De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

VAN DE 22e JAARVERGADERING VAN DEN GEREF. BOND

14 minuten leestijd

VERSLAG VAN DE 22e JAARVERGADERING VAN DEN GEREF. BOND OP DONDERDAG 31 MAART 1927, IN EEN DER ZALEN VAN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WE­TENSCHAPPEN TE UTRECHT.
I.
Op den laatsten van Lentemaand kwam de vorige week Donderdag onze Gereformeerde Bond weer in jaarvergadering bijeen. Zoowel des na-als des voormiddags mochten wij ons verheugen in een goede opkomst. Beide malen was de vanouds bekende zaal geheel bezet. Onze voorzitter, ds. Van Grieken, opende te 11 uur de vergadering met het doen zingen van Psalm 123 vers 1, het voorlezen van Efeze 3 en gebed. In zijn openingswoord spreekt hij als volgt: Het is ons, Geachte Vergadering, broeders en zusters, een aangename taak U bij den aanvang van onze 22ste jaarvergadering namens het Hoofdbestuur hartelijk welkom te heeten aan deze, voor ons, leden van den Gereformeerden Bond, zoo bekende plaats. Wij gaan altijd gaarne op ter Bondsvergadering en het verheugt ons telkens weer zoovelen uit het midden van de Herv. (Geref.) Kerk van stad en land, van heind en ver saamgekomen, hier te aanschouwen. Waarom?
Gij weet allen het antwoord. Want als we hier saamkomen is het als belijders van 's Heeren Naam, die zich in het midden van onzer aloude Geref. Kerk willen scharen rondom de Gereformeerde belijdenis. En ons groot getal, slechts een zwakke afschaduwing van de groote schare van mannen en vrouwen uit den lande die ééns geestes met ons zijn, bewijst, dat er in de Herv. (Geref.) Kerk nog altijd een volk woont, dat met belangstelling meeleeft met hetgeen met en in die Herv. (Geref.) Kerk geschiedt, begeerende, dat de Gereformeerde, belijdenis meer en meer tot kracht en openbaring zal komen op de erve der Vaderen, die de God des Verbonds in dezen lande ons liet en ons bewaarde. Daarmee is tegelijk gezegd wat en hoe onze positie is als Bond en als leden van den Bond. Want we zijn Hervormd, we voelen voor de Hervormde Kerk, omdat de Hervorm. Kerk voor ons de voortzetting is van de aloude Geref. Kerk, zooals die, vóór 1816 hier zich openbaarde tegenover de Roomsche Kerk en naast en tegenover de Luthersche-, de Doopsgezinde-en de Remonstrantsche Kerkgemeenschap.
Een heele geschiedenis is aan die Geref. Kerk van Nederland verbonden, met veel moois en veel leelijks vóór 1816, en sinds 1816 is haar geschiedenis omgebogen los van het voorafgegane, in een richting dat de Gereformeerde belijdenis aan banden gelegd is en aan allerlei wind van leer de vrije toegang is geschonken, met algeheele verandering van haar orde van leven.
Is zij dus nog wel de Geref. Kerk? Ja en neen. Of misschien moeten wij zeggen: neen en ja. Honderd jaren zijn voorbij gegaan, dat ja en neen, dat neen en ja is geantwoord. En we kunnen het begrij pen. Geweld, schandelijk geweld is gedaan aan de belijdenis der Kerk, haar wettig eigendom. De belijdenis is bewaard en is verworpen. Zóó bewaard, dat men er geen last van zou hebben en zóó verworpen, dat ze toch niet verdween. En zoo is het een grillig spel geworden van „onwaarachtig geknoei en geschipper", zooals dr. Hooykaas het indertijd in „Het Handelsblad" noemde.
Een lange strijd met veel moeite en verdriet, met veel zegen, maar ook met veel teleurstelling, tot herstel en tot verscheuring, ligt achter ons Wie denkt in 1927 niet aan 1827 en noemt dan niet den naam van ds. Dirk Molenaar, van Den Haag? Wie denkt niet aan de velen, die in 1834 en 1886 van ons uitgingen, hoewel ze met ons waren, terwijl ook duizenden en duizenden, die van ons waren, in stad en dorp, in Noord en Zuid wonend,  b l e v e n, voor de Waarheid Gods op te komen en er naar te staan, dat de gedéformeerde Kerk mocht worden gereformeerd naar beginselen van Gods Woord en de beginselen onzer Gereformeerde belijdenis. Met die laatsten, die bleven, voelen ons 't meest verwant. Zij die uitgingen, de belijdenis der Waarheid zich één verklarend, zijn onze broeders en zusters en blijven dat. Maar zij die bleven, liefde hebbend. voor de Gereformeerde Waarheid, staan nader. En  i n  de Hervormde Kerk zoeken we gemeenschap om met de belijders der Waarheid het goede te zoeken voor de Kerk onzer Vaderen, waar het hoogste en heerlijkste van de Kerk, n.l. het leven door den Geest, het leven Gods, gelukkig nog gevonden wordt in Noord en Zuid, in Oost en West. En nog zijn de belijders der Waarheid in stad en dorp niet bij tientallen, ook niet bij honderdtallen, maar bij duizendtallen te vinden. Gelijk telkens méér gevraagd wordt naar predikanten, die het Woord Gods recht snijden en den vollen raad Gods verkondigen
Dat is het bestaan van onzen Gereformeerden Bond. Door en uit den nood der Kerk is hij geboren. Door en uit de vrienden der Waarheid wordt hij gevormd en gevoed. En zoo is de Gereformeerde Bond ook zelf voor ons bewijs, dat de Heere aan de Hervormde Kerk nog niet den afscheidsbrief gegeven heeft, maar nog grootelijks bemoeienis met haar houdt.
Dat is onze kracht en onze sterkte; Gods hulp en bijstand. En dat teekent ons een weg vol moeilijkheden, vol voetangels en klemmen, waarbij het gevaar telkens niet denkbeeldig is, dat wij den strijd zullen moeten verliezen, ware de Heere niet een God, Die het telkens waar maakt, dat Zijn Woord ongebonden is en vrij in werking, terwijl het Hem behaagt daarbij heerlijk te  vervullen: Ik doe het niet om uwentwil, maar Ik doe 't om mijnentwil, spreekt Heere.
We moeten door vele moeilijkheden heen, want we kunnen de klok niet terug zetten en we kunnen de geschiedenis niet ongedaan maken. En als we ook niet geloofden dat des Heeren Woord niet gebonden kan worden en dat des Heeren Geest gaat waar God wil en dat het echte, ware leven der Kerk uit Christus is, Die zit aan des Vadedrs rechterhand, dan zouden we moedeloos de handen in den schoot laten vallen, maar nu hooren we des Heeren stem, zeggende: Ik heb nog Mijn volk aan deze plaats - als ook: die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Wij gelooven in de kracht van Gods Woord, in de kracht van Gods Geest ___ en waar de Heere telkens in het midden der Hervormde Kerk nog opening maakt voor dat Woord en nog van Zijn Geest uitzendt onder jongen en ouden, daar zijn dat de pilaren van sterkte en kracht die ons Bondswerk steunen en die ons bemoedigen om voort te gaan in de verbreiding en verdediging der Waarheid in het midden van onze gedéformeerde Hervormde Kerk, in de hope, dat op Gods tijd de kracht der Waarheid zal zegevieren en de dageraad zal aanbreken, door Gods volk begeerd en afgebeden van den hemel.
De moeilijkheden die er zijn, zijn er door de zonden van onze Vaderen en van ons. Geslacht op geslacht hebben ongehoorzaamheid opgestapeld voor den Heere en de ontrouw der geslachten roept tot God. Dat brengt droeve gevolgen mee, die niet met een handbeweging ongedaan gemaakt kunnen worden en ook niet mogen worden ontloopen, als hadden wij geen deel aan de schuld en geen deel aan de ellend. Die zonde brengt de straf met zich, kerkelijke zonde met kerkelijke ellende.
En nu moet het 't doel en het streven van den Gereformeerden Bond zijn en blijven, om de Gereformeerde beginselen te verstaan, te leeren, te verbreiden, te verdedigen — waarbij we in ons kerkelijk leven, dat zoo schrikkelijk gedéformeerd is, telkens een duw, een houw en een snauw zullen ontvangen, maar waarbij we moeten blijven voortgaan, om, de lasten dezer schuld dragend, de Gereformeerde beginselen aan te prijzen en in den middellijken weg tot kracht en tot eere te brengen in het midden der Kerk, waarin we geboren zijn en gedoopt, in welker midden we ook belijdenis des geloofs hebben afgelegd en velen onzer het ambt van predikant, van ouderling of diaken, hebben begeerd en verkregen.
Die Hervormde Kerk hebben we lief, in weerwil van haar krankheid, van haar misvorming, van haar wangestalte, want we hooren van de oordeelen Gods en we beven, we slaan de straffen Gods gade en we buigen ons neer, we hooren het ritselen des Geestes en we verheugen ons, we zien de gangen des Heeren onder ons en we zijn blijde, we hooren Gods stem, zeggende: Ik heb er nog 7000 die hun knie voor Baal niet gebogen hebben — en onder allerlei teleurstelling door werken we nu voort ter verbreiding en verdediging van de Waarheid, geloovende, dat ook in den voortgang zal blijken, dat ons werk in den Heere niet ijdel zal wezen en dat het doen zal wat Hem behaagt.
In Bondsvergadering zóó samen zijnde, aan deze historische plaats, waar we zoo dikwijls zijn bemoedigd en gesterkt, is onze wensch en onze verwachting, dat ook déze onze 22ste jaarvergadering een zegen zal achterlaten, ten zegen van onzen Bond, ten zegen van onze Hervormde Kerk, ten zegen van ons land en van ons volk, dat voor een zoo groot en zoo belangrijk deel nog met die Kerk verbonden is. Dan zal het strekken tot eere van dien God, Die ijvert voor de eere Zijns Naams ook in het midden van de Kerk onzer Vaderen, die ook onze Kerk is, — en Die uitziet naar Zijn afkeerige kinderen, dat ze zullen wederkeeren tot Hem, Die hun afkeeringen wil genezen.
Het doet mij genoegen, dat we in onze vergadering hebben onzen Penningmeester. Op zichzelf is dat niet zoo'n bizonderheid. Want door Gods goedheid hebben we hem op al onze Bondsvergaderingen in ons midden gehad. We kunnen ons onzen Bondsdag niet denken zonder hem. 't Zou een dag zonder zon wezen. Maar dat hebben we niet éénmaal hier gehad, gelukkig. Maar dat onze Penningmeester nu in ons midden is, willen we toch als een bizonderheid memoreeren en we willen er onze blijdschap over uitspreken, omdat zijn vreugd onze vreugd is. En wij hem, nu hij pas zijn 65sten verjaardag mocht vieren, saam nu op onzen Bondsdag hartelijk willen feliciteeren en hem hartelijk willen danken voor alles wat hij voor onzen Bond, bizonder voor de fondsen, gedurende nu zooveel jaren heeft gedaan.
't Is een penningmeester om in goud te zetten — heeft prof. Visscher hier wel eens uitgesproken; en het is volkomen waar. Daarom, Penningmeester, ons aller dank, ons aller hulde — met den wensch en de bede, dat de Heere U spare en sterke om nog vele jaren Penningmeester van onzen Bond te mogen zijn.
En is het voor U een kroonjaar — de Heere geve Zelf U een kroon van genade, en kroon der eere — een kroon des levens, straks een kroon der overwinning, een kroon van eeuwige heerlijkheid, door Hem, Die den doornenkroon droeg om al de Zijnen te begiftigen met de gunste Gods tot in eeuwigheid! We gunnen het U zoo van ganscher harte, waarde broeder en vriend, we gunnen het U allen zooals we hier zitten — en daarom willen we het ook nu zingend U toebidden met de woorden van Psalm 134 vers 3:
Dat 's Heeren zegen op u daal,
Zijn gunst uit Sion u bestraal;
Hij schiep 't heelal, Zijn naam ter eer
Looft, looft dan aller heeren Heer!
En nu rest mij nog als voorzitter den geachten spreker voor deze morgenvergadering, ds. Van den Berg, van Amersfoort, welkom te heeten en hem gelegenheid te geven tot het houden van zijn referaat, dat hij zelf heeft omschreven met de woorden: "Het wezen der Kerk".
Wij verheugen ons, dat we ds. Van den Berg bereid bevonden hebben voor ons op te treden en ook, dat hij een zoo belangrijk onderwerp in ons midden wil behandelen. Geve de Heere ons saam een goede ure. Ik heb gezegd.
Ds. Van den Berg treedt nu naar voren om zijn referaat uit te spreken over:
"Om het wezen der Kerk".
Spreker wees er op, dat de Kerk  i n  de wereld is, niet  v a n  de wereld. De roeping der Kerk tegenover de wereld is, in het midden van haar te doen uitstralen het Licht der erbarming. Ook in den stikdonkeren nacht der overbeschaving valle het Licht van Jezus Christus. Veronachtzaamt de Christelijke Kerk deze roeping, dan stroomt de wereld de Kerk in en dreigt zij verloren te gaan. Met diepe ontroering moet men daarom zien 't groeien van half-en onkerkelijken. Om bewaard te worden voor moedeloosheid en voor willekeurig handelen, is het goed, stil te staan bij het wezen der Kerk.
Spreker zal achtereenvolgens behandelen: naam en begrip der Kerk; haar eigenlijk wezen; haar eenheid en continuïteit, om tenslotte eenige conclusies te trekken uit het wezen der Kerk voortvloeiend, met het oog op onze positie in de Ned. Hervormde Kerk en den Gereformeerden Bond. Bij zijn derde punt wees spreker op de armelijke openbaring der Kerk in dezen tijd, die geen eenheid, maar verdeeldheid geeft te zien. Maar Christus gaat voort. Zijn gemeente te bouwen.
De Kerk wordt voor ons ook openbaar als instituut door de ambten. Reeds onder het Oude Verbond is dat op te merken. Onder het Nieuwe Verbond, in het apostolaat, treedt dat duidelijk naar voren. Er is niet één Kerk, die in leer en leven beantwoordt aan den eisch van Gods Woord. Maar die Kerk, wier wezen spreker teekende, is ook in de Ned. Hervormde Kerk. En het afteekenen der grenzen staat niet aan ons. Wij staan tegenover de afscheiding, omdat ook de eenheid tot het wezen der Kerk behoort. Al is het waar, dat de laatste tijd toont de verdeeldheid der Kerk; de verdeeldheid moet niet worden tot versplintering.
Wij moeten zien op de historie der planting Gods in de 16de eeuw en niet alleen op het heden. Het zou in strijd zijn met de historische continuïteit der Kerk, indien ter wille van wie of wat ook iets werd prijs gegeven van de belijdenis der martelaren. Groen van Prinsterer verklaarde zich op deze historische gronden tegen de afscheiding. „Het verlaten van een Kerk is zonde, wanneer het niet plicht is" — zei hij.
Ook Calvijn wijst er op, dat de profeten geen nieuwe Kerk hebben opgericht en waar schuwde tegen het op lichtvaardige gronden oprichten van een nieuwe Kerk. Ook uit a Brakel is menig woord tegen afscheiding aan te halen. Spr. citeert hier Brakels verklaring van den tekst „trekt geen juk aan met den ongeloovige", waarvan hij zei, dat het er niet gaat om de Kerk, maar om dit aantrekken van een juk met de heidenen.
Als heden de vraag wordt gesteld: afscheiden, moet daarbij de vraag zijn: waarheen? Luidt het oordeel der historie over de afscheiding in de vorige eeuw gunstig? Spr. meent: neen. Dan het aantal der Geref. Kerken weer met één vermeerderd? Dat mag zeker niet. De Bond heeft thetisch en antithetisch te strijden. Strijd tegen de ongerechtigheid van ons eigen loven en strijd om het wezen der Kerk in Gods kracht tegen een organisatie, door een vreemden koning haar opgebonden.
Spr. waarschuwt tegen hen, die meenen: wij moetenmaar ophouden met strijden. Er is een plicht tegenover het geheel der Kerk, ook al heeft men het in eigen gemeente goed. En het aantal zegt weinig. Wij moeten de Gereformeerde waarheid brengen. Is prediking ook niet strijden? Waarin de oplossing gezocht moet worden, in retireeren en doffe berusting niet! Schriftmatige strijd tegen onschriftmatige organisatie is plicht.
Om het wezen der Kerk gaat het ons. Dit zal God verheerlijken. Wij hebben ons van het trekken van grenzen te onthouden. De grens hebben wij in de belijdenis. Maar de Bond zij een band voor hen, die de Geref. belijdenis liefhebben. Ons bestuur lichte ons voor op kerkelijk terrein in de eerste plaats, en ook op staatkundig en maatschappelijk terrein. Dan zullen wij gesterkt worden om te strijden voor het wezen der Kerk. Wijzend op vele vragen, die aan de orde zijn, noemt spr. ook deze: is wijziging van onze politieke gedragslijn gewenscht met het oog op het belang der Kerk? Het drukkend leed der zonde dringe ons uit te zien naar het allesoverheerschend licht van het Licht dat opgaat uit de hoogte, naar den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waar gerechtigheid wonen zal.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's