KERKELIJKE RONDSCHOUW
Over theorie en practijk in de Predikantsopleiding.
Daarover schrijft ds. K. Schilder, Geref. predikant te Oegstgeest, in het J a ar b o e k voor het protestantsch theologisch onderwijs 1927 een alleszins lezenswaardig artikel, waaruit we gaarne een en ander hier overnemen, om het onzen lezers voor te leggen tot overdenking. Heel makkelijk is dat „overnemen" echter niet; daarvoor is het artikel van ds. S. absoluut niet ingericht en als we wat „overnemen" zal het toch zóó moeten geschieden, dat het ds. S. blijft die aan het woord is en dat het begrijpelijk is voor onze lezers.
Toch willen we het probeeren.
Prof. Roessingh van Leiden heeft een opstel geschreven over: „De Leidsche Theol. faculteit 1875—1925". Daarin is sprake van een geestelijk conflict, dat opgelost moet worden; en met dat conflict wordt dan bedoeld de moeilijkheid het theoretisch en het praktisch gedeelte bij de theologische studie en de opleiding tot predikant met elkaar te vereenigen. Wetenschappelijk werk is er, bij de klacht, dat het zoo weinig voor de practijk geeft. De een stelt aan de theologiche faculteit den eisch van strenge wetenchappelijkheid, waarbij het woord „opleiding", als zijnde al te practisch, een onaangenamen bijsmaak krijgt. Daar schijnt men vroeger ook reeds bang voor geweest te zijn. Want de Leidsche Studentenalmanak van 1878 schreef: naar wij vernemen, zullen de studenten in de theologie voortaan den naam van Seminaristen dragen; wie weet of de Synode later niet eens een kleeding voorschrijft in den trant van de Seminaristen te Warmond! Het was een tijd van „de wetenschap der godsdienst", hoewel de kleine collegezaal maar niet vol liep. Toch hoorde men ook een ander geroep: men moet dominees kweeken. Men dacht aan „opleiding".
Men neigt ook nu over tot de gedachte, dat de theologische faculteit meer aan de „opleiding" tot het predikambt doen moet; al heeft men een afkeer van „africhten". Maar bij de vakken van de „practische theologie" moet dan zóó onderwezen worden, dat van de moeilijkste wijsgeerige, psychologische, godsdienst-psychologische grondvragen grondige bespreking plaats heeft. Wat het meest in directen zin „opleiding" wil zijn, dat hangt met de diepere vragen samen, waarop de strijd der geesten zich concentreert.
Veelal heeft men juist tegen de Gereformeerden de klacht geuit, dat de opleidingsgedachte daar te veel den theologischen studiegang beheerschte en dat de studenten zich nooit eens moesten of konden opwerken tot de ,,wetenschappelijke" hoogte — waarover nu geklaagd wordt ten opzichte van de theologische faculteit. Men wist blijk baar niet, dat onder de Gereformeerden ook de kwestie bestaat „„seminaristische" opleiding en ,,universitaire" studie! De „wetenschap" wordt dan niet zelden zóó ins Blaue hinein gezet, dat men gevoegelijk op de maan de collegezalen kon bouwen om dan zoo nu en dan vanuit die „hoogte" nog enkele teekenen van leven neer te zenden naar de aarde. Ook onder de Gereformeerden werd een strijd gevoerd tusschen aanhangers van een zuiver-wetenschappelijke en voorstanders van een meer practische theologische studie, de eene zonder, de ander graag met het etiket: hier leidt men op. Ook in hun kring was de worsteling, waarover Roessingh sprak.
Hoe dit evenwel zijn moge, het feit, dat „opleiding" weer een behoorlijk woord is geworden, en dat men van den Olympus weer eens naar beneden komt, geeft te denken; het is een zekere rechtspraak der geschiedenis. Het is met de „opleiding" van den predikant niet, zooals het moet wezen. Dat is reeds zoo dikwijls beweerd en het wordt telkens weer herhaald. Hier kan genoemd worden dr. J.L. Snethlage in zijn prachtig geschreven „Kerk, Cultuur, Arbeid". De schrijver heeft bezwaar tegen heel de huidige werkwijze van de Kerk in de Oude Wereld; hij meent, dat zij haar program van actie radicaal zal moeten wijzigen, om nog iets te kunnen zijn voor de cultuurwereld, waarin zij geplaatst is. Hij zegt daar, dat de tegenwoordige theologische studie hopeloos in gebreke blijft, de richting voor het tegenwoordige handelen aan te geven en dat zij onwetenschappelijk is en van cultureele beteekenis ontbloot, enz. Hij wil blijkbaar van een predikant heel wat anders maken dan wat tot nu toe gevraagd werd. Dat is dus nog al radicaal. Maar afgezien daarvan, zegt dr. Snethlage toch óók, dat de opleiding totaal ongeschikt is voor de werkzaamheden van den predikant, zooals die n u zijn. Voor het godsdienstonderwijs maakt de opleiding den ambtsdrager ongeschikt. Niet l a a t hem ongeschikt, maar m a a k t hem ongeschikt, schrijft dr. Snethlage. De catecheet wordt paedagogisch niet geschoold. En in het algemeen is zijn eindconclusie: dat de opleiding tot het kerkelijk ambt, minder dan elders, d.w.z. in andere faculteiten geschiedt, rekening houdt met het feit, dat de leerstof in het latere leven zal kunnen functioneeren. Er deugt van die opleiding ongeveer niets!
Is dr. Snethlage misschien een „opstandige", ook b.v. prof. Is. van Dijk waarschuwde in 1904 reeds ernstig tegen intellectualisme, en drong aan op minder colleges en examens, op meer vrije studie.
In 1909 klaagt dr. J. van der Spek (in zijn brochure: Kerkgaan), dat de opleiding van den predikant verkeerd is: „hij mist alle scholing in het psychologisch verstaan" van de kringen, die hij straks bereiken moet; hij kent de conflicten van het leven niet. Als hij de academie verlaat, weet hij niets van de psyche der menigte, noch van de psychologie van typen en individuen". En ds. J. Petri vraagt in zijn brochure: De Predikant en de Cultuur: „wie is niet ontevreden over de opleiding? Zij moet worden veranderd, de theologie is tot vakkenkennis ontaard, maar men wil het gepeuter niet meer".
Nu moet men, eer dat er van de indiening van een verlanglijst sprake kan zijn, eerst voor zich zelf weten wat het doel is, dat men zich stelt bij de theologische studie. Hoe denkt men dus taak en wezen van het kerkelijk ambt, dat den predikant is toebetrouwd; hoe denkt men, in wijderen zin, zijn plaats in de wereld?
De Gereformeerde theologie heeft over de opleiding van den predikant haar overwegingen en conclusies. En dan wijst zij af, wat dr. Snethlage beweert, dat het Woord voor hem enkel waarde heeft als een „geopenbaarde heilsleer", neergelegd in de boeken van Oud en Nieuw Testament. Want het is veel méér dan „heilsleer". Ook is de Kerk geen Heilsanstalt, maar het mystieke lichaam van Christus. Ten slotte is het ambt van den predikant niet te taxeeren naar zijn „cultureele" waarde, althans niet, als de cultuur den taxateur benoemen mag! Gereformeerden meenen aan den bedienaar van dat ambt een hoogere positie te moeten wijzen: hij is mede-arbeider Gods, door wien Christus Zelf zijn profetie bedient. Daarom is bij zijn werk God Zelf prima causa; wat de mensch produceert is slechts het mindere, het secundaire in zijn werk. Daarom ook kan het niet alleerst de vraag zijn in hoeverre zijn „opleiding" hem bekwaamt tot productieven aanwijsbaren arbeid; want in het niet-aanwijsbare ligt zijn werkzaamheid in den diepsten grond.
Uit deze inzichten vloeit voort, dat in dit raam van gedachten een poging om de opleiding van den kerkelijken ambtsdrager te laten b e h e e r s c h e n door de vraag, in hoeverre zij hem aansluiting geven zal aan het cultuurleven van onzen tijd, een achteruitgang is, wanneer zij althans gesteld wordt uit het gezichtspunt der cultuur en niet uit dat der genade en der openbaring. De „dienaar des Woords" heeft een norma normans, niet uit menschelijke, maar uit Gods autoriteit gegeven. Zijn werk gaat dus uit van de veronderstelling, dat hij dienaar van h e t W o o r d is en dat de erkenning van dat Woord onder wie hem hooren op het cultureele leven zuiverend en scheppend werken zal. Het Woord wil vóór alle gelederen uitgaan, tot volgen noodigend. Christus vergadert door het Woord en den Geest Zijn heilige, catholieke, christelijke Kerk,
En zegt men dan, dat het W o o r d, 't welk „de dienaar des Woords" zijn leven lang in handen draagt, een gegeven statistische grootheid is, die „aan de hand van uitlegkundige studies aan de goêgemeente kan worden voorgezet" (dr. Snethlage) dan heeft de Gereformeerde ook daartegen weer zijn tegenopmerking. Het Woord wordt met denzelfden Geest gepaard door den zelfden God, die het Woord gegeven heeft en die in de Schriftwording, zoowel als in de Vleeschwording van den Logos, één samenhangend werk niet maar gewrocht heeft, maar nog elken dag werkt en dan ook het Woord nog dagelijks effect geeft en door die levende, onweerstandelijke, nooit onderbroken effectuëering Zijn raad volvoert en de wereld brengt tot consummatie, mét de Kerk. Dit geloof protesteert met klem tegen elke poging om een theologische studie te sanctioneeren, die zou mogen meenen „een gegevene, statistische waarheid in de geschiedenis te kunnen benaderen" en dit werk dan s y n o n i e m te doen zijn met de waarachtige „theologie van het Woord". Want hij heeft niet een waarheid, maar d e Waarheid te brengen. In dat teeken moet ook de opleiding staan. Niet om allerlei waarheden, maar om de Waarheid te brengen. Dat is de roeping van den prediker! En die waarheid is niet statistisch, zoo min als God het is, God, die Zijn Geest zendt en door Hem het Woord Gods in de Schrift dienstbaar stelt aan de toekomst van het Woord Gods, dat vleesch werd; aan de toekomst van Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's