De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Hij leeft en regeert

11 minuten leestijd

Toen boodschapten zij hem, zeggende: „Jozef leeft nog". Genesis 45 vers 26a.

Hij leeft en regeert.
Na den val in het paradijs is de mensch aan drieërlei dood onderworpen. De bezoldiging der zonde is de dood. Naar het lichaam sterft de mensch alle dagen een gestadigen dood. „Ten dage als gij van den boom der kennis des goeds en des kwaads eet, zult gij den dood sterven", had de Heere God gezegd. Den dood sterven, dat wil zeggen, stervende sterven. Ieder oogenblik sterft hij nu een stuk van zijn leven af. Ieder oogenblik komt hij nu steeds nader bij het graf, dat wellicht zoo ontzettend dicht nabij is. Hij gaat naar zijn eeuwig huis. Altijd voort gaat hij zonder stilstand, zonder oponthoud naar de eindbeslissing. In den zandlooper van den levenstijd vallen de zandkorrels steeds naar beneden tot de laatste gevallen is. De levenslamp brandt zoolang totdat de laatste droppel olie is opgeteerd, en dan komt de doodsnacht.
En daarbij is de mensch dood in zonden en misdaden. Dat is de geestelijke dood. Onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. In zonden ontvangen en in ongerechtigheden geboren. Melaatsch van den hoofdschedel af tot den voetzool toe. Arm, ellendig, jammerlijk, blind en naakt. Niet in staat om zichzelven te verlossen, want een doode kan zichzelven het ieven niet geven. Tegen alle geboden Gods heeft hij gezondigd en geene derzelve gehouden. En bovendien beseft hij het niet van nature, want hij is geestelijk een blindgeborene. Door gedachten, woorden en werken heeft hij zijn weg verdorven en door erfzonden en dadelijke zonden ligt er een berg van schuld tusschen hem en den Heere, waarvan hij geen penning kan aflossen. Hij kan voor een heilig en rechtvaardig God niet bestaan en ligt onder den vloek en toorn Gods. Het gaat met hem van verderf tot verderf.
Want immers, als hij blijft in den geestelijken dood, gaat hij onverbiddelijk den eeuwigen dood tegemoet. Wij spreken er zoo gemakkelijk over, ja, wij spreken er vaak zoo gevoelloos over, maar moesten geheel verslagen zijn, als wij denken aan de schreiende angsten der hel en de verschrikkingen van den eeuwigen dood. Wij mochten er wel niet anders over spreken dan met een fluisterende stem, met tranen in de oogen en met ontroering in het hart. De eeuwige dood, dat is hetgeen Christus de eeuwige verdoemenis noemt. Wiens naam niet geschreven is in het boek des levens, zal worden geworpen in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood.
Maar welk een stroom van smart en ellende door dien diepen val des menschen vloeit daar voort over de aarde. De vrome lijder van het Oude Testament roept 't uit: „De mensch, van eene vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust". En de Heere God zeide na den val tot Adam: „En ook zal het aardrijk u doornen en distelen voortbrengen". Ja, de doornen en distelen der smart en der rouwe als gevolg van de zonde zouden worden gevoeld. En vele zouden zijn de boodschappen van droefheid en de doodsberichten.
Zulke tijdingen had de aartsvader Jacob meermalen ontvangen. Maar hoe diep-smartelijk was het voor hem geweest, toen zijne zonen, die Jozef als slaaf hadden verkocht, daarna om hunnen vromen vader te bedroeven en zich op hem te wreken, omdat hij Jozef zoo liefhad, hem Jozefs veelvervigen rok, met bloed bevlekt, lieten brengen. Zij gaven voor, dat zij dien in het veld hadden gevonden en Jacob zelf moest op 'n schampere wijze gevraagd worden: „Is deze uws zoons rok?" En Jacob moet met een vaderharte vol droefheid toestemmen, dat het de rok zijns zoons is en zegt: „Voorzeker is Jozef verscheurd'.
Gij kunt u, vooral als gij een vaderharte hebt, voorstellen de benauwdheden van den armen Jacob en u verplaatsen in zijn toestand. Hoe levendig zag hij Jozefs vreeselijk ongeval voor zijne oogen! Hetzij hij sliep, of hetzij hij waakte, steeds had hij voor zich het booze dier, dat zijn geliefden zoon overviel; hij hoorde hem altijd schreeuwen en den leeuw brullen; het bloed verstijfde in zijne aderen, al zijne leden trilden, als hij zich voorstelde, dat het dier het bloed van zijnen beminden zoon gelekt en hem van lid tot lid had verscheurd en niets van hem had overgelaten dan den veelvervigen rok, om te dienen als een teeken van zijn beklagenswaardig uiteinde. En zijn droefheid werd wellicht nog grooter, als hij zichzelven bijna hield voor de oorzaak van zijns zoons dood, omdat hij zichzelven verweet, dat hij zelf hem aan gevaar had blootgesteld door hem uit te zenden, hem te zenden gansch alleen op deze gevaarlijke reize, die zoo jammerlijk voor hem was geweest.
Daar zat hij neder door het leed overstelpt, met gescheurde kleederen en een zak om zijne lendenen en bedreef rouw over zijnen zoon vele dagen. En Jacob weigerde zich te laten troosten, en volhardende in zijne droefheid, zeide hij: ,,lk zal rouwbedrijvende tot mijnen zoon in het graf nederdalen". Alzoo beweende hem zijn vader. En merkt nu op welk een treffende tegenstelling met die sombere tijding van smart en wee die boodschap teweegbrengt: „Jozef leeft nog!"
Aanbiddelijk Godsbestuur, dat op zijnen tijd het diep gebogen gemoed met blijdschap vervult, en het heerlijk woord van den psalmdichter rechtvaardigt: „Een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich".
Hoe verborgen en ver-uitziende zijn de wegen, oogmerken en ontwerpen der zeer bewonderenswaardige voorzienigheid Gods! Wat al zeldzame omwentelingen van zaken en gebeurtenissen in de raderen van Gods over alles gaande voorzienigheid, en nochtans alle bestierd door de oogen in de velgen der raderen, den Geest van Gods onnaspeurlijke wijsheid.
Schijnbaar willekeurig wordt de weversspoel door de hand van den wever door de schering geworpen, maar in werkelijkheid wordt hij door Gods hand met wijsheid bestuurd en draagt er onder het bestuur des Heeren toe bij om het schoone weefsel der heilsgeschiedenis draad voor draad ie weven.
De broeders van Jozef, die door hem waren beproefd, en vertroost, nadat hij zich had kunnen overtuigen van hun schuldbesef en berouw over hunne zonden en aan wie hij zich had bekend gemaakt en zich niet geschaamd had hen broeders te noemen, kwamen uit Egypte terug tot Jacob. Voor den grijzen aartsvader was 't reeds tot groote vreugde, dat hij zijne kinderen wederzag. Met bekommernis in het harte had hij hen zien vertrekken. Tijdens hunne afwezigheid was hij met vreeze en twijfel vervuld. Wellicht kwam somtijds de gedachte bij hem op, dat hij hen misschien nooit weder zou ontmoeten. Hij zal er berouw over hebben gehad, dat hij toegegeven had aan den aandrang zijner zonen om naar Egypte te gaan en hun vertrek had goedgevonden.
Met bange verwachting gingen de dagen langzaam voorbij. Met zijne gedachten volgde hij hen op hun tocht in het vreemde land. Daar ziet hij eindelijk na lang verbeiden in de verte de karavaan, die optrok naar zijne woonplaats. Hij telde er elf zonen. Niet slechts de geliefde Benjamin, maar ook Simeon, die gevangen was achtergebleven, was er weer. Welk eene vreugde! Eindelijk waren zij tot Jacob genaderd. En toen boodschapten zij hem, zeggende: „Jozef leeft nog, ja, Hij is Regeerder over gansch Egypteland". Is het vreemd, dat het harte van den grijzen Jacob schier van overstelpende vreugde bezwijkt, en dat zijn geluk bijna al te groot schijnt om het uit de hand van zijnen God te aanvaarden? Hij kon het van blijdschap niet gelooven en verwonderde zich. Het is te groot, het is te wonderlijk, het is boven alle menschelijke waarschijnlijkheid!
Maar als hij dan hoort verhalen, wat Jozef had gesproken en aanschouwt alles, wat Jozef met de zorg der teederste kinderliefde voor hem en de zijnen had beschikt en zijne zonen al de kostbaarheden, die zij hadden ontvangen, voor Jacobs aangezicht hadden uitgespreid, week de twijfel, en het is alsof in den ouden lijder weer iets van den levensmoed des jongen strijders ontwaakte. Hij geloofde! „En Israël zeide", schrijft het verhaal met treffende juistheid: „Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!"
Wat zien wij hier nu een helderen spiegel en voorbeeld van hetgeen met Jezus Christus is geschied in zijne onverwachte wonderlijke opstanding uit de dooden, en in zijn nog wonderlijker verhooging in den hemel.
Welk een droefheid was er in het harte der discipelen geweest, toen zij getuigen waren van de kruisiging en het sterven van den Heere Jezus. Hoe hadden de vrouwen geweend, toen, naar het hun toescheen, nu alles voorbij was! Hoe had Maria Magdalena daar met een bedroefd en verbleekt gelaat nedergezeten als een marmerbeeld, verstomd van smarte. „Jozef is er niet !" klaagde eenmaal Jacob. De discipelen voelden het met een groot gemis: „Jezus is er niet!" En als Jezus er niet is, dan is het winter in de ziel, dan is er treurigheid in het neergebogen harte en troosteloosheid.
Maar merkt nu op welk een treffende tegenstelling met die sombere tijding van smart en wee die boodschap teweegbrengt: „Jozef leeft nog! Jezus Christus de Heere is waarlijk opgestaan! Hij leeft". Ja, Jezus leeft nog om den treurigen Zions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor ast, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest.
Jozef had aan zijne broeders verzekerd: „God heeft mij voor uw aangezicht gezonden tot behoudenis des levens. Ook de Heere Jezus leeft en daarin is de behoudenis van het gansche geslacht van Gods uitverkorenen gelegen. Hij verzekert het hun, vvanneer Hij zichzelven noemt het brood Gods, het brood des levens. En hij roept het dengenen, die waarlijk hongeren naar Zijne gerechtigheid, toe: „Wie tot Mij komt, zal geenszins hongeren".
Och! dat gij dan maar waarlijk hongerend mocht worden naar Hem, om met den verloren zoon te zeggen: „Ik zal opstaan en tot mijnen Vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u". Och! dat het maar hongersnood voor uwe ziel mocht worden, om, als Jacobs zonen, te worden uitgedreven naar de korenschuren van den hemelschen Jozef om daar verzadiging te ontvangen! Hij leeft, en die in Hem gelooft als zijn Borg en Middelaar, zal leven, al ware hij ook gestorven. Welk een tijding voor degenen, die midden in den dood liggen. „Zie, Ik zal uwe graven openen, zegt de Heere Heere, en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o Mijn volk!" Hij, die zonde, dood en hel overwon als de Vorst des levens, verlost de Zijnen van den lichamelijken, geestelijken en eeuwigen dood.
Komt tot een doode ziel 't levendmakend en levenwekkend licht van God den Heiligen Geest, begint zijn oog te zien met verslagenheid zijn ontzaglijke zondeschuld? Jozef leeft nog, het is Jezus Christus de Heere. Hij schaamt zich niet hen broeders te noemen, zulke afkeerigen, zulke haters Gods. Als dan de smart u ter harte gaat, die gij Hem en den Vader aandeedt, och! dat gij u dan tot Hem mocht wenden, die mildelijk geeft en niet verwijt. Hij is gekomen — Jozefs geschiedenis kan het ons ook leeren — om de Zijnen te beproeven en te vertroosten, en om hen te behouden als de Middelaar, die de Zijnen verzoent met den Vader.
O! bekommerde ziele! wellicht is het voor u te groot. Zulk een genade voor zulke goddeloozen! Uw harte bezwijkt. Het gaat u als de discipelen, toen Jezus in hun midden kwam: „Zij konden het van blijdschap niet gelooven en verwonderden zich". Maar als gij dan zien moogt, en hooren uit Zijnen mond: „Ziet, uwe oogen zien het immers, dat Ik die Jezus zelve ben, die verkocht ben geweest, en gedood, maars.nu verrezen en verhoogd ; want Mij is alle macht gegeven in den hemel en op de aarde : gij ziet, dat Ik met mijn eigen mond dit tot u spreek. Gaat dan heen en verkondigt het den huize Jacobs, dat hun Jozef nog leeft, ja, dat Hij een Heere is over de gansche wereld". Onder Zijn heerschappij, bescherming en ontferming is alleen behoudenis, maar allen, die Zijne genadige aanbieding verwerpen, zullen zekerlijk sterven en verloren gaan.
„Het gansche huis Israëls wete zekerlijk, dat God dien Jezus, welken gijlieden gekruisigd hebt, tot een Heere en Christus heeft gemaakt".
Och! dat de Heere zoo krachtdadig met het doorbrekend licht des Geestes de nevelen van den twijfel scheurde, zoodat gij met den godzaligen Jacob mocht uitroepen: „Het is genoeg. Jozef leeft nog! ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!" Of met den ouden Simeon: „Nu laat gij, Heere! Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; Want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien". Dat voorrecht valt Gods kinderen ten deel, opdat zij, gestorven zijnde, hunnen Koning in heerlijkheid ontmoeten. En komt straks de dood, dan is dit voor Gods gunstgenooten de wagen, die gezonden wordt om hen te voeren tot den hemelschen Jozef, in Gods paleis. Daar zal voor de vrijgekochten des Heeren verzadiging van vreugde zijn en liefelijkheden aan Zijne rechterhand eeuwiglijk!
Wouterswoude                                                                                                                                               W. WESSELDIJK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's