De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het kruis aanvaard en Paaschfeest

20 minuten leestijd

Mijn Vader; indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke. Uw wil geschiede! Matth. 26 vers 42b.Want Hij is opgestaan. Matth. 28 : 6. 

Het Kruis aanvaard.
Een ontroerende worsteling is het, die in Gethsémané door Jezus Christus volstreden is. Denken wij ons eens in wat het is, een lijden, zooals Jezus moest ondergaan, te zien aankomen en 't vooruit te weten, dat na openlijke verguizing en smadelijke mishandeling een wreede foltering langzaam de levenskrachten zal aftappen, totdat de band tusschen ziel en lichaam zal verbroken zijn. En dan dat vreeselijke te kunnen ontvluchten en het niet te doen. In plaats van een zielvertwijfelenden marteldood te ondergaan, hemelvreugde te kunnen genieten en dan vrijwillig te kiezen voor den smaad en de smart en den dood. Toen Jezus den hof van Gethsémané betrad, wist Hij, dat daar de verrader met de bende der overpriesters en farizeën komen zou om Hem mee te sleuren naar het gericht, dat al tot zijn dood besloten had. Maar de Heere was daarom niet afgeweken van zijn gewoonte, om in Gethsémané de eenzaamheid op te zoeken. Vóór zijn sterven wilde Hij daar nog eenmaal met zijn Vader verkeeren in den gebede, om de kracht te ontvangen om den lijdensweg vastberaden te betreden.
Van dat bidden in Gethsémané, dat worstelen was, zijn de drie meest geliefde discipelen getuige geweest. Zij hebben gezien dat de Heere droevig en zeer beangst begon te worden. Aan hen legde Hij zijn hart bloot: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe". En al heeft zelfs het verzoek: „Blijft hier en waakt met Mij", niet kunnen verhinderen dat de discipelen tenslotte insluimerden, terwijl hun Meester het bloedig angstzweet uitgeperst werd, zij hebben de bede gehoord: „Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt". En als zij voor de eerste maal door Jezus gewekt zijn, hooren zij opnieuw bidden: „Mijn Vader, indien deze drinkbeker van Mij niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke. Uw wil geschiede".
Bij veel overeenkomst, is er toch ook merkwaardig verschil in deze twee beden. In beide vinden wij dat ontzaglijk er tegen opzien om den lijdensbeker Ie drinken. Maar in de eerste bede treft ons de niet ingehouden smeeking om den drinkbeker, zoo het mogelijk is, voorbij te laten gaan; terwijl in de tweede bede het besef, dat hij toch gedronken moet worden, luider spreekt.
Ook bij de eerste bede is er onderwerping aan des Vaders welbehagen: „niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt". Maar bij de tweede bede is het aanvaarden van den lijdensbeker de hoofdtoon, waarbij de smart, te moeten drinken, te schriller afsteekt: ,,Indien deze drinkbeker aan Mij niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke!"
Er moet een lijdensbeker gedronken worden. En Christus wist, wat die lijdensbeker inhield. Hij zou gevangen genomen worden en voor zijn rechters gesleurd. Hij zou valsch beschuldigd worden, ter dood veroordeeld, gesmaad, gegeeseld, gekruisigd! Zijn leven zou eindigen in den dood der gevloekten. Van God en menschen verlaten, hangende tusschen hemel en aarde, die beide Hem uitwierpen, zou Hij sterven. En waarom? Heeft Christus iets gedaan, wat des doods waardig was? Was er één ware beschuldiging tegen Hem in te brengen? Neen, geen enkele beschuldiging had kracht tegen Hem. Pilatus zou het openlijk getuigen: Ik vind geen schuld in dezen mensch. Maar waarom moet dan die lijdensbe­ker gedronken worden? Waarom kan die niet voorbijgaan, zonder dat hij gedronken wordt? Dat kan niet, niet omdat dat met het oog op Christus niet mogelijk zou zijn, maar omdat dat met het oog op den zondigen mensch niet kon.
Daar is een menschenwereld van God afgevallen. Die heeft gekozen voor de zonde en ligt nu onder de zonde. En daarom moest die gevallen menschheid een lijdensbeker drinken en als een vervloekte aan 't kruis. En onder dat kruis van een gevallen wereld bukt Christus zich nu, omdat het des Vaders welbehagen was, dat zijn Zoon, als het eenige Offerlam, dat dat vermogen had, de zonde der wereld zou wegnemen.
En dat is nu hetgeen de strijd zoo zwaar maakt: Christus heeft zonde gekend noch gedaan, en toch moet Hij lijden, terwijl Hij tot een en al zonde gemaakt is. En hoewel de Heere zelf vrijwillig den kruisdood koos, komt zijn menschenziel toch een oogenblik in beroering over dat vreeselijke, onder den vloek Gods over de zonde te moeten liggen en de straf van een vervloekte te moeten dragen, terwijl Hij, ook als mensch, naar zijn wezen nooit iets met de zonde en den vloek der zonde te maken had.
Voor een zondig mensch zal het al schrikkelijk wezen onder den vloek van een vertoorn God onder te gaan; hoeveel te meer dan voor een zondeloos, heilig mensch, voor wien dat niet noodzakelijk zou zijn, als Hij niet vrijwillig in de menschheid ingedaald was, om die menschheid te verlossen.
En in den zielestrijd over dat vrijwillig als een vervloekte onder te gaan, als een, die één werd met een gevallen wereld, vlucht Jezus tot het hart van zijn Vader om daar als een kind zijn nood te klagen, zijn tranen te schreien en zijn rust te vinden. In dat gebed worstelende met God, zijn Vader, zien wij Jezus zoo als echt mensch. Het is geen tegenstaan van Gods wil, als Hij in zijn gebed de begeerte uitspreekt, dat die drinkbeker aan Hem mocht voorbijgaan. Wij zien daar het Kind, dat in overgave aan zijn Vader leeft, maar ook juist daarom zijn hart voor zijn Vader bloot legt. En de Vader verstaat den nood van zijn Kind en kan daarom ook den troost en de kracht geven, die noodig is. En het breekt weer met voller klaarheid in Jezus' ziel door: „Het is des Vaders eeuwig welbehagen, dat ik het kruis van een verloren wereld drage, opdat door dat dragen het leven voor die wereld geboren worde".
Zoo wordt het een volkomen rusten in 's Vaders wil: „Mijn Vader! indien deze drinkbeker van Mij niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!" Uw wil geschiede! Ook al ligt in dien wil opgesloten een kruis, het kruis van een gevallen wereld. Christus, indalende in de wereld, aanvaardt ons kruis. Christus aanvaardt ons kruis; Hij drinkt onzen lijdensbeker tot den bodem toe leeg. Maar wat doen wij? Wij behooren tot die wereld, waarin Christus indaalde. Als dat voor een zondeloos mensch al beteekende den beker des lijdens te moeten ledigen, hoeveel te meer zullen wij dat dan moeten! Ja, wij vergeten maar al te gemakkelijk, dat wij van het kruis van Christus niet los staan. Wij kunnen wel zeggen: Hoe vreeselijk, dat Christus zoo bitter lijdende moest sterven. Maar wij allen liggen onder datzelfde oordeel. Laten wij niet denken, dat er voor ons, als gevallen menschen, buiten Christus geen oordeel zou zijn.
Laten wij onzen natuurlijken staat voor God toch klaar zien! Van nature zijn wij los van God. En los van God, dat beteekent: zonder hope. Want los van God, dat is: zonder leven uit God; dat beteekent: de dood; los van God, dat is: staande tegenover God, een vijand van God, dat beteekent: onder Gods oordeel. De vloek van God is ons deel! Het kruis, het vloekhout is voor ons. Aan dat kruis moeten wij genageld! Met een onontkoombaar moeten.  Christus moest aan het kruis, terwijl er, gezien op Hem zelf, altijd een uitweg was. Wij moeten aan het kruis, terwijl er aan onzen kant in der eeuwigheid geen uitweg zal te vinden zijn.
En kunnen wij nu, wat Christus kon: dat kruis aanvaarden? En dan zeggen wij: dat kunnen wij niet. Aan twee kanten niet. Als wij het kruis aanvaarden, gaan wij er onder! De vloek van den toornenden God verdelgt ons! Onder het kruis komen, beteekent het eeuwig verderf ontvangen. Het kruis aanvaarden beteekent aan ons bestaan alle mogelijkheid ontnemen; is dus onmogelijk. En dan kunnen wij het kruis niet aanvaarden, omdat daarvoor ook noodig is, dat wij dat w i l l e n. En dat willen wij niet. Wij willen onder het recht van God niet door. Wij willen geen zondaar zijn. Wat wij doen, is wel niet volmaakt, maar wij zijn toch deugdzame menschen. Wij hebben geen straf verdiend. Een straffende God lijkt ons een onrechtvaardige God. Als God met het kruis komt, willen wij er niet aan. Niet aan een tijdelijk kruis. En zeker niet aan den eeuwigen dood. Wat een tegenstelling maakt de Heere Jezus nu in dezen met ons. Hij aanvaardde wat wij niet kunnen en willen aanvaarden. En Hij doet dat ook omdat wij niet kunnen en niet willen. Als Christus kruisdrager is en Hij ons kruis draagt, dan doet Hij het ook voor ons. Dan gaat Christus staan op de plaats, waar wij moesten staan, om daar voor óns te volbrengen wat wij niet kunnen en niet willen. Wij zouden onder den last bezwijken. Maar Hij, de rechtvaardige mensch en ook de waarachtige God, kan dragen en wegdragen Gods vloek. Wij willen niet. Maar Christus, in onze plaats, geeft zijn wil gevangen onder des Vaders wil. „Mijn Vader! indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, uw wil geschiede !" Schaamte moet ons aangezicht bedekken, als wij verstaan, dat Christus moest worstelen, zoodat het bloedige zweet hem uitgedrukt werd, omdat wij van geen kruisdragen wilden weten. Maar als zoo ons hart verbroken wordt, dan mogen wij datzelfde wat ons 't schaamrood op de wangen jaagt, ook als een blijde boodschap voor ons aannemen. Dan is het Christus, die zich ons aanbiedt: „dat is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; dat is mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt".
Christus aanvaardt voor ons 't kruis. En wat is daar nu het resultaat van voor ons leven?  Christus aanvaardde het kruis voor ons; maar niet, opdat wij los van het kruis zouden blijven, maar opdat wij het in Hem zouden aanvaarden. In Christus kunnen wij ons kruis aanvaarden. Als wij in Christus zijn, laat dan de vloek Gods maar op ons rusten; die hem draagt en wegdraagt is dan Christus. Als wij in Christus zijn, laat dan de hel zijn krachten maar inspannen; Christus verbreekt haar macht voor ons, ja, heeft het gedaan.''
In Christus worden wij ook gewillig het kruis te aanvaarden. Dan leeren wij onder het recht Gods doorgaan. Dan maakt Christus' geest ons een ander mensch en wij zien bij Geesteslicht onze zonden en Gods gerechtigheid. Als het leven in Christus ons levend maakt, zien wij onze zonden op het hoogste in den gekruisten Christus. In Christus' lijden wordt ons onze ellende openbaar. Dat Gods Zoon dien bitteren kruisdood moest ondergaan om aan het heilige recht Gods te voldoen, dat leert ons wat zonde is. Maar dan gaan wij ook met Christus zijn kruisdood in. Dan leeren wij stamelen: „Uw wil geschiede". En als wij zoo het kruis aanvaard hebben en den beker niet langer voorbij willen laten gaan, dan zien wij, dat Christus hem voor ons heeft geledigd. Maar als wij in Christus leerden aanvaarden wat de zonde ons wrocht, dan zullen wij dat ook doen wat betreft al wat in dit leven nog aan zonde en vruchten van de zonde te vinden is.
Als wij leerden, dat het kruis alleen weggenomen wordt als het komt tot aanvaarden, dan is, wat Christus deed toen Hij zeide: „Uw wil geschiede", ook een voorbeeld voor ons als in dit leven de lijdensbeker ons aan de lippen gezet wordt, het kruis ons opgelegd wordt.
God kan in ons leven komen met ziekten, met rampen en tegenheden. Wordt er dan gemurmureerd? Zoeken wij er onder uit te komen door bezijden Gods weg te gaan? Of wordt het kruis aanvaard? Geen mensch kan in zichzelf dat, wat toch alles vrucht is van zijn zondebestaan, aanvaarden. Alleen in Christus is het mogelijk. Zie op Christus, moegeplaagde lijder! Zie op Christus, vertwijfelende zuchter, onder al uw tegenheden! Hij aanvaardde een kruis, dat niet het zijne was; dat het uwe was, om het voor u weg te dragen. Wat gij dragen moet is daarom maar een schaduw van het kruis, dat Christus voor u droeg.
Maar als Christus, torsende den last van den eeuwigen toorn Gods, voor u het ei­genlijke kruis gedragen heeft, dan moet gij in de schaduw van het kruis leven. Als ge aan het kruis van Christus gemeenschap wilt hebben, moet ge een kruisdrager achter Christus worden. Niet omdat ge dat noodig hebt om de zaligheid te verwerven (dat deed Christus voor u), maar omdat Christus u leeren wil den weg van 't kruis, dien Hij zelf ging, als den weg, waarlangs wij allen moeten gaan.
Zoo kunnen wij vragen: „Waarom blijft de zonde tot onzen dood toe macht behouden?" Het antwoord is: „Omdat wij den weg van het kruis moeten gaan". Wij zouden van de zonde geheel vrij willen zijn en dan gingen wij met een deugdzamen ouden mensch de hoogte in. En nu moeten wij in den strijd tegen de zonde de diepte in. Telkens weer de diepte in.
En dan vragen wij om er van verlost te worden en wij vinden geen antwoord. En wij zullen geen antwoord vinden, tenzij wij het den Heiland na leeren bidden: „Mijn Vader! indien deze drinkbeker van mij niet itan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke. Uw wil geschiede". Want, wat dacht ge, dat ge doen moest, als de zonde uw leven verderft? Probeeren een deugdzaam mensch te worden? Weet ge, wat ge doen moet? Uw zonde aanvaarden. Het aanvaarden, dat gij dood zijt in de zonden en misdaden. Uw trots, van een vroom mensch te zijn, verlaten. Ge moet verloren worden. Ge moet sterven aan uw kruis. En als ge zoo uw verlorenheid aanvaardt, dan moogt ge den kruisdood in met Christus. Als ge er alleen in moest, was er geen hope. Maar nu ge er  m e t  C h r i s t u s  in gaat, is het om met Christus tot een leven uit den dood te verrijzen. Dan komt Christus' leven inplaats van  u w  leven. Christus' leven in de plaats van ons leven: dat is de vrucht van het aanvaarden van het kruis door ons. Dan sterven wij met Christus aan ons leven en wij verrijzen met Christus in  z ij n leven.
En zoo moeten wij het kruis aanvaarden op alle terrein des levens. Ook bij den arbeid in Gods Koninkrijk. De Kerk is, in onze dagen vooral, vol gebrek. De macht der zonde openbaart zich in haar op droevige wijze, en dat nog wel onder allerlei vrome vormen en leuzen. Er is een roepen om genezing. Maar hoe wil men genezing? Allerlei middelen vvorden aangeprrezen, die onfeilbaar beterschap beloven. Maar men wil niet aanvaarden het kruis, het moeten ondergaan, het moeten sterven. En het moet ook met onze Kerk een verloren zaak worden. En als alles als verloren gezien wordt, dan doen wij het niet meer; dan openbaart Hij, die in onzen dood wilde afdalen, het leven." Wij moeten het kruis aanvaarden! Het lijkt de dood. Het is het leven. „Mijn Vader! indien deze drinkbeker van Mij niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik hem drinke. Uw wil geschiede!" Het lijkt vertwijfeling. Het is overwinning!
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart,
Of bangen nood, mijn vleesch en hart;
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
M.                                                                                                                                                                 B.

Paaschfeest.
Want Hij is opgestaan.
Matth. 28 : 6.
Bij Israël is van ouds het Paaschfeest tweeërlei geweest. Niet enkel gedachtenis met vreugd aan de bevrijding uit het diensthuis, aan de verlossing van den dood, aan de verzoening door het bloed, maar ook feest, omdat de natuur ontwaakt was en de aarde haar eerste vruchten wierp in den schoot des menschen, die dan ook met Paschen blij en dankbaar de eerste garven van den oogst in het heiligdom des Heeren indroeg. Ook wij hebben dubbel feest nu. Want wij willen niet onderdoen voor „de bewonderaars der natuur" en heden met blijdschap gedenken de verrijzenis van de natuur. Ook wij willen een open oog hebben voor de „vernieuwing des aardrijks". En daarom spreken wij ervan in onze woning en in Gods huis; en onze lofzang klinkt uit Sions zalen met stil ontzag, om den Heere dank te betalen, dat Hij het land bezocht met Zijn zegen en dat Zijn voetstappen druipen van vettigheid. (Ps. 65).
Wat hebben we, dat we niet hebben ontvangen?  En wat we ontvangen, ontvangen we van den Heere, Die geeft, dat d' uitgang van den morgen en van den avond juicht. Daarom willen we met Paschen Hem ootmoedig dank betuigen! Als er een hond loopt over het gezaaide of als een kind z'n gang maakt over onzen akker, dan zien we de voetstappen en bemerken, dat het is tot vernieling en tot schade; en we murmureeren. Hebben we de voetstappen des Heeren ook opgemerkt, nu Hij het land bezocht heeft en het uitspruitsel zegent? Hebben we er oog voor, dat de vruchtbaarheid van Boven is en dat de Geest des Heeren over boom en plant gaat, om leven te doen voortkomen uit den dood? Paschen is er, om ,,blij te zingen van 't heil voor ons bereid", nu Zijn goedheid over alles ligt uitgespreid.
Onze oogen moeten er voor geopend worden. Want „een ziel aan 't stof gekluisterd, beseft Gods daden niet; geen dwaas weet wat hij ziet; zijn oordeel is verduisterd". (Psalm 92 vers 3). Dat het daarom, door Gods genade, nu feest, echt feest zijn mag voor ons en onze kinderen en we op dezen grooten en heerlijken rustdag met den dichter mogen instemmen met hart en mond, zingende: „'t Voegt ons, met blijde klanken. Door 't voorbedachte lied, Hem, die het al gebiedt, Op harp en luit te danken. Gij hebt, door Uw vermogen, O HEER ! mijn hart verheugd ; Ik zal verrukt van vreugd, Uw groote daan verhoogen". (Psalm 92 : 2). Ja, in de tenten der rechtvaardigen zij nu een stemme des gejuichs. En de een wekke den ander op en zegge: laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn. (Psalm 118).
Maar toch is ons Paschen rijker door Gods genade. Neen, wij achten het boek der natuur niet te gering om er in te lezen. Een christen wordt ook in deze door zijn God onderwezen, om er zegening door te ontvangen en Gods deugden te roemen. Maar er is méér, hooger, zaliger, wat 't harte van Gods kind op dit Paaschfeest met blijdschap vervult. Want het is het feest van de verrijzenis van Jezus Christus uit de dooden en ons Paaschlied is: „De Heere is waarlijk opgestaan!"
De groote verrijzenis ten leven is vandaag niet de verrijzenis van de natuur, uit den slaap des doods opgewekt tot nieuw leven. Want wat zou ons dat tenslotte baten, indien we niet iets anders en iets hoogers kenden?
Al stond handel en nijverheid uit den doodsslaap op, om ons brood, geld en goed te brengen, en we kenden niet wat in Christus Jezus is geopenbaard tot verlossing van den eeuwigen dood en tot verwerving van het eeuwige leven, wat zouden wij en onze kinderen dan nog arm en ellendig zijn!
Immers onze zonde en verlorenheid, onze overtreding en onze schuld, die ons aan het eeuwig oordeel Gods onderworpen doen zijn tot dood en verderf, die moeten worden weggenomen, verzoend en vergeven. En we moeten kennen vrede bij God, met een nieuw hart, in blij vooruitzicht op de eeuwigheid.
Met minder kunnen we niet toe.
Brood te hebben tot spijze en kleeding om ons te dekken en een huis om in te wonen — 't is alles heerlijk en goed en groot. En waar de Heere ons bezoekt met Zijn zegen, moeten we blij nu zingen van 't heil voor ons bereid! Evenwel hebben wij en anderen noodig, dat de bron van het eeuwige leven voor ons ontsloten wordt, het brood des eeuwigen levens onze ziele voedt, en dat we opstaan tot een nieuw leven, om den Heere te kennen en te dienen als onzen God en Vader, in Jezus Christus. En daarom is voor ons op het Paaschfeest het voornaamste van alles, dat Jezus Christus, Die voor Zijn volk gestorven is, dragende hunne zonden, aan den morgen van dezen blijden feestdag, aan de Zijnen verkondigt: de schuld is betaald, de gerechtigheid is vervuld, de hel is overwonnen, de dood is te niete gedaan: vreest niet, want Ik ben uw Heiland, uw Verlosser, uw Koning en Zaligmaker, Ik, Christus, de Heere.
Paaschfeest is voor ons Christus-feest; het feest van de verrijzenis van Sions Verlosser en Zaligmaker. Het is het feest van het nieuwe, het eeuwige leven, dat Christus ontworsteld heeft aan den dood, betalende de schuld Zijns volks met Zijn dierbaar bloed voor 't aangezichte des Vaders.
De oorzaak van onzen dood, zijnde: de zonde, heeft Hij weggenomen. Op Paaschmorgen wordt het openbaar, dat dit werk van Sions Verlosser, heerlijk is volbracht, door den Vader is aangenomen en voor eeuwig is bevestigd. De zonde is verzoend en de dood is verslonden, het leven, het Godsleven, het eeuwig leven is aangebracht nu voor een iegelijk, die met zijn zonde en schuld in Hem mag ondergaan, om met Hem op te staan.
Zoo ligt in Christus' opstanding — en Hij is waarlijk opgestaan! — het onderpand van de opstanding van gansch Sion, van de opstanding aller dingen, van de opstanding uit den dood van alles wat God in Christus verkoren heeft ten leven. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde is verzekerd nu. Dood en hel en wereld zal Sions verlossing niet kunnen weerhouden, hoe graag ze het zouden doen. Is dat niet heerlijk, om dat te weten? En er dan zelf in te mogen deelen: om met Christus begraven te zijn en met Christus te zijn opgestaan, dat is het zalig voorrecht van allen, die den Heere mogen vreezen. De Engelen verkondigen weer groote blijdschap vandaag, zeggende: vreest gijlieden niet! En alles ligt voor een arm zondaarsvolk, zoo arm en ellendig in zichzelf, maar zoo rijk in God, in die heerlijke waarheid: de Heere is waarlijk opgestaan.
Dat wij er naar mogen staan, om Hem vandaag te ontmoeten, om Hem vandaag te zien, om Hem vandaag aan te raken, om met Hem te eten en te drinken, niet naar 't vleesch, maar naar den geest, opdat wij vandaag óók uit Zijn mond mogen hooren: Ik ben met u, Mijn vrede geef Ik u, Mijn vrede laat Ik u. Nog een kleinen tijd en gij zult ook zijn waar Ik ben. Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader. En Ik zal u plaats bereiden in den hemel. Dan kom Ik weder en Ik zal u tot Mij nemen en gij zult deelen, eeuwig deelen in Mijne heerlijkheid, die bij den Vader is.
Zijn we nog vreemd aan dezen Christus, Die uit het graf is opgestaan? Dan leven we nog in onze zonden, dan leven we nog voor de wereld, dan liggen we nog midden in den dood. Dat onze ziele toch leere schreien, om uit te zien naar Sions Losser. Dat ons harte Hem zoeke. Die dood geweest is, maar nu leeft. Dan zullen we leeren ervaren dat Hij leeft, om te zoeken wat verloren is en dat Hij in den hemel bezig is in de dingen Zijns Vaders, om treurigen te troosten, opdat zij zich mogen verblijden in hun God.
Hoe 't mogelijk is, dat zulks geschieden kan nu? Het is door Christus' opstanding uit de dooden. En dat is een werk, door Gods alvermogen, door 's HEEREN hand alleen geschied. Het is een wonder in onz' oogen, Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
M. v. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's