KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (16)
Wij hebben, doordat we het historisch overzicht inzake het beheer van mr. de Bie (Algem. Regl. op het beheer, 3de druk, Inleiding) ten einde toe gevolgd zijn, een uitstapje gemaakt — waarom we nu weer tot ons eigenlijk onderwerp terugkeeren.
Bij Kon. Besluit van 1847 werd de macht, die de Koning tot nog toe over de kerkelijke organisatie en daardoor over de Kerken, uitgeoefend had, overgedragen aan „de Synode", welk lichaam niet een vrucht van de Kerk, maar een staatscreatuur (1816) genoemd moet worden. Het was dus (in 1852) allerminst vrijmaking der Kerken, maar bestendiging der slavernij. Naar de meening der Kerken werd ook nu niet gevraagd. Het geschiedde trouwens, evenals in 1816, alles in het geheim.
De Regeering wilde het b e h e e r over de kerkelijke goederen en fondsen niet aan de Synode hebben. Bij Kon. Besluit van '66 werd de rechtstreeksche tusschenkomst van den Staat bij het beheer der goederen der Hervormde Kerk opgeheven en de macht, tot nu toe door den Koning hierin uitgeoefend, overgedragen aan een A l g e m e e n C o l l e g e v a n To e z i c h t van 14 leden (uit elk Provinciaal College één lid, met 3 leden door de Synode gezonden). Het College zou slechts 3 jaren zitting hebben, daarna verviel alles wat van Overheidswege op het beheer van het kerkelijk goed was vastgesteld.
De Algemeene Commissie was van meening, en naar het Kon. Besluit van 1816 terecht, dat de kerkelijke organisatie geenerlei recht had op de goederen, veel minder nog de Synode, die geenszins de vertegenwoordiging der Kerk kon geacht worden te zijn, maar oordeelde dat de goederen het eigendom waren der plaatselijke Kerken of gemeenten; en dat dus, bij het zich terugtrekken der Regeering, het toezicht en de regeling van het beheer terugvielen op de plaatselijke Kerken.
Nu had het beheer dus bij den Kerkeraad moeten komen. Maar — door de Synodale organisatie van 1816—'52 — was de Kerkeraad weer „de laagste sport van de ladder", en dus bestuurscollege. Daarom koos men een anderen weg voor het beheer en wel plaatselijk afzonderlijke colleges (Kerkvoogdijen), door de leden der gemeenten te verkiezen. En aan deze Kerkvoogdijen liet men het over, of zij voor controle zich vrijwillig wilden stellen onder een nieuw Algemeen College van Toezicht uit de Kerkvoogdijen voortkomende, dan wel, of men met „Vrij Beheer" zelf de administratie van en de verantwoordelijkheid voor het beheer op zich wilde nemen. Aanvankelijk stelde de Overheid nog elf reserves, doch in 1870 werd de laatste ingetrokken, zoodat bovengemelde regeling toen volkomen haar beslag verkreeg.
Men begrijpt, dat de Synode deze regeling met leede oogen aanzag. En het is merkwaardig om te zien, hoe zij van 1825 af allerlei pogingen in het werk gesteld heeft om het „oppertoezicht" op het beheer in haar handen te krijgen. Als een poes om den vogel, zoo sprong zij geheel de 19de eeuw door met begeerige oogen om de beheerskwestie heen, haar aanval meer of minder krachtig wagende, naar gelang zij het terrein veilig achtte. Maar tot heden zijn bestuur en beheer in de Hervormde Kerk twee — en bestaat daardoor een dualiteit, die soms de zonderlingste toestanden in het leven roept.
Het beheer en zijn regeling is dus weer onverkort aan het rechte kantoor, de plaatselijke Kerk, gekomen. Ware dat in 1852 ook maar met het bestuur geschied! Toen de Regeering zich in 1852 van het bestuur terug trok, had dit bestuur geheel en uitsluitend op de Kerkeraden, op de plaatselijke Kerken, moeten terugvallen De Regeering had toen de Kerken de vrije hand tot eigen organisatie moeten laten en dus al haar reglementen en besluiten terug moeten nemen! Evenwel, is dat toen niet geschied! Bij de regeling van het beheer in 1869 schijnt men de fout van 1852 te hebben gezien en gevoeld, maar door half werk is de zaak niet in orde gebracht. De organisatie van 1816 is in 1852 in stand gebleven, doordat de macht des Konings over de Kerken aan een college boven de Kerken, de Synode genaamd, overgedragen werd — en zóó bleven de Kerken onder de Staats-organisatie gebonden.
Waarbij dit nu komt, dat in den loop der 19de eeuw de Kerken door de Overheid met deze organisatie vereenzelvigd werden. Wie met die organisatie in conflict kwam of er mee brak, brak — naar het oordeel van de Overheid — met de Kerk! Vroeger was het criterium om het karakter der Kerk te bepalen: de b e l ij d e n i s, nu was het: de o r g a n i s a t i e en dan nog wel de met geweld opgedrongen Staats-organisatie. Een plaatselijk Kerk, die met de organisatie brak, was slechts een aantal individuëele leden, die zich afscheidden van de „Kerk" en dus — zoo redeneerde men — hadden deze lieden alle recht en aanspraak op de goederen dezer „Kerk" verloren. De organisatie was het eenige criterium, niet, zooals vroeger de b e l ij d e n i s. Wie van de belijdenis afweek, was vrij daarin; wie met de organisatie in conflict kwam werd als een scheurmaker buiten gezet, zonder eenig recht ooit te kunnen doen gelden.
Dit was een toestand, in strijd met de belijdenis zelve. Waarbij onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis van Molenaar's adres af (1827) tot op den huldigen dag toe, één doorgaand protest der Kerken is geweest tegen de Staatsorganisatie van 1816 — '52. Jammer, dat de geschiedenis zoo geloopen is; want nu ligt alles op kerkelijk gebied hopeloos verward door elkaar.
Met de eene hand gaf de Regeering „vrij beheer", doch met de andere hand hield zij de Kerken onder de macht der organisatie (1816—'52) gebonden en ontnam daarmede in den grond der zaak aan het „vrij beheer" alle principiëele en practische waarde.
Ook als een plaatselijke Kerk met „vrij beheer" de gehoorzaamheid aan de organisatie opzegt, verliest deze Kerk toch al haar rechten op haar goed; en dat niet alleen, maar, omdat de Overheid alleen rekent met hen, die aan de organisatie getrouw blijven, is er ook geen kans om als Gereformeerde Kerk met Gereformeerde belijdenis en Gereformeerde Kerkorde, van Overheidswege subsidie te ontvangen. Krijgen de Kerken onder de organisatie een niet onbelangrijke som voor tractementen en een flinke uitkeering voor kerkelijke onkosten van Rijkswege, de Gereformeerde Kerken buiten de organisatie ontvangen geen cent.
Hoewel de Grondwet vrijheid van belijdenis aan elk Nederlander toezegt, straft de Overheid den Gereformeerde, die naast zijn Gereformeerde belijdenis ook een Gereformeerde Kerkorde verkiest, met inhouding der Staatssubsidie, ja, met berooving van het goed, dat hij voor den dienst zijns Gods bezat. Zoo kiest de Overheid, die neutraal wil zijn, toch partij en aan de eene Kerkengroep geeft zij steun uit de Staatskas, aan de andere niets. De eene plaatselijke Kerk (die onder de organisatie blijft) handhaaft zij in haar goed, de andere ontneemt zij het. Het eene deel der Gereformeerde gezindheid erkent zij in de rechten dezer gezindheid, het andere deel niet. Daarbij beoordeelt de Overheid een Kerk niet naar haar aard en kenmerk (haar belijdenis), maar naar een organisatie, door haar zelf in 1816 aan de Kerken opgelegd.
De Overheid, die neutraal wil wezen, moest óf aan a l l e Kerken óf aan g e e n e n k e l e Kerk subsidie geven. Zij mag niet de eene Kerkengroep w è I en de andere Kerkengroep niet geven, en daarbij dan nog de Kerken, welke niets ontvangen, voor de andere laten betalen. Terwijl zij nu steunt alle richtingen, alleen die richting, die Gereformeerd kerkelijk wenscht te leven, niet. De Hervormde Kerk wordt gesubsidieerd, de Roomsche Kerk (aan tractementen en voor kerkelijk bestuur), de Ev. Luthersche Kerk, de Remonstranten, Doopsgezinden, de Oud-Roomschen, de Joden, enz. Hierbij komt nog voor kinder-, school- en academiegelden bij de Protestantsche Kerkgenootschappen een vrij aanzienlijke som. Voorts komen hier ook nog bij de toelagen voor emer. predikanten, weduwen en weezen, enz. Alleen de Gereformeerde Kerken (Chr. Gereformeerden, Oud-Gereformeerden, enz., inbegrepen) krijgen niets. Hun rechten op het kerkegoed zijn geschrapt en subsidie wordt niet verleend. Dat is een dubbel onrecht, haar aangedaan! Hierin dient dan ook verandering te komen. En aan deze zaak op politiek terrein, zoowel als kerkelijk, aandacht te schenken is gebiedende eisch.
(Wordt voortgezet).
Over theorie en practijk in de Predikantsopleiding.
II.
Wie den predikant nog aandienen durft onder den naam „dienaar des Woords", zal ook dienovereenkomstig z'n wenschen hebben ten opzichte van de „opleiding". Oud- en Nieuw Testament geven geen literatuur doch openbaring van Gods wil en beschrijving van geschiedenis in heel bijzonderen zin; een geschiedenis, die opvoert tot den Pinksterdag. Als de theoloog met de Schriften bezig is, doet hij iets anders dan Hebreeuwsch en Grieksch leeren voor taalkundige kwesties en iets anders dan de geschiedenis van het Joodsche volk lezen. Hij studeert dan in de openbaringsgeschiedenis, èn in die van het Christendom in zijn oorsprongen. Hij ziet achteruit en ziet tegelijk vooruit. Hij kan zoodoende de Schriften niet missen, evenmin als een huis zonder fundament kan. Wie den bijbel waarchtig bestudeert, doet het niet met „philologie" af; hij heeft óók niet genoegen te nemen met het v e r s c h ij n s e l der religie uit hem te willen kennen; hij moet het ,,alles gebruiken om te komen tot de kennis der waarheid.
De voornaamste verlangens uit Gereformeerden mond ten opzichte van de theologie studie en de opleiding zijn dan ook: In de allereerste plaats een van heeler harte breken met het ideaal van een faculteit van godsdienstwetenschap. Roessingh en Harnack hebben reeds een loopje genomen met de manier, waarop men zich maar wijs maakte het ideaal van een faculteit van godsdienstwetenschap practisch te hebben verwezen.
De christelijke religie moet een betere +++ in den studiegang krijgen dan die +++ in wezen gelijkwaardige met elke andere religie. Men mag niet anders dan God, de geopenbaarden God, als object der theologische wetenschap erkennen en elk studievak moet aan dit groote object onderschikt gemaakt worden.
Het vraagstuk van „theorie" en „practijk" in de predikantsopleiding houdt hiermee nauw verband. Men moet beginnen om geen theologie te noemen, wat geen theologie is. En het is meer dan erg, dat een predikant, die zijn leven lang over God heeft moeten spreken en Hem heeft aan te dringen aan de gewetens der menschen, Hem bij zijn studie en opleiding niet in het centrum van alles, maar slechts aan den omtrek vindt; niet het hoofdgebouw, maar in den bijgebouwen. Wie zal zeggen wat de z.g.n. neutrale nevensstelling van alle religies in de Godsdienstwetenschap voor vele theologen niet bedorven heeft? Met de toegift van orthodoxe dogmatiek is men niet klaar. Dogmengeschiedenis en ethiek mogen sinds +++ onder de candidaats-examenvakken 'n +++ gekregen hebben — een heele verandering — de dogmatiek moet terugkeeren. Bavinck heeft daarbij het pleit gevoerd voor onderbrenging van de historie der godsdienst en van de wijsbegeerte van den godsdienst bij de litterarische faculteit. Hij +++ het gedaan, mede in aansluiting aan Gunning en Meulenbelt. (Dr. H. Bavlnck: Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Verzamelde Opstellen. Kampen. J. H. Kok. , blz. 39—54). Men moet het neutraliteitsbeginsel prijs geven en komen tot een verheven geloofsinhoud; dat zal de wetendchap niet beknibbelen, maar verder +++en.
Men moet bij het theologisch onderwijs een critisch geloofsbeginsel voorop stellen. En er moet meer „verdieping komen in den studiegang. Er moet ook een andere en betere bestudering van de Schrift komen. Want de prediking bewijst niet zelden, dat men eigenlijk geen b o o d s c h a p heeft te brengen. Men praat over alles en nog wat, maar men heeft blijkbaar niet leeren preeken! Vele gedrukte preeken en radio-preeken bewijzen dit. Men doet soms niet eens de moeite den tekst te bestudeeren en men preekt uit Jesaja terwijl er niets Jesajaansch aan de preek is! Lijnen van Godsopenbaring — zoo goed als nergens in de preek. +++ op speciale t h e o l o g i s c h e ge+++en die met den tekst in verband staan zelden of nooit. Men weidt uit over alles en nog wat, maar waar 't om gaat hoort men niet. Men mist niet zelden een, inzicht in de groote l ij n e n der openbaring! Natuurlijk waren er vroeger ook uitwassen. Wat we nu zoo dikwijls missen is: dat er een wijd uitzicht op God is door de vensteren van het Woord.
Geloof in de hoogheid der Schrift, die meer voor ons moge zijn dan Hebreeuwsche antiekk-christelijke litteratuur, leert verstaan den wensch van sommigen, dat de +++ op O. en N. T. minder tijd in beslag gaan nemen. Juist omgekeerd; laat +++ tijd krijgen, en dan niet zoozeer de ordening der perikopen als wel de heilige geschiedenis der Openbaring doen zien. Dan zal men meer preeken over Jesaja kunnen vernemen die ook wezenlijk wat met Jesaja van doen hebben! En wat daar verder +++: Jeremia, David, Johannes, Paulus. +++ anders. Men klaagt steen en been ,over der dominees volslagen gebrek aan kennis omtrent de ziel die zij te „weiden" hebben. Wie hier mee-klaagt, die erkenne dat er de laatste jaren veel verbeterd is: "ambtelijke vakken" worden overal veel +++ behandeld dan vroeger; aan godsdienst-psychologisch materiaal ontbreekt 't niet en het levendig contact met de schare individuen zal toch altijd de hoofdzaak moeten doen. Maar zoover ik zien kan wordt toch niet zooveel gegeven omtrent de bestaande typen in het geestelijk leven, als mogelijk en wenschelijk is. Feit is, dat de meeste predikanten in de practijk overrompeld worden door de typen van vroomheid of vroomheidsvertoon, die in hun dagelijksch bestaan hun activiteit ter genezing vragen. Met zeer veel godsdienst-psychologie en godsdienst-filosofie gaat vaak een tekort aan elementaire kennis omtrent wat er in onze eigen polders en duinen te koop is, hand in hand. Dit behoeft zoo niet te blijven. Materiaal ontbreekt niet; van de psychologische laboratoria zou met goeden wil de theologische faculteit voordeel kunnen trekken; en aan folkloristen en psychologen, evenals aan psychiaters, zou concact met theologen eveneens een grooten — ook correctieven — dienst kunnen bewijzen ter vergelding.
De opoffering van enkele „luister" aan „werkcolleges" zal den theoloog ook ten goede kunnen komen. Ik denk met name aan preekwerk, schets, catechese. Als ik alles saamvatten mag, dan zou het eind een vraag worden om minder details en meer l ij n e n. Desnoods minder exegetica, maar meer hermeneutiek; als 't moet minder jaartallen en meer stroomingen; geen zier minder van het verleden, doch vooral veel meer over zijn invloed op het heden. Minder critiek, maar meer gedachten; eerder resultaten van geleerdheid, dan bewijzen er van. Liever wat minder van James en Starbuck en wat meer over een Veluwschen of Zeeuwschen boer, van iemand, die de menschen kent. Voor de practijk van 't ambt meer gezicht op den mensch en voor de praxis van het Christendom vooral een gezicht op God.
Tenslotte een adhaesiebetuiging.
In het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur heeft prof. R. Casimir de opmerking gemaakt:
„Een ding blijkt heel duidelijk: de achterstelling van geestelijke wetenschappen in hulpmiddelen aan haar beoefenaars. Terwijl voor de wis-en natuurkunde een groot personeel, wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk, ter beschikking staat van de hoogleeraren, is dat voor rechten, letteren en theologie niet het geval. Er zijn geen assistentsplaatsen, die veel belovende studenten in de gelegenheid stellen nog een tijdlang te werken in wetenschappelijke richting, hun promotie te voltooien en den hoogleeraar terzijde te staan; er zijn geen assistenten, die b.v. bronnen verzamelen, tijdschriften ordenen, uitknipsels bijhouden, in archieven stukken overschrijven, of dergelijk werk doen. Terwijl in Amerika de hoogleeraar een secretaris heeft, die tal van dingen voor hem regelt, is dat hier niet het geval. Het weinige personeel, dat men nog bij de faculteit der letteren en wijsbegeerte vindt; is dat van de psychologische laboratoria". Een practische maatregel, die aan dit verlangen zou tegemoet komen, zou ongetwijfeld zijn uitwerking ten goede niet missen. — Zoo besluit ds. K. Schilder zijn artikel in Jaarboek voor het Prot. Theol. onderwijs, dat we hierboven in uittreksel hebben weergegeven.
Twee belangrijke Vergaderingen.
In de week na Paschen worden altijd de vergadering van De Unie „Een School met den Bijbel" en van Den Schoolraad gehouden, steeds, te Utrecht. Wij achten deze vergaderingen zéér belangrijk voor al de voorstanders van het christelijk onderwijs en daarom willen we gaarne hier een woord van opwekking tot de vrienden van onze Scholen met den Bijbel doen uitgaan, om deze twee jaarvergaderingen bij te wonen. Elk jaar zijn deze vergaderingen druk bezocht, en de belangstelling is in klimmende lijn. Daarover verheugen we ons ten zeerste, want we zijn er tot in het diepst van onze ziel van overtuigd, dat de belangstelling voor het christelijk onderwijs niet mag verslappen en ook, dat de vrienden van het christelijk onderwijs elkaar noodig hebben. En in het verdedigen van onze school met den Bijibel en bij den opbouw van ons christelijk onderwijs, moeten we méér nog dan te voren, elkander helpen en bijstaan, dan is er door Gods goedheid prachtig werk te doen op dit terrein in 't midden van ons Vaderland. Want de Heere geeft ons in Nederland op onderwijsgebied groote voorrechten en rijke zegeningen!
Nu is het dit jaar de 49ste vergadering van: De Unie. Dat is dus niet van vandaag of gisteren! En dat De Unie er bij ons christenvolk „in", zit, heeft de Uniecollecte weer bewezen, die ruim 102 duizend gulden heeft opgebracht! We moeten deze oude, maar nog jonge en krachtige vereeniging op schoolgebied, waar vanouds de vrienden der christelijke school elkander ontmoet hebben, in eere houden. Ook onder ons, Hervormden! Laat ons toch niet zoo dwaas zijn, om deze dingen aan anderen over te laten, of ons af te scheiden in een Hervormd kringetje in de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs, waar wij, Hervormden van gereformeerde belijdenis, ons onmogelijk kunnen thuis voelen en waarvan ook niet half zooveel invloed uitgaat als van Unie en Schoolraad, waar gelukkig stoere Hervormden krachtig meewerken om ons christelijk onderwijs met raad en daad te dienen.
Dinsdag 19 April a.s. gaan dan ook alle vrienden van het christelijk onderwijs, bestuursleden, predikanten, leden der Schoolvereeniging, enz., naar Utrecht. Allen die belang stellen in den bloei der Unie, hebben vrijen toegang. De vergadering wordt gehouden in het Jaarbeursgebouw, en vangt aan des morgens om elf uur. Wil men er aan denken? Hervormden, denkt aan uw zaak en stelt belang in de dingen, die voor ons en onze kinderen, die voor ons land en volk zoo zéér van belang zijn!
Woensdag 20 April a.s. is in het zelfde gebouw, maar dan 's morgens om 10 uur, de jaarvergadering van den Schoolraad, onder voorzitterschap van ds. Pierson, emeritus-predikant van Groningen. Wie kan, kome Dinsdag en blijve ook den volgenden dag! Wie maar één dag kan komen, kieze tusschen Dinsdag en Woensdag. Het is van zoo groote beteekenis, dat ons christenvolk samenkomsten heeft als deze. De Heere schenke ons Zijn onmisbaren zegen, naar den rijkdom Zijner genade en Hij zij ons volk en Vaderland genadig en goed in den weg van Zijn Woord en door Zijn Geest!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's