KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (15)
Het Algem. College van toezicht zond 6 Aug. 1868 aan de Prov. Colleges een ontwerp. Nadat de adviezen waren ingekomen uit de Provincies stelde het Algem. College op 12 Oct. 1868 een stuk vast, dat naar den vorm een besluit, maar naar zijn aard niet anders dan een voorstel kon wezen, dat evenwel aanvaard door de gemeenten, welker belangen het Algem. College wilde behartigen, volkomen rechtsgeldig zou worden.
Dit „Besluit ter v o o r l o o p i g e organisatie van de Nederlandsche Hervormde Kerk aangaande het beheer der kerkelijke goederen en fondsen bij hare gemeenten en het toezigt daarop" — werd bij brief van 31 Oct. 1868 aan de Administratiën der kerkelijke goederen bij de Herv. Gemeenten toegezonden. In dit schrijven werd er nadruk op gelegd, dat het College slechts leidend, n i e t d e f i n i t i e f regelend optrad en met ernstigen aandrang werd een beroep gedaan op de Administratiën, om deze organisatie in hare gemeenten in werking te brengen.
In deze voorloopige regeling was opgenomen, dat de ook in de bestuurszaken der Herv. Kerk stemgerechtigde manslidmaten Notabelen zouden verkiezen, deze op hun beurt Kerkvoogden. Provinciale Kiesvergaderingen zouden de leden van de Prov. Colleges verkiezen (één lid te benoemen door en uit het Prov. Kerkbestuur) en deze Prov. Colleges kozen uit hun midden het Algem. College (3 leden aan te wijzen door de Algem. Synode uit haar midden). Dit Algemeen College zou een nadere regeling van het beheer ontwerpen en een verdubbeld Algemeen College zou die regeling definitief vaststellen. Tot zoolang bleven de reglementen en besluiten van de Regeering uitgegaan, gelden.
Van verscheiden kanten kwam fel verzet, maar ongeveer 800 Herv. Gemeenten (de grootste helft van het totaal aantal) aanvaardden het voorstel en de noodige stemmingen werden gehouden. Van Regeeringswege werd de tijd van overgang verlengd tot 1 Oct. 1869 en het Algem. College verlengde toen eveneens de termijnen voor de verkiezingen van Notabelen en de verkiezingen van de Prov. Colleges.
Op 1 Oct. 1869 kwam voor het eerst het krachtens „de voorloopige organisatie" samengesteld Algemeen College bijeen." Een Commissie werd benoemd tot het ontwerpen van een Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen bij de Herv. Gemeenten en in Dec. 1869 zond deze Commissie een concept in, dat in de vergadering van 7 Febr. 1870 door het Algemeen College werd overgenomen en van een Memorie van Toelichting voorzien aan de Prov. Colleges werd toegezonden, die daarover de kerkelijke administratiën zouden raadplegen.
Na kennisneming der beschouwingen, waartoe dit concept had geleid, werd op 17 Juni 1870 door het verdubbeld Algemeen College het thans nog geldende Algemeen Reglement op het Beheer vastgesteld en bij brief van 21 Juli 1870 No. 50 door het Algemeen College aan de Hervormde Gemeenten in Nederland toegezonden. Hiermede was — aldus Mr. de Bie — de veelbewogen periode, door de onttrekking van de Kroon ingeluid, beëindigd en althans aan de gemeenten die zich aangesloten hadden en die zich alsnog zouden aansluiten, een vaste grondslag voor het beheer harer goederen en het toezicht daarop verzekerd. Dat die grondslag vast was — zegt Mr. de Bie — bleek duidelijk uit de velerlei rechterlijke beslissingen, die in den loop der jaren in deze materie gevallen zijn.
In de eerste plaats werd bij tal van vonnissen en arresten uitgemaakt, dat inderdaad de meerderheid verkregen bij de stemming door meerderjarige manslidmaten de gemeente rechtsgeldig aan de organisatie kon verbinden. Uitdrukkelijk vermeld zij het arrest van den Hoogen Raad van 29 Maart 1888 (W. No. 5539), waarbij verworpen werd het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, waarin beslist was, dat een stemming over de vraag van onderwerping eener gemeente aan het Algemeen Reglement op het Beheer, rechtsgeldig was en dus de gemeente bond. Zeer interessant is ook nog — zegt mr. de Bie — het vonnis der Rechtbank te Appingedam d.d. 6 Maart 1873 (W. 3607).
De wettigheid der organisatie als geheel werd o.m. erkend in de vonnissen der Rechtbanken te Utrecht en den Bosch, resp. van 27 Juni 1888 (W. 5578) en van 21 Febr. 1896 (W. 6921), waarin werd beslist, dat een gemeente, die eenmaal tot de organisatie is toegetreden, niet bevoegd is, om dien band eenzijdig te verbreken, ook niet door een besluit van de stembevoegde manslidmaten. De rechtbank te Utrecht spreekt in haar vonnis met zooveel woorden van „de wettige organisatie", waarvan zulk een gemeente deel uitmaakt en de Bossche rechtbank betoogt in den breede met een beroep op de geschiedenis van 1868 en volgende jaren, dat men in die organisatie ook gezamenlijke verplichtingen op zich genomen heeft, waaraan men zich niet eenzijdig onttrekken kan. Van andere beslissingen, waarin stilzwijgend het goed recht der huidige organisatie werd erkend, zij hier gezwegen. Eveneens van de erkenning door de Directie van het Grootboek van de verbindbaarheid der bepalingen van het Algemeen Reglement voor de aangesloten gemeenten."
Mr. de Bie zegt dan ten slotte: „Dat deze organisatie voor het beheer der goederen een goede werking gehad heeft is m.i. boven elken twijfel verheven. Het toezicht, mits uitgeoefend met volle erkenning van de autonomie der gemeenten met betrekking tot het beheer der ten behoeve van haren eeredienst bestemde goederen en fondsen, doch door Colleges, die bijna geheel door vertegenwoordigers der gemeenten zelve als vertrouwensmannen gekozen zijn, heeft blijkens mijne en anderer ervaring, de jaren door, een zeer heilzamen invloed uitgeoefend.
Hoeveel is door de tusschenkomst van de buiten partijen staande Colleges van Toezicht in menige gemeente voorkomen, in de juiste bedding geleid of terecht gebracht.
Dat die overtuiging ook onder de gemeenten en in de besturen der Kerk veld won — aldus Mr. de Bie — mag eenerzijds blijken uit het feit, dat zich sedert 1870 nog ongeveer 100 nieuwe gemeenten bij de organisatie voegden en anderzijds uit de mede werking, die èn door de vrijwel geregelde afvaardiging van leden der Prov. Colleges, respectievelijk het Algem. College èn door de bevordering van de aansluiting van nieuw-gestichte gemeenten bij het Algem. College ondervonden wordt."
Mr. de Bie besluit met deze verzuchting: „Jammer slechts, dat uit allerlei oorzaak toch ook nog veel gemeenten zich verre hielden en houden. Ware dit niet het geval, een belangrijk argument voor de telkens hernieuwde actie voor een Synodale regeling van het beheer ware m.i. vervallen. De organisatie, zooals zij thans voor het meerendeel der Hervormde Gemeenten in ons land geldt, is er een, waarvan toewijding en vertrouwen de grondzuilen zijn: toewijding bij allen, die in welke functie ook het richtig beheer der goederen en fondsen bevorderen in het belang van het geestelijk doel onzer Vaderlandsche Kerk, vertrouwen tusschen de colleges onderling, dat zij niet hunne persoonlijke belangen dienen, maar uitsluitend beoogen het heil der Kerk, die, om met onze Vaderen te spreken, door God in deze landen is gesteld tot een pilaar en vastigheid der waarheid."
(Wordt voortgezet).
De Predikantsopleiding en De theologische faculteit aan de Rijks-Universiteiten.
II.
De critiek is makkelijk! Maar zeg nu eens hoe het beter kan worden! Ja — dat is de groote vraag. Eén oplossing, die aan de hand gedaan kan worden, is d e t e r u g k e e r t o t d e v r o e g e r e f a c u l t e i t v a n g o d g e l e e r d h e i d, waarbij de scholing in een bepaalde wereldbeschouwing (en dat wordt dan natuurlijk de Christelijke) weer 't middelpunt vormt, zoodat de studenten dan weer, zooals van ouds, opgeleid worden tot dienaren van deze theologie of godgeleerdheid. Voor deze oplossing ontbreekt echter de onmisbare staatkundige voorwaarde. De Staat, die de theologische faculteit in stand houdt, zou in dat geval een Staat moeten zijn met een uitgesproken Christelijk karakter, die de verbreiding van den Christelijken godsdienst op zijn program heeft staan. Dat is thans echter niet meer het geval, als toen Kerk en Staat beide deel uitmaakten van het „corpus Christianum". Een echte faculteit der godgeleerdheid, die uitsluitend in de Christelijke wereldbeschouwing opleidde, zou daarom niet meer een faculteit van onze Rijks-Universiteiten kunnen zijn. Zij zou slechts in een theologisch Seminarie ondergebracht kunnen worden". (Aan een Vrije Universiteit op gereform. grondslag heeft dr. S. blijkbaar niet gedacht). Moet het dan dezen kant uit, dat b.v. de Ned. Hervormde-Kerk weer zelf de opleiding van haar dienaren ter hand gaat nemen?
Daar is ongetwijfeld véél vóór te zeggen, omdat men dan veel meer dan tot nu toe het geval is, met de praktijk rekening zou kunnen houden. Men meene echter niet, dat men dan van alle moeilijkheden af zou zijn. Misschien zouden die moeilijkheden dan eerst recht beginnen, want het zou stellig niet doenlijk zijn om dan eenvoudig de oude faculteit der godgeleerdheid in eere te herstellen. Immers, ook in de Ned. Herv. Kerk heerscht niet meer een alom erkende wereldbeschouwing. Ook hier loopen, zelfs bij de allerbelangrijkste vraagstukken, b.v. dat van de onsterfelijkheid, van de bestemming des menschen, van de middelen om het heil deelachtig te worden, de opvattingen hemelsbreed uiteen. Ook een Ned. Hervormde Kerk, die in haar opleidingsschool tot uiting zou willen brengen wat in al haar deelen leeft en zich beweegt, zou haar aanstaande ambtsdragers niet meer in een exclusieve wereldbeschouwing en een daarbij behoorende dogmatiek kunnen scholen. Daarvoor leeft onze Ned. Hervormde Kerk te veel het hedendaagsche cultuurleven met al zijn onrust en verwarring, zijn zoeken en zijn vragen, mee".
„Ik meen dus" — zoo schrijft dr. Snethlage — „dat de lijn voortgezet moet worden, die tot nu toe gevolgd werd, maar al blijft de richting dezelfde, toch zullen ingrijpende veranderingen noodzakelijk zijn, wil de theologische faculteit niet alle contact met het latere practische leven verliezen. En dan meen ik, dat ik het beste doe, indien ik maar eens mijn heel persoonlijke meening ten beste geef. Mij lijkt voor het hedendaagsche leven het meest aangewezen een opleiding tot predikant, waarbij de cultuurhistorie op critisch philosophischen grondslag in het middelpunt staat, een cultuurhistorie in den meest uitgebreiden zin des woords, die dus ook de Christelijke wereldbeschouwing omvat, maar niet meer zóó gedetailleerd als op 't oogenblik, niet meer zóó exclusief taalkundig georiënteerd, niet meer een zóó minutieuse kennis van Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch vereischend. Een cultuurgeschiedenis, welke inderdaad een wereldgeschiedenis is, die ons verleden en heden leert begrijpen en tevens richtingslijnen aangeeft voor de toekomst. (Zooals b.v. Burckhardt die geeft). Ik zou het theoretisch deel onzer opleiding zoo goed als uitsluitend tot deze cultuurgeschiedenis, die ook de geschiedenis der godsdiensten omvat, willen beperken, maar deze dan ook heel diep en degelijk opgevat.
En daarnaast de practische opleiding, een opleiding in welsprekendheid, in muziekkennis, in het maken van preeken, in organiseeren en vooral in paedagogie. Juist dit laatste vak wordt nog schromelijk verwaarloosd, echter niet alleen aan de theologische faculteit, want ook de aanstaande leeraren van onze gymnasia en hoogere burgerscholen behoeven, wonderlijk genoeg, niet de minste kennis van de onderwijskunst te bezitten !"
„Nu weet ik wel" — aldus dr. Snethlage — „dat de tijd nog lang niet gerijpt is voor de volledige vervulling dezer wenschen. Alle hooger onderwijs is uiteraard conservatief en het theologisch onderwijs nog in bijzondere mate. Daarom geef ik dezen wensch ook niet als een practischen voorslag, die reeds nu verwezenlijkt zou kunnen worden, doch meer als een richtsnoer voor de toekomst. Men kan alvast beginnen met een kleine toenadering tot dit ideaal door b.v. steeds meer het overbodige, het al te gedetailleerde uit te zuiveren, door steeds minder aan exclusieve taalstudie te gaan doen, door meer de groote cultureele vraagstukken in het oog te vatten en daarnaast het zuiver practische niet gering te schatten en te beseffen, dat ook de theologen een verplichting hebben tegenover de maatschappij en arbeid moeten kunnen presteeren, die voor de maatschappij in haar geheel waardevol is. De opleiding zal, meer dan tot nu toe het geval was, tot dezen arbeid bekwaam moeten maken".
„Slechts één bedenking wil ik" — zegt dr. S. ten slotte — „nog trachten te weerleggen, n.l. dat in een opleiding, zooals ik mij die voorstel, het godsdienstig element toch deerlijk in het gedrang komt, ja zelfs zoo goed als geheel wordt uitgeschakeld. Mijn antwoord moet luiden, dat het specifiek godsdienstige stellig niet meer op den achtergrond geschoven zal worden dan thans reeds het geval is, eerder minder. Want ook nu is de godgeleerde faculteit inderdaad een faculteit der godsdienstwetenschap, die niet meer in het verschijnsel van den godsdienst leeft, maar het wetenschappelijk onderzoekt. Het eenige verschil is hierin gelegen, dat bij den hedendaagschen stand van zaken bijna uitsluitend de Christelijke oorkonden en dan nog overwegend philologisch, onderzocht worden".
„En daar staat dan tegenover dat degene, die eenerzijds inziet, hoe de opleiding in een exclusieve wereldbeschouwing op het oogenblik niet meer doelmatig is, omdat de cultuur in overgang verkeert en de voorwaarden voor een nieuwe alomvattende synthese nog niet aanwezig zijn, maar die anderzijds vertrouwen stelt in de idee der religie en haar beteekenis voor de menschheid, ook den godsdienst het meest gebaat zal achten door een diepgaande studie van het menschelijk leven in al zijn vormen. Een breed opgezette cultuurhistorische vorming op critisch-idealistischen grondslag, gepaard met een ernstige beoefening van wat de practijk van het ambt onmiddellijk vraagt, zal daarom, naar mijn meening, voorloopig de doeltreffendste opleiding tot het predikantschap blijken te zijn". Tot zóóver dr. Snethlage in het Jaarboek voor het protestantsch theologisch onderwijs 1927.
In datzelfde Jaarboek komt ook een artikel voor van ds. K. Schilder, Gereform. predikant te Oegstgeest, waar boven staat „Over theorie en practijk in de predikantsopleiding". We willen ook uit dit artikel een en ander meedeelen in de eerstvolgende nummers van ons Bondsorgaan, meenende, dat de zaak van de opleiding tot het predikambt voor ons allerbelangrijkst is en blijft, waarbij we gaarne luisteren naar anderen om te hooren wat die in deze aan de Kerk te zeggen hebben
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's