
„Och, vader, laat ons maar veel bidden; God wil vergeven en helpen. Gij moet het straks als zij thuis komen, onder elkander eens zingen, vader: „Hij zal 't goede niet in nood, onthouden zelfs niet in den dood, die in oprechtheid voor Hem leven". En van die duiven uit Psalm 68. Ik kan het hier goed hooren, al kan ik niet meer mee zingen."
„'t Is mooi van je, Riek, dat je bent gekomen om ons te helpen, " zei Hein van Leeuwen op een Zondagavond tot zijn zuster, „maar met vroommaken" en „preekerij" moet je ons niet aankomen. Marie wil er niets van weten en ik heb er ook mee afgedaan. Daarvoor hebben we je hulp niet noodig."
„Dat is toch het voornaamste, Hein."
„Dat meen jij, Riek, maar ik niet, 'k laat dat graag aan vader en „omoe", aan jou en anderen over. Ik heb er genoeg van."
Zij had hem gevraagd, of zij niet eens een predikant zou vragen de zieke te bezoeken. De dokter was er 's morgens geweest en gezegd, dat het wel wat vooruitging, maar de zieke zeer zwak en zenuwachtig was; er was wel geen dadelijk gevaar, maar ze moesten zeer voorzichtig zijn en geduld hebben, 't Zou nog wel een tijdje duren voor zij goed opknapte. Rika was 's middags naar de kerk geweest, was er zeer gesticht en, zoo dacht zij, hoe goed zou het voor Marie wezen als zij eens met ernst en liefde op haar toestand werd gewezen, als er met haar eens over haar zielsbehoeften werd gesproken en met haar gebeden,
Rika was nu reeds drie weken in Den Haag, en 't was haar waarlijk niet meegevallen te doen wat zij op zich had genomen en waartoe zij kennelijk was geroepen. Zeker, zij was hartelijk ontvangen; 't was ook zeer noodig geweest dat er hulp kwam, met moed had zij aangepakt, van den morgen tot den avond was zij dagelijks bezig en hoewel eerst haar veel vreemd was, het wende spoedig en 't ging nu in de huishouding zeer goed.
Marie lag meestal te bed, was verdrietig en angstig, klaagde veel in haar leed, maar wilde, zooals haar man gezegd had, van bidden niet weten. Zij was geen gemakkelijke zieke. En ofschoon zij wel waardeerde wat Rika voor haar en haar kinderen deed, zij was toch niet hartelijk en vertrouwelijk tegen haar omdat Riek „vroom" was. Zij had liever haar moeder of zuster, die ook in Den Haag woonden, bij haar.
Met de kinderen ging het beter, die waren zeer spoedig eigen met de nieuwe tante. Het was voor Rlka iets nieuws met kleine kinderen om te gaan, maar het ging best. Bij moeder moesten zij altijd zoo stil wezen, want moe had hoofdpijn, maar tante behoefden zij niet te sparen; die wilde zich met hen bezig houden. En wat kon tante mooi vertellen van den Beukenhof en alles wat daar te zien was; ook soms uit den Bijbel waar de kinderen nog nimmer iets van gehoord hadden. Wat een pret als tante 's avonds Jan en Willie en Greta naar bed bracht en zij eerst nog even mochten opblijven voor zij hun handjes vouwden en tante hen een gebedje deed opzeggen".
Jan, die al 5 jaar was, wist er 's morgens van te vertellen aan vader. Vader zei er gewoonlijk niet veel op, hij durfde het zijn zuster niet verbieden, daartoe had hij gen moed, ofschoon hij er wel op doelde die Zondagavond.
Klaartje was het dienstmeisje, dochter van een visschersweduwe uit Scheveningen; die was meer ingenomen geweest met die juffer uit het Noorden, zooals zij ze noemde; met haar kon ze het goed vinden, vooral ook omdat zij het in hoofdzaak eens waren.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's