De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (14)
De organisatie na 1819 was, in groote trekken geschetst — zegt mr. de Bie — als volgt: „Kerkvoogden voeren in elke gemeente, met medewerking van Notabelen, voor de in de reglementen omschreven gevallen, het bestuur der financieele administratie onder toezicht van een provinciaal Collegie van toezicht.
Het beginsel der onafhankelijkheid der gemeenten werd gehandhaafd; het toezicht beperkte zich tot de belangrijke handelingen en was weinig drukkend. De provinciale colleges bestonden uit 7 a 9 leden, de  g o u v e r n e u r  d e r  p r o v i n c i e, mits lid zijnde der Hervormde Kerk, was  a m b t s h a l v e  p r e s i d e n t, anders was dit een lid van Gedeputeerde Staten. Voorts waren nog  t w e e  l e d e n  v a n  G e d e p u t e e r d e  S t a t e n  lid,  twee leden van het provinciaal Kerkbestuur en 2 of 4 personen, uit andere aanzienlijke leden der Hervormde Kerk, benoemd door  d e n  K o n i n g. Eén der leden was secretaris, maar een bezoldigd ambtenaar van het  p r o v i n c i a a l  G o u v e r n e m e n t  zou hem assisteeren, m.a.w. het werk doen op aanwijzing en onder toezicht van den secretaris. De colleges kregen een toelage uit de classicale kas, maar deze kreeg daarvoor  s u b s i d i e  v a n  h e t  R ij k, op welks begrooting die kosten voor de provinciale colleges dan ook voorkwamen. Het toezicht strekte zich uit over ongeveer dezelfde onderwerpen als thans. Een algemeen college was er echter niet. 
D e  K o n i n g  z e l f  vormde de hoogste instantie, aan wien door de provinciale colleges, waar noodig, voordrachten konden worden gedaan. De Kerkvoogden werden ook toen reeds benoemd door Notabelen en deze door de stembevoegde leden der gemeenten.  V o o r  d e  e e r s t e  m a a l  werden de Notabelen door den Koning benoemd". (De spatiëering is van ons. Red. Whvr.). In den loop der 19de eeuw begon evenwel hoe langer hoe meer de meening ingang te vinden, dat de Kerk  v r ij  g e l a t e n  m o e s t  w o r d en  èn in hare bestuurs-, èn in hare beheerszaken.  S c h e i d i n g  v a n  K e r k  e n  S t a a t  was een leuze, die steeds meer weerklank vond.
In 1852 werd het Bestuursreglement van 1816 vervangen door een, dat door de Kerk zelve (door hare Synode en lagere besturen) ontworpen en aangenomen is geworden, doch bij Kon. Besl. van 23 Maart 1852 werd vastgesteld. (De Kerk was toen z.g.n. vrij, maar werd aan de Synode, het creatuur van Koning Willem I, overgegeven. Red. Whvr.). Dat was dus een verandering wat het  b e s t u u r  der Kerk (de Synodale organisatie) betreft.
Tegelijk was het streven der Synode er op gericht geweest, om ook de regeling van het  b e h e e r  aan zich te trekken. In de nieuwe Synodale reglementen was dan ook reeds een artikel opgenomen, waarbij werd bepaald, dat die regeling alsnog door de Synode zou worden ontworpen. Echter was de Regeering volstrekt niet van zins zich ten aanzien van het  B e h e e r  terug te trekken (zooals zij ten opzichte van het  B e s t u u r  der Kerk dit gedaan had); zij erkende de bevoegdheid der Synode in deze niet en maakte ten opzichte van bovenbedoeld artikel één der elf reserves, die in bedoeld Kon. Besluit van 23 Maart 1852 voorkwamen.
Was de Regeering in 1852 allerminst bereid om aan de Synode de regeling van het Beheer over te laten — in de jaren, die volgden, werkten meerdere factoren samen, om den wensch naar herziening der bestaande regeling te doen toenemen. Een Commissie, door den Minister van Hervormden Eeredienst benoemd, leverde een uitvoerig rapport in „waarbij het Staatsgezag niet was uitgesloten" — maar de onrust in de politiek dier dagen maakte dat er van een rustigen herzieningsarbeid niets kwam.
1 November 1864 deelde de Regeering aan de provinciale colleges mee, dat zij het stellige voornemen had zich aan alle rechtstreeksche tusschenkomst in het beheer der Kerkegoederen van de hervormde gemeenten en aan het toezicht op hèt beheer —  n i e t  van het beheer zelf — te onttrekken. In het ontwerp dienaangaande door de Regeering ingediend, werd een Algemeen College als hoogste wetgevend, uitvoerend en rechtsprekend gezag voorgesteld. Door de provinciale colleges werden adviezen uitgebracht, maar  p l o t s e l i n g  verscheen op 13 Februari , 1866 (Staatsblad no. 10) het  b e r u c h t e  Kon. Besluit van 9 Febr., waarbij tegen 1 April 1869 alle bestaande provinciale reglementen werden vervallen verklaard met instelling van een Algemeen College van Toezicht voor die driejarige periode van overgang. Had het ontwerp van 1864 ten doel gehad, zooals in de overwegingen stond uit­ gedrukt, om bij het vervallen der rechtstreeksche tusschenkomst van den Staat aan het beheer der kerkelijke goederen orde en regelmaat te verzekeren, in het besluit van 1866 onttrok de Overheid zich zonder dat een regeling voor de toekomst verzekerd was en gaf slechts als maatregel van overgang eenige voorbereidende bepalingen". (Blz. 9 Inleiding mr. de Bie). Zoo is plotseling het Algemeen College van Toezicht, bestaande uit 11 afgevaardigden der provinciale colleges en 3 leden der Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, als  u i t  d e  l u c h t  k o m e n  v a l l e n. „De uitgestrektheid van den werkkring van het nieuwe college (n.l. het Algemeen College van Toezicht) stond allerminst vast. Een toelichting op het Kon. Besluit werd noch openbaar gemaakt noch zelfs aan het Algemeen College meegedeeld. Na gedachtenwisseling met den Minister en voorlichting door een commissie uit zijn midden, kwam het College tot de slotsom, dat het wetgevende bevoegdheid niet bezat, dat dus de Koning deze bevoegdheid niet aan het College had overgedragen. Het College had slechts  l e i d i n g  te geven, kon een ontwerp maken voor een regeling, maar de beslissing bleef bij de gemeenten of plaatselijke Kerken als bezitsters der betrokken goederen.
Men heeft daarna nog geprobeerd het Kon. Besluit van 9 Febr. 1866 aangevuld te krijgen, om zoo te weten te komen waar de regelende macht berustte. Maar de politieke verhoudingen, die toen buitengewoon veel moeilijkheden opleverden, maakten dat Minister Van Bosse 22 Juni 1867 schreef, dat de zaak bleef zooals zij bij Kon. Besluit van 9 Febr. 1866 geregeld was.
Weer werd nu de vraag onder de oogen gezien, hoe 't best een deugdelijke regeling te verkrijgen: de Synode had terstond op 18 April 1866 in een buitengewone vergadering 3 leden naar het Algemeen College afgevaardigd en geoordeeld zich van verdere inmenging in de regeling van het beheer te moeten onthouden. Uit de gemeenten bleek op geen enkele wijze initiatief, de Kroon onttrok zich en de tijd drong.
Van 29 Juli tot 6 Augustus 1868 vergaderde het Algemeen College. Wat moest men doen? Na ernstige overweging — aldus mr. de Bie, Inl. blz. 10 — werd besloten, om gedreven door de noodzakelijkheid van handelend optreden, het door mr. W.B.S. B o e l e s, rechter in de Arrondissements-Rechtbank te Assen en lid van het Algemeen College, aanbevolen plan te volgen (zie : mr. W. B. S. Boeles: Scheiding van Kerk en Staat. Groningen. J. B. Wolters, 1868) en zelf als n e g o t i o r u m   g e s t o r, d.i. als iemand, die eens anders zaak (in dit geval de zaak der gemeenten als bezitsters der goederen) ook zonder diens weten en zonder lastgeving waarneemt (art. 1390 Burgerlijk Wetboek) een voorloopige organisatie in het leven te roepen. De gemeenten, zich uitsprekende door hare meerderjarige manslidmaten, zouden dan daarna een nieuwe organisatie kunnen opbouwen, zich zooveel mogelijk aanpassende aan het bestaande.
(Wordt voortgezet).

De Predikantsopleiding en De theologische faculteit aan de Rijks-Universiteiten. I.
Er wordt den laatsten tijd telkens over de theologische faculteit aan de Openbare Universiteiten geschreven. Gelukkig maar. Ook die zaak moet men eerlijk onder de oogen zien en maar niet altijd zeggen: „laat zitten wat zit". Het is een zaak van te groot belang om struisvogelpolitiek te voeren. Daarom is elke bespreking van deze zaak ons welkom. We willen hier even wijzen op wat dr. J. L. Snethlage schrijft in het J a a r b o e k voor het protestantsch Theol. onderwijs '27. We bedoelen zijn artikel: „De opleiding tot predikant". Dr. Snethlage spreekt eerst van: „de geheele ingewikkelde geschiedenis van de wording onzer hedendaagsche theologische faculteit", en zegt dan, dat dit maakt, dat „aan de bespreking van „de opleiding tot predikant" niet alleen een paedagogische kant is, maar ook een theologische, een historische, een politieke en waarschijnlijk nog wel meer kanten".
Over de theologische faculteit sprekend, zegt dr. S.: „reeds tallooze malen is in 't licht gesteld, dat onze theologische faculteit nog slechts in naam een faculteit der godgeleerdheid is, doch inderdaad een faculteit der godsdienstwetenschap. Men is zich lang niet altijd bewust welk een ontzaglijk verschil dat maakt voor de opleiding tot predikant".
„De godgeleerdheid is een godsdienstige wereldbeschouwing, waarin men onderwezen wordt, waarin men leeft en die men dan naderhand weer aan anderen brengen kan; een echte theologie, welke feitelijk gelijk stond met godsdienst en wel de godsdienst als verschijning. Haar wezen was dogmatiek, waarin de godsdienstige wereldbeschouwing vastgelegd werd"
„Een dergelijke wereldbeschouwing, waar in de aanstaande dienaar des Woords geschoold werd, kon onmiddelijk functioneeren in zijn later ambtelijk leven, want de kring, waarvan hij later deel zou uitmaken, begeerde ingelicht te worden omtrent deze vragen van leven en dood, omtrent de bestemming van den mensch, omtrent de middelen om het heil te verkrijgen. De nauwgezette scholing in de Christelijke wereldbeschouwing, in het „Woord Gods", was daarom ook uitermate practisch. De gemeente zou later willen hooren hoe de bijbel uitgelegd moest worden, de kinderen zouden onderwijs ontvangen in de Christelijke dogmatiek en tot dat alles bereidde de faculteit der godgeleerdheid voor. De theologische opleiding was tegelijk opleiding tot predikant. Theorie en practijk waren onderscheiden, doch niet gescheiden".
„Hoe geheel anders staat men er nu voor. De godgeleerdheid is godsdienstwetenschap geworden. Thans leeft men aan de theologische faculteit niet meer in het verschijnsel van één bepaalden godsdienst, n.l. den Christelijken, maar men stelt er zich als mensch der wetenschap tegenover. Men onderzoekt het verschijnsel objectief. De dogmatiek heeft een heel ondergeschikte plaats gekregen. De dogmengeschiedenis is voor haar in de plaats getreden. De uitlegging des bijbels, die vroeger geschiedde in het licht der Christelijke wereldbeschouwing en diende om deze te staven, geschiedt thans in het licht der historische kritiek. De studie van Grieksch en Hebreeuwsch, die vroeger door de theologen beoefend werd omdat het „Woord Gods" in die talen geschreven was, dus uit godsdienstige overwegingen, tracht men thans niet meer godsdienstig, doch wetenschappelijk te rechtvaardigen".
„Ik wil", zoo zegt dr. Snethlage, „de belangrijkheid en zelfs de historische onvermijdelijkheid van dezen gang van zaken geen oogenblik ontkennen, maar met dit al is 't niet tegen te spreken, dat door dezen ommekeer een scherpe scheiding tusschen de godsdienstwetenschappelijke opleiding eenerzijds en de opleiding tot predikant anderzijds ontstaan is. Wat de theoloog thans aan de Universiteit leert kan hij later als predikant slechts zeer gebrekkig in practijk brengen. De „gemeente" heeft zoo goed als geen belangstelling voor die vraagstukken en kwesties, welke hij tijdens zijn universitaire scholing als zeer belangrijk is gaan beschouwen. De land-en fabrieksarbeiders, de boeren, de ambachtslieden en ook de „hoogere" standen, waarmee hij later in aanraking komt, zij hebben bitter weinig belangstelling voor de resultaten der historische kritiek, voor vernuftige textconjecturen enz.! Daarvoor komen zij niet in de Kerk. Zij zouden misschien nog wel ingelicht willen worden over de vraagstukken van leven en dood, over den zin van het leven, over het raadsel van den dood, maar juist die studenten, welke zich het ernstigst in den vvetenschappelijken kant van deze kwesties verdiept hebben, dus die de beste discipelen van de faculteit der godsdienstwetenschap zijn geweest, zijn tevens het onzekerst omtrent al die vraagstukken geworden en kunnen dus, als zij eerlijk willen zijn, later van den kansel niet veel meer dan hun persoonlijke meening ten beste geven. Een persoonlijke meening, die gewoonlijk in den loop der jaren weer hartgrondig verandert. Maar de gemeente wordt er ongemerkt de dupe van, want zij heeft haar predikant niet beroepen om zijn persoonlijke meeningen aan te hooren. Persoonlijke meeningen kan zij uit de courant en uit de Nutsbibliotheek ook vernemen".
„Nu weet ik wel, dat het in de practijk toch dikwijls nog wel meevalt. Onder struikelen en vallen leert de predikant door zijn gemeente wel langzamerhand wat deze noodig heeft. Op de preeken, die hij gedurende de eerste jaren na de academie hield, ziet hij later met een medelijdend oog neer en hij verbaast er zich over, dat iemand het geduld heeft gehad deze onrijpe en onpractische redenen aan te hooren. In zoover hij een levend mensch is, met een open oog voor de werkelijkheid, laat hij zich wel door het leven leeren. Maar het blijft een feit, dat dit ook en misschien nog veel vlotter en beter gebeurd zou zijn, indien hij een geheel andere opleiding had ontvangen".
Dr. S. spreekt van „een veroordeeling van de geheele hedendaagsche theologische opleiding in zoover deze tevens een opleiding tot predikant wil zijn". „Nu kan ik mij voorstellen", zegt dr. S., „dat velen dit een buitengewoon bekrompen redeneering vinden. Moet de opleiding dan altijd een beroepsopleiding in engeren zin zijn, vragen zij", „Men kan zich afvragen", zegt dr. S., „of de hedendaagsche scholing aan de faculteit der godsdienstwetenschap een echt menschelijke opleiding is, die ons in het algemeen sterker in het leven doet staan. Er zijn er, die dit laatste volmondig bevestigen. Zij vinden het juist het mooie van de theologische opleiding, dat men zoo met allerlei vraagstukken in aanraking komt en overal iets van verneemt. Men „doet" een klein beetje aan philosophie, een beetje minder aan sociologie, een beetje meer aan philologie. Men heeft, wanneer men de gymnasiale opleiding meerekent, ontzettend veel uren met taaistudie doorgebracht en dankzij een veeljarige studie der moderne talen kan men nu een mondjevol Fransch, Duitsch en Engelsch spreken en misschien zelfs zonder al te groote moeite een Engelsch of Fransch boek lezen; men heeft heel wat jaartallen over de Kerkgeschiedenis uit het hoofd geleerd, benevens alle hypothesen over het ontstaan der bijbelboeken enz. Met al deze nuttige bezigheden heeft men een twaalftal jaren na het verlaten van de Lagere School doorgebracht, maar is men, in eenige verhouding tot deze langdurige en hoogst luxueuse opleiding, ook toegenomen, misschien niet in echte beroepsbekwaamheid, maar dan toch in echte menschelijkheid? Heeft men een zooveel dieperen kijk op het leven gekregen, zoodat men torenhoog uitsteekt boven de eenvoudige gemeenteleden, die deze opleiding nooit deelachtig zijn geworden?" „Ik kan helaas van dit alles bitter weinig gelooven, hoe graag ik het mij zelf ook wijs zou maken. Ik acht het integendeel een groot gevaar om oppervlakkig met allerlei gebieden van het hedendaagsche cultuurleven in aanraking te komen zonder dat althans een degelijke grondslag is gelegd, waarop men later door eigen studie zelf kan voortbouwen. Het is een groot gevaar om allerlei klokken te hebben hooren luiden, maar feitelijk van geen van deze precies te weten waar de klepel hangt. Daardoor wordt oppervlakkigheid en lichtvaardig oordeelen in de hand gewerkt. En dat dit gevaar werkelijk niet denkbeeldig is, het blijkt (de goeden niet te na gesproken) uit menig onbezonnen oordeel, dat Zondags van den kansel ten gehoore wordt gebracht, het blijkt uit de omstandigheid, dat zoovele predikanten zich later het recht toeëigenen om zoowat over alle kwesties, die onder de zon zijn, een hoog woord te voeren. De radiodiensten doen daarover dikwijls ontstellende onthullingen". (Slot volgt).

Op ter vergadering.
Wanneer het volgend nummer van ons Bondsorgaan verschijnt, dan ligt de jaarvergadering al weer achter ons. En daarom willen we nu aan onze Bondsvergadering nog even herinneren, met de opwekking aan allen in den lande, om op te trekken naar de plaatse onzer samenkomst, in het hartje van ons land gelegen en daardoor tenslotte voor ieder eigenlijk weer 't meest geschikt en 't gemakkelijkst te bereiken. We hebben het noodig om elkaar zoo ééns in het jaar te ontmoeten. Dan trekken we uit het Noorden en uit het Zuiden, uit het Oosten en uit het Westen op naar de aloude bisschopstad en saamvergaderd worden we saamgebonden rondom hetzelfde doel: de verbreiding en de verdediging van de Waarheid in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, opdat de Waarheid in kracht mag toenemen in het midden dier Kerk, opdat ook die Kerk, de Kerk onzer Vaderen, weer mag worden opgericht uit haar diepen val en meer en meer de plaats weer mag gaan innemen in het midden des volks, welke de Heere haar vanouds heeft toegewezen. Juist omdat het zóó ver nog niet is, dat de Herv. (Geref.) Kerk daar staat als de Gereformeerde Kerk van Nederland, is het zoo noodig, dat we voortvaren en vasthouden het ideaal; dat we elkander zoeken, en sterken bij het werk, dat ons en onze kinderen roept om het getrouw ter hand te nemen en het te volbrengen in Gods kracht. De moeilijkheden moeten ons daarbij niet doen beven, noch doen vluchten. Ook moeten ze niet als een wig tusschen ons wringen, om verdeeldheid te werken onder degenen die bij elkaar behooren. Laat ons maar eerlijk bekennen, dat de moeilijkheden vele zijn en zich soms met pijnlijk geweld laten gelden. Als daar in een vacante gemeente een modern ringpredikant komt, wat moet de Kerkeraad, die de Gereformeerde Waarheid lief heeft en die wil verbreiden en verdedigen, dan doen? Dan adviseeren wij: dien predikant toelaten tot den kansel! Omdat we „vrienden van de modernen" zijn? Wie dat zegt, spreekt tegen beter weten in. 't Is louter en alleen, omdat we te goed weten hoe de kerkelijke gesteldheid is en dat we het onmogelijke niet vermogen te doen. Daarbij is het er ons niet om te doen om door een conflict buiten de Kerk te komen, maar om, den toestand kennend als geworden door de zonde van onze Vaderen en van ons, i n de Kerk te blijven tot verbreiding en verdediging der Waarheid, ziende op den Heere die in deze kennelijk Zijn zegen nog wil gebieden, waar het gaat om Zijn Waarheid naar voren te brengen in het midden van de Kerk, die veelszins van die Waarheid afweek. Alle Gereformeerden in de Ned. Herv (Geref.) Kerk, die den toestand van die Kerk bij hooger licht zien, doen alzoo, niet uit liefde tot de modernen, maar uit liefde tot de Kerk en tot de Waarheid.
Zoo ook met het vrouwenkiesrecht. Die de vrouwen opwekt om naar de stembus te gaan en mee door het uitbrengen van haar stem te steunen in den strijd voor de Waarheid, doet dat niet uit liefde to het vrouwenstemrecht. Men weet beter!
Zoo ook met 't Reglement voor de predikantstractementen. Die de Gereformeerde gemeenten opwekt, om, gezien de omstandigheden, aan het reglement der Kerk te voldoen, opdat men kan beroepen, die doet dat niet uit liefde voor dat reglement. Men weet beter. Het wordt enkel en alleen gedaan om de Gereformeerde gemeenten te sterken en daardoor mee de Kerk te dienen met de Waarheid die naar Gods Woord is, opdat èn plaatselijk èn voor de Kerk in haar geheel, de Waarheid zal worden verbreid en verdedigd.
Moeilijkheden zijn er dus te over. Maar laat ons daarom des te meer gevoelen, wat we, uit liefde tot de Kerk onzer Vaderen, in deze tijden saam te doen hebben. We moeten elkaar niet onnoodig verwijten doen. We moeten de verschilpunten niet op de spits drijven. Laten we ook in stilheid en geduld ons werk durven doen, de een den ander uitnemender achtend dan zichzelf en elkander sterkend in de liefde voor de Kerk, welke de Heere van ouds in dezen lande plantte, om haar sinds, in weerwil van de vele afwijkingen, als de God der trouwe te steunen en te helpen en te bewaren, haar stellend tot een rijken zegen nog voor stad en land, voor groot en klein.
Zoo gaan we dan op saam naar Bondsvergadering. Zij 't een bonds-vergadering, voelend den band der liefde. O! 't is zoo ontzaglijk groot en heerlijk als er nog eens waarlijk in deze tijden gezongen mag worden: „Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het dat broeders ook te zamen wonen!" Dat is een zegen van den hemel, in deze bange tijden vol liefdeloosheid, als een dubbelen zegen te achten. En daarom willen we optrekken als de stammen Israels. Waarbij de dichter van Psalm 122 ons toeroept: Bidt om den vrede van Jeruzalem; wèl moeten zij varen die u beminnen. Vrede zij in uwe vesting, welvaart in uwe paleizen. Om mijner broederen en mijner vrienden wil zal ik nu spreken: vrede zij in u. Om des Huizes des HEEREN onzes Gods wille zal ik het goede voor u zoeken.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's