UIT DE PERS
Vorming eigen karakter (2)
KERKERADEN EN PARTICULIEREN WORDEN VRIENDELIJK VERZOCHT ONS ZOO SPOEDIG MOGELIJK VOLLEDIG OP DE HOOGTE TE STELLEN VAN ALLES WAT OP KERKELIJK GEBIED DER VER MELDING WAARD IS.
Vorming van eigen karakter. (2)
We moeten het nu hebben over „het Christelijk karakter". Dat is iets geheel eigens. Het Heidensch karakter was ruw, hard, barbaarsch. Mucins Scaevola hield met z'n linkerhand z'n rechterhand in een kolenvuur en bleef zoo staan tot z'n rechterhand, verkoold, was afgevallen. En hij deed het, omdat hij aan den eisch van z'n vijanden niet wilde voldoen. Stel daartegenover de karaktervastheid van den ouden bisschop P o l y c a r p u s. Ook hij was gevangen, ook hij werd bedreigd. En toen sprak hij met vaste kalmte en ontroerenden ernst deze woorden: ,,Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heiland gediend en Hij heeft mij nooit eenig kwaad gedaan, zou ik dan nu mijn Zaligmaker vloeken?" Daar trilt in die woorden een onbreekbare kracht en een ondopgeefbare liefde. Dit nu is het geheel eigene van het Christelijk karakter: wilskracht gepaard met liefde, waarvan het opperste voorbeeld te vinden is in Christus' volstandige zelfovergave aan den Vader voor Zijn volk, waarbij Hij zeggen kon: „Ik heb de wereld overwonnen". In Christus is in deze noch man, noch vrouw, noch vrije, noch dienstknecht, — maar een nieuw schepsel. Uit dat nieuwe schepsel komt het christelijk karakter op; en zoo wordt het een karakter zooals alle karakters wezen moesten; zooals het echt-menschelijke karakter zou geweest zijn als de zonde niet in de wereld ware gekomen. Verzoend met God, wordt de christen ook verzoend met zichzelf en zóó wordt het christelijk karakter, dat het echt menschelijke karakter is, geboren. Maar — meent ge, dat ge een muur zult bouwen, als ge weigert de kantige, ruwe steenen één voor één in uw handen te nemen, om ze zorgzaam te voegen tot regelmatige rijen? Meent ge, dat ge een steile hoogte zult bereiken, als ge er tegen op ziet, moeizaam stap voor stap te stijgen? Meent ge, dat een karakter gevormd wordt, als ge, met een gepasten zucht over uw eigen gebreken, u bepaalt tot de gelaten opmerking: „Ik ben nu eenmaal zoo"?
Onze tijd is volstrekt niet bevorderlijk aan karaktervorming. We hebben 't zoo goed; we zijn wél-gevoed, we zijn warm gekleed; we wonen in een geriefelijke woning; en we verweekelijken zoo gemakkelijk in deze betrekkelijke weelde. Voor ons beginsel behoeven we geen martelaren te worde ; als sommigen in hun beroep of bedrijf om hun belijden benadeeld worden, is dat gelukkig uitzondering; vaak zelfs geeft tegenwoordig het Christen-zijn aanzien en gewin. Het eenige, dat velen onzer te verduren hebben om hun christelijk beginsel, is de meelijdende glimlach van andersdenkenden en daartegen is men al gauw bestand. Daarom is ook het ware, beproefde, vaste karakter zoo schaarsch. Vandaar, dat opzettelijke karaktervorming, meer dan vroeger, noodig geworden is. De groote fout is, dat jonge menschen en ook ouderen, hun regelmatige leventje leven, zonder te denken aan hun dure roeping, om te woekeren met de schoonste van al hun gaven, welke samen te vatten zijn in dat ééne woord: karakter. Een karakter vormt men zich eerst, als men zelf geordend ingrijpt in zijn denken, gevoelen en willen. Met bewustheid, met doelbewustheid ingrijpen in eigen uiterlijk en innerlijk leven, ziedaar het begin. In plaats van het: „Ik ben nu eenmaal zoo" te stellen: „ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht!" In plaats van de zoetelijke rust der zelfbekoring te genieten, zich met een ruk, in Gods kracht te keeren tegen zichzelf. We moeten dan allereerst ons christelijk beginsel aanvaarden. Wie stuurloos meedrijft met afwisselende gees tesstroomingen, wordt onvermijdelijk karakterloos en krachteloos. En dat karakter, dat christelijk karakter, dat is: het wilskrachtig beleven van het christelijk beginsel in gehoorzaamheid en zelfstandigheid, moet gevormd, gestaald, gesterkt worden. Voor de vorming van het karakter heeft het christelijk beginsel oneindig veel voor boven elk ander: Vooreerst zijn de kerngedachten er van de eeuwen door dezelfde gebleven; dat geeft aan het christelijk karakter een rustige zekerheid, die men tevergeefs zoekt bij de aanhangers van allerlei nieuw-opgekomen richtingen. Ten tweede: het Christendom heeft het echtmenschelijke tot volle ontplooiing gebracht, door in beginsel de schrijnende tegenstellingen van het door de zonde uiteengerukte leven te verzoenen. En ten derde: „hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens", betrekt het de aardsche werkelijkheid onder het hemelsch ideaal en doordringt de wisselingen van den menschelijken strijd met de zekerheid van de Goddelijke zegepraal. Wie beginnen wil met karaktervorming, moet de keuze voor z ij n leven doen. Hij ontkomt niet aan het beslissende oogenblik: „Kiest u heden, wien gij dienen zult". En de welbewuste, de eerlijke aanvaarding van het christelijk beginsel in Gods kracht, is voor de vorming van eigen christelijk karakter de eerste voorwaarde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's