De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (17)
Wat nu betreft de kwestie al of niet subsidie aan de Kerken uit 's lands kas, herinneren we nog eens aan hetgeen we vroeger reeds schreven. Onder het bedrag, dat als rijkssubsidie aan de Nederduitsch Hervormde Kerk geschonken wordt, zijn ook de renten van genaaste pastoriegoederen, welke goederen de Overheid dus aan zich getrokken heeft, hoewel ze van de Kerk waren. Of deze renten wel zoo'n groot bedrag beloopen als wel eens wordt voorgesteld, mag betwijfeld worden. De hoofdsom van de geestelijke goederen uit alle provinciën in 1808 in 's rijks schatkist gestort bedroeg ƒ 5.545.000! Deze som leverde een rente op van plm. ƒ 147.000.—. Doch dit bedrag was verreweg voor het grootste gedeelte afkomstig van de geestelijke goederen (kloostergoederen, enz.). Gaat men de rekeningen van het Geestelijk Kantoor van Delft, na, dan komt men ongeveer tot ƒ 40.000 jaarlijksche rente van het pastoriegoed. (In de Nationale Vergadering van 1797 bracht een Commissie na twee-jarigen arbeid rapport uit over het Geestelijk Kantoor van Delft. Men zie voor een en ander blz. 302 enz. van het boek van Van Beuningen, eertijds predikant te Ameide en Tienhoven a.d. Lek).
Neemt men het totaal voor alle provinciën van genaaste goederen, dan blijkt, dat de Kerken als restitutie voor genaast Kerke- of pastoriegoed het recht hebben jaarlijks ƒ 60.000.— rente te eischen of, indien men uitkeering ineens verlangt, dan zal men van den Staat een kapitaal moeten vragen, vroeger wel geschat op 2 miljoen gulden. Waarbij natuurlijk de stijging van de waarde van het geld — gelijk van land, enz. — in aanmerking komt, hoewel dat altijd (ook volgens v. Beuningen, p. 334 noot) „toevallige baten" zijn, en evengoed schadeposten zouden kunnen worden. Men vergete daarbij niet, dat de Overheid het vroeger alles gedaan heeft om de Kerken, die niet zelden in nood zaten, te helpen. De verkoop der goederen geschiedde dikwijls in het voordeel der Kerken en bovendien subsidieerde de Overheid. Men moet dus één van tweeën doen: men moet zeggen, de Overheid deed als Voedsterheer der Kerk wat voor de Kerk 't beste was, land verkoopen, geld beheeren, subsidie verleenen, enz., of men moet zeggen: de Overheid had geen recht om zich met de goederen der Kerk te bemoeien, maar had dan ook geen subsidiën moeten verleenen.
De Overheid was intusschen een Voogd, over wien men financieel, op dit punt niet te klagen heeft gehad, daar de Kerk, ook na de scheiding van Staat en Kerk, van de Overheid belangrijke bijdragen voor tractementen, pensioenen, kindergelden, kerkelijke vergaderingen, enz., ontvangen heeft. Gaat men deze dingen dus napluizen, dan moet men eigenlijk onderscheid maken tusschen hetgeen de Overheid van de Kerken genaast heeft (en dat zal inderdaad niet zoo'n geweldig bedrag zijn) én hetgeen de Overheid vrijwillig aan de Kerken gesubsidieerd heeft.
Die op het standpunt dan staat van niet subsidiëeren van de Kerk van Christus door de Overheid, — omdat de Kerk onder haar verheerlijkt Hoofd een eigen terrein en een eigen verzorging heeft en principieel onderscheiden is van andere Vereenigingen, die geen verheerlijkt Hoofd in den hemel hebben — die zullen rechten moeten doen gelden op de goederen der Kerk, door de Overheid genaast, zonder meer. Voor alle Kerken moet de subsidie dan afgeloopen zijn.
Die op het standpunt staan van w e l  subsidiëeren van de Kerk van Christus, omdat zij zonder hulp van den Staat niet kan beantwoorden aan haar roeping en doel, die zullen rechten moeten doen gelden op de goederen der Kerk, door de Overheid genaast — om dan de billijkheid te betrachten tusschen de Kerken onderling in deze — en zullen principieel voor alle Kerken subsidie moeten verlangen van de Overheid, of zullen het moeten aandurven te zeggen, dat er maar één ware Kerk in Nederland is, welke door de Overheid moet gesteund worden, terwijl dan de andere Kerken, als valsche Kerken, niet mogen worden geholpen financieel, maar ook niet mogen worden geduld en dus eigenlijk een plaats in ons Vaderland moet worden ontzegd, ja, uitgeroeid uit ons midden.
Deze dingen zijn natuurlijk heel ingewikkeld, wat de door de Overheid genaaste Kerke-goederen aangaat. Want er zijn ook steden die de geestelijke goederen (voor de Kerk) hebben geadministeerd en daaronder ook de  p a s t o r a 1 i a, en die ook deze goederen hebben genaast. Zoo worden uit Holland b.v. de steden: Amsterdam, Leiden, Schoonhoven, Gorkum, Woerden e.a. genoemd. Ook kan men Kampen, Deventer, Zwolle, Hoornsterzwaag enz. noemen. (Mr. J. H. Carpentier Alting: De Staat en de Kerkelijke financiën. Hoorn, 1886; blz. 113 enz en blz. 157 enz.). Gevraagd kan worden, of ook hier de steden aan de Kerken moeten restituëeren; vooral waar in dit verband sprake is van genaaste Kerke-, pastorie-en kosteriegoederen, maar ook van geannexeerde diaconie-goederen. (Mr. P. J. C. Boeles: Armengoederen en Armbestuur in Friesland, van de 14e eeuw tot heden. Leeuwarden 1902).
Maar afgezien daarvan is en blijft de vraag: moet de Overheid (met of zonder het oog te hebben op de geestelijke goederen) uit de Staatskas de Kerk financieel steunen en subsidie verleenen, ja of neen? En indien er „j a" geantwoord wordt: hoe moet de Overheid dan haar houding bepalen tegenover de verschillende Kerkgemeenschappen en hoe moet zij optreden bij eventueel splitsen van een Kerkgemeenschap of nieuw-ontstaan van een Kerken-groep?
Besloot de Overheid op voet van gelijkheid aan alle Kerken —en dus b.v. ook aan de Geref. Kerken, Chr. Geref. Kerk, enz. — evenredige subsidie te geven, dan zou de Grondwet op dit punt moeten worden ge­ wijzigd.
(Wordt voortgezet).

Jezus en de Schrift.
Wat brengt Jezus, als Hij opgestaan is, uit het graf aan Zijn discipelen, aan Zijn vrienden en volgelingen? Jezus komt hun de  S c h r i f t  in handen geven. Vóór dat Hij Zich zelf geeft, geeft Hij hun de Schrift. En als zij de Schrift weer terug hebben, in de Schriften weer thuis zijn, de Schriften weer gelooven, ziet, dan komt Christus Zelf. Dan openbaart Hij Zich aan hen. Dan staat Hij daar voor hen in het licht en hun ziel wordt vervuld met blij aanschouwen van hun Heiland en Zaligmaker.
Wij mogen er wel telkens op letten, dat Jezus bij de Schriften leeft, uit d e Schriften spreekt en predikt, gansch Zijn weg met al de diepten en hoogten in de Schriften geteekend weet, geen voet zet buiten de Schriften, op elk woord van de Schriften let en Zich verheugt, als de Schriften vervuld worden. En Zelf bij de Schriften levend en Zijn eigen weg bij 't licht van de Schriften ziende, weet Hij het, dat dát de kwaal is van Zijn discipelen, die in het duister zitten en treuren in donkerheid: dat ze de Schriften k w ij t  z ij n.
Daarom komt Hij aanstonds na Zijn verrijzenis uit het graf met de Schriften aandragen en wel met  a l  de Schriften,  a l  de Schriften des Ouden Testaments, en als Hij die Schriften, Mozes en al de Profeten, aan het verstand van Zijn jongeren weer bijgebracht heeft (die „onverstandigen" zoo als Hij ze noemt), dan werkt Hij door Zijn Geest, dat die  S c h r i ft e n  het verstand niet alleen verhelderen en wijs maken, maar dat die Schriften het hart Zijner jongeren in vuur en vlam zetten; en dan begint het daarbinnen warm te worden, het begint te branden van geloof en liefde voor den Christus der Schriften, Die van de Schriften het middelpunt, het één en het al is!
De opgestane Heiland komt aanstonds op voor de eere van Gods Woord, voor de autoriteit van de Heilige Schrift. Hij komt met den Bijbel, Biblia, de Heilige Schriften, zijnde het Woord Zijns Gods; en dien Bijbel legt Hij aan Zijn jongeren vóór, om hun schreden vast te maken in de Schriften. De Schriften zijn voor Jezus het waarachtige, het onfeilbare Woord van God. En dan al de Schriften. Hij kiest er maar niet wat uit; iets wat Hem aanstaat, om dan het overige te verwerpen of los te laten. Neen, Hij wandelt al de Schriften door, Mozes en al de Profeten, en laat al de Schriften zien als Gods Woord, bekleed met goddelijk gezag. En zóó leidt Hij de Zijnen tot het licht en tot het leven. In onze dagen, die vol zijn van de geringschatting der Schriften, mag dit onze aandacht wel trekken!
Men is totaal aan de Schriften ontgroeid en ontwend. Men is niet meer thuis in de Schriften. En wie neemt het nog op voor al de Schriften? Men ontneemt aan de Schriften de eere en het gezag. De belijdenis van de Schriften, van al de Schriften als Gods Woord, dat onbepaalde onderwerping vordert en onbepaald vertrouwen verdient, geldt voor een verouderd dogma, waarboven de cultuur-mensch, de mensch van wetenschap en beschaving, ook helaas dikwijls de cultuur-christen, lang is uitgegroeid!
En dan niet alleen boven de Schriften des Ouden Testaments (waarbij Christus leefde) uitgegroeid; neen, ook uitgegroeid boven de Schriften des Nieuwen Testaments. Hoogstens neemt een mensch van cultuur, beschaving en wetenschap, nog uit de Schriften wat hem aanstaat, 't welk hij dan zelf uitkiest, om 't overige naast zich neer te leggen of openlijk te verwerpen.
En dan staat Jezus met al de Schriften in Zijn hoofd en in Zijn hart en in Zijn hand; en Hij neemt Zijn jongeren, aanstonds na Zijn opstanding uit de dooden, om ze tot die Schriften heen te leiden, gelijk de Goede Herder Zijn schapen leidt naar grazige weiden en stille wateren.
„Mozes en alle de Profeten" staat er; „alle de Schriften" staat er dan nog eens. (Luc. 24: 25—27). Wat is het dan onverstandig, dwaas, zondig om in de plaats van alle de Schriften, zijnde de kenbron der waarheid, iets anders te kiezen om te dienen als een lamp voor den voet en een licht op het levenspad.
Men spreekt tegenwoordig van „het Christendom"; of ook van „het geloof der gemeente"; ook wel van „het algemeen Christelijk bewustzijn" of „de Christelijke ervaring" en wat voor ongrijpbare grootheden men hier meer mag noemen. Het nieuwste op dat gebied is de z.g.n. Christuservaring, waarmee men dan bedoelt de rechtstreeksche mystieke aanraking met Christus of de bewerking der ziel door Christus. Dat is dan „de levende Christus" terwijl de Bijbel dan niet zelden een papieren paus of een doode getuige wordt genoemd. Maar de levende Christus kwam tot Zijn discipelen met „Mozes en al de Profeten", Hij kwam met „al de Schriften" en zóó leerde, zóó leidde Hij de Zijnen tot het licht!
Niet rechtstreeks treedt Hij op hen toe. Maar in den weg der Schriften. Gods Woord gaat voorop en in en door dat Woord, dat met waarheid en autoriteit bekleed is — en dan al de Schriften — komt Hij dan Zelf en gaat woning bij hen maken, om hen te geven in den weg der Schriften de zaligste Christuservaring, het heerlijkst geloof, met vast vertrouwen en vrede en blijdschap.
Door de Schriften leeren zij weer zien en gelooven. Door de Schriften leeren zij weer spreken en getuigen.
Zullen wij dan de Schriften, Mozes en al de Profeten, al de Schriften, gansch den Bijbel — zullen wij die blijven verwaarloozen? Zullen wij er aan tornen? Zullen wij ze deelen, verdeelen, verwerpen, verachten? Wie dat doet, blijft behooren tot de „onverstandigen" en tot de „tragen van hart om te gelooven al hetgeen de Schriften spreken". Wie dat doet, valt onder de bestraffing van Jezus. Wie dat doet, heeft het aan zichzelf te wijten, dat hij in het duister dwaalt, de waarheid Gods niet kent en vreemd blijft aan de kracht van Jezus' verrijzenis uit het graf; vreemd aan het eeuwige leven. De ware Christuservaring, is in den weg der Schriften. De Kerk leeft het veiligst, wanneer zij staat en gaat in den weg der Schriften, in den weg van al de Schriften!

Was Calvijn „ethisch"?
Prof. J.A. Cramer van Utrecht, heeft zich in onze kringen den laatsten tijd niet aangenamer gemaakt. Dat is z'n eigen schuld. Want hij heeft het christelijk onderwijs een trap gegeven, die gevoeld wordt. Geen vergadering, waar z'n naam niet genoemd wordt, maar dan door de voorstanders van het z.g.n. neutraal overheidsonderwijs, om triumfantelijk te bewijzen, dat, volgens getuigenis van „een man als prof. Cramer", het christelijk onderwijs eigenlijk één groote mislukking is. En een courant als „De Klasse onderwijzer" in Rotterdam, weet ook met den naam van prof. Cramer te werken, en dan natuurlijk om de christelijke school af te breken. Onze christelijke onderwijzers zijn door prof. Cramer gruwelijk beleedigd. Want ja, ieder weet wel, dat er altijd kaf onder 't koren schuilt. Dat is onder schoenmakers, ook onder dokters, ook onder dominees, ook onder onderwijzers aan onze christelijke scholen. Misschien ook zelfs wel onder professoren in de theologie. Maar dat prof. Cramer al de christelijke onderwijzers op één hoop geworpen heeft, om er dan van te verklaren dat ze geen lor weten van hetgeen waarin ze onderwijs moeten geven (en bedoeld was de bijbelsche geschiedenis) is toch wel héél bar! Wij ontkennen ten sterkste, dat dit regel is en dat onafscheidelijk aan de christelijke school verbonden is, dat er een uitwendig, gemaakt, futloos christendom is.
Voor onze kinderen heeft de school ook in de opvoeding, niet in het minst in de godsdienstige opvoeding, een zeer belangrijke taak. En dan moeten we hebben Scholen met den Bijbel en christelijke onderwijzers. En die zijn er gelukkig ook aan onze scholen, onderwijs gevend naar christelijkpaedagogische beginselen; mannen en vrouwen bij wie paedagogie en christendom één is. Wij betreuren het, dat prof. Cramer ons christelijk onderwijs zoo onrechtvaardig heeft geslagen. En dat, waar hij onder ons niet bekend staat als iemand, die zoo bij uitstek veel zich aan het bijzonder christelijk onderwijs heeft laten gelegen liggen. In ethischen kring heeft men ook soms ten opzichte van de school, van het onderwijs en opvoeding onzer kinderen op de school, zoo'n eigenaardige opvatting. De christelijke school is dan de dogmatische school, met een broeikas-atmosfeer. En dat verwerpt men. De openbare school is dan de school met nette onderwijzers, fatsoenlijke menschen, en met de kinderen des volks — welke school men niet moet veroordeelen noch verachten, maar die men moet aanvullen met een uurtje godsdienstonderwijs. De openbare onderwijzers zijn dan zoo vriendelijk en de ouders hebben het zoo graag — zegt men. En zoo kan men er rustig op zondigen, dat de kinderen niet in alles onderwezen worden naar den Woorde Gods, want heel vroom en ijverig wordt het onderwijs immers aangevuld door een dominé of godsdienstonderwijzer! Menschen die zóó handelen zijn dan nog een heel stukje vromer dan die voorstanders van het christelijk onderwijs, en menschen die zóó werken, hebben Kerk en volk en Vaderland nog heel wat liever, dan die voorstanders van de Scholen met den Bijbel! Wanneer zal men toch eens anders worden in die kringen? Om kloek de ouders te wijzen op hun taak en roeping en flink uit te komen voor Hem, Die gezegd heeft: „Ken Mij in al uwe wegen"?
Intusschen heeft prof. Cramer nu weer iets nieuws gevonden en wereldkundig gemaakt. Hij heeft een boek geschreven: „De Heilige Schrift bij Calvijn" welke studie hij heeft opgedragen aan „De Theol. Faculteit van de Hongaarsche Gereformeerde Kerk van Transylvanië", uit erkentelijkheid voor het hem verleende Eere-professoraat".
Deze studie is dus 'n soort cadeautje aan de Hongaarsche Gereformeerden om hen duidelijk te maken - - - hoe„ethisch" Calvijn is geweest; net zoo „ethisch" als prof. Cramer, de ethische hoogleeraar te Utrecht; en dan inzake Schriftbeschouwing met Schriftcritiek, enz.
Wij hebben dit boek van prof. Cramer dadelijk, nadat het was verschenen ons aangeschaft. En wij hebben er geen spijt van, dat we dat hebben gedaan. Er staan heel veel dingen in, die we met volle aandacht gelezen hebben, omdat ze ons zéér interesseerden. Prof. Cramer heeft hier veel bij elkaar gebracht, wat de moeite waard is, om er acht op te geven.
Eén ding brengt prof. Cramer hierbij telkens triumfantelijk naar voren, op blz. 130 tot 141, in stellingen saamgetrokken, dat Calvijn van een heel andere Schriftbeschouwing uitging dan de Gereformeerden van dezen tijd; dat Calvijn bij een Schriftbeschouwing leefde als nu de Ethischen voorstaan; en dat dus Calvijn de vader van de Ethischen is en de Ethischen de ware Calvinisten.
Calvijn moet volgens prof. Cramer heel vrij gestaan hebben tegenover de Heilige Schrift; hij onderscheidt het Woord Gods, het Evangelie, dat in den Bijbel gevonden wordt, van den Bijbel als zoodanig. Net als de Ethischen van thans, zei Calvijn niet de Bijbel is Gods Woord, m a a r: in den Bijbel is Gods Woord. En Calvijn was evenals de Ethischen, van gevoelen (volgens prof. Cramer), dat men veel van den Bijbel kon laten vallen, als men het Evangelie, het echte Woord Gods, maar in het oog houdt. Of, zooals door prof. Cramer in een stelling (no. 21) geformuleerd is: „Niet hij is een volgeling van Calvijn, die slaafs zich buigt voor de letter der Schrift en daardoor het Testimonium Spiritus Sancti van zijn waarde berooft, maar die levend gemaakt door het Evangelie der Schriften, het wetenschappelijk kritisch Schriftonderzoek vrije baan laat, mits het uitga van de overtuiging, dat de heilsprediking der Schrift de waarheid is". Calvijn zou dus geleefd hebben bij de inspraak van zijn hart, bij het getuigenis van den H. Geest, om dan uit den Bijbel aan te nemen wat hem goed voorkwam, terwijl hij dus overigens geheel vrij tegenover de H. Schrift stond. En zóó zou Calvijn de vader van de Ethischen zijn en de Ethischen met hun Schriftcritiek eerst rechte Calvinisten!
Nu maakt „De Heraut" — na breede bespreking van het boek van prof. Cramer - er opmerkzaam op, dat uit de eigen geschriften van Calvijn voor den eenvoudigsten Gereformeerde gemakkelijk is op te diepen, hoe „ethisch" Calvijn in z'n Schriftbeschouwing was, om dan te lezen, dat Calvijn niets van de ethische Schriftcritiek moest hebben.
Want ieder, die meeleeft, weet, dat de ethische Schriftbeschouwing begint met onderscheid te maken tusschen Gods Woord en de Heilige Schrift. Men zegt dan voor Gods Woord grooten eerbied te hebben, maar de Schrift moet aan menschelijke critiek onderworpen worden en moet geschift en gezuiverd en verbeterd worden. Uit eerbied voor Gods Woord gaat men heel vrij om met de Schrift, en dat is het bestaan voor de ethische Schriftcritiek. En daarvan moest Calvijn nu juist niets hebben!
En dat blijkt niet alleen uit zijn uitlegging van 2 Tim. 3 vers 16 en 17 (zie blz. 143—145 van de Uitgave D. Donner, 1890) maar, zooals „De Heraut" aanhaalt, bizonder uit zijn  p r e d i c a t i ë n  over den 2en brief van Paulus aan Timotheüs.
Na eerst te hebben opgemerkt, hoe Paulus ons hier vermaant, dat het Woord Gods zulk een eerbied verdient, dat ieder ziel daaraan heeft te onderwerpen en alle tegenspraak ongeoorloofd is, gaat hij aldus voort: „Nu is het duidelijk, dat de Apostel dit zegt van de Heilige Schrift. Want er zijn wel van alle tijden af fantastische personen geweest, die wat in de H. Schrift vervat is, in twijfel hebben willen trekken, hoewel zij zich schaamden om te ontkennen, dat het Woord Gods zonder tegenspraak door ons moet worden ontvangen. En er zijn ook wel ten allen tijde booze geesten geweest, die wel schijnbaar beleden hebben dat het Woord Gods zulk een majesteit in zich heeft dat heel de wereld zich daarvoor buigen moet, maar die desniettegenstaande niet hebben opgehouden tegen de Heilige Schrift te lasteren. Maar waar zal men dan het Woord Gods vinden, tenzij men het zoekt in de Wet, de Profeten en het Evangelie? Want daarin heeft God ons Zijn wil geopenbaard.
Opdat nu in deze zaak geen tegenspraak mogelijk zou wezen en niemand zich zou kunnen verontschuldigen met te zeggen dat men wel aan Gods Woord kan gelooven, ook al neemt men de Schrift niet aan, heeft de Apostel Paulus hier met nadruk verklaard dat wanneer we aan God als onzen Koning eer willen bewijzen en Zijn onderdanen zijn, we dan moeten aannemen, wat in de Wet en de Profeten vervat is. En opdat niemand zich de vrijheid zou veroorloven uit de Schrift te kiezen wat hem goed dunkt, en God maar voor een deel te gehoorzamen, zegt de Apostel, dat heel de Heilige Schrift die Goddelijke majesteit heeft, waarvan hij hier spreekt. Kortom, de heilige Apostel spreekt hier uit, dat de menschen niet uit de Schrift stukken en brokken mogen nemen, die zij zelf hebben goedgekeurd, en aanvaarden wat in de Schrift naar hun zin is, maar dat ze zonder uitzondering zich te houden hebben aan alles wat in de Schrift staat, aangezien God gesproken heeft in Zijn Wet en door Zijn Profeten".
"De Heraut" teekent hierbij terecht aan: Ziehier het bijna photografisch nauwkeurige beeld van deze ethische Schriftbeschouwing geteekend. Er ontbreekt geen enkele trek aan. Men zou bijna vragen of Calvijn een profetischen blik heeft gehad. Dat "zich schamen om er rond voor uit tekomen, dat men eigenlijk aan de Schrift zich niet onderwerpen wil". Dat „onderscheid maken tusschen Gods Woord en de Heilige Schrift". Dat „critiek oefenen (Calvijn zegt "tegenspreken") op de Schrift, terwijl men hoog opgeeft van zijn eerbied voor Gods Woord". Dat „aanvaarden uit de H. Schrift alleen van datgene, wat ons zelf goeddunkt (brokken en stukken — maar niet het geheel)". Dat alles is precies wat de ethischen doen en wat prof. Cramer wil. En wat Calvijn --- n i e t  wil!
Het doet dus wel eigenaardig aan, dat Prof. Cramer toch Calvijn wil maken tot den schutspatroon van de ethische Schriftbeschouwing, die zoo vol is van ethische schriftcritiek, waardoor de Schrift wordt losgerafeld.

Onze Geref. Vaderen en de Feestdagen.
De Gereformeerden zijn nooit zulke verdedigers geweest van de christelijke feestlagen en hebben nooit geijverd voor vermeerdering van het aantal van die feestdagen door toevoeging van den Goeden Vrijdag.
Het oorspronkelijk standpunt der Gereformeerden vindt men als antwoord op een vraag uit den Briel door de Synode van Dordrecht in 1574 gegeven: „Aangaande de feestdaghen neffens den Sondach, is besloten dat men met den Sondach alleen tevreden sijn sal. Dan sal men de ghewoonlicke materie van de gheboorte Christi Sondachs vóór den Christdach in der Kercke handelen,  ende het volk van de afdoeninghe deses feestdachs vermanen, ende oock van den selve materie op den Christdach prediken soo hij valt op een predickdach. Men sal oock op Paesch ende Pinxsterdach van der verrysenisse Christi ende seyndinghe des H. Gheestes leeren muegten, 't welk in de vreijheijt der Dienaren staen sal".
Het standpunt der Gereformeerden was dus: met den Zondag als Dag des Heeren tevreden zijn. En voorts het volk vermanen de feestdagen weg te doen, zijnde 'n overblijfsel van de Roomsche Kerk, die de leeringen der menschen hooger acht dan de inzettingen des Heeren. De Gereformeerden meenden, dat we aan den dag des Heeren genoeg hadden en dat de feestdagen maar aanleiding gaven tot wereldsche vermakelijkheden en schending van het heilige in het openbaar.
Maar dit absolute standpunt van „den dag des Heeren alléén", heeft men, door de zwak der menschen, niet kunnen handhaven en doorvoeren. De feestdagen waren ingeburgerd onder bescherming van de Roomsche Kerk, en ze konden niet worden afgeschaft. De Overheid ook wilde, om het volk tevreden te stellen en in toom te houden, dat de Geref Kerk de feestdagen zou behouden; want de Overheid vreesde, dat, wanneer de Kerk de feestdagen niet kerkelijk wijdde, ze nog veel meer tot dagen van uitspatting zouden worden, gelijk alreede het geval was. De Overheid dorst ze niet afschaffen en nu moest de Kerk op last der Overheid, er van maken wat er van te maken was!
Zoo hebben de Kerken het principiëele standpunt niet kunnen vasthouden. Wel spreken ze het eigen gevoelen nog telkens uit op de Synoden. Maar in 1581, de Synode van Middelburg, voegen zij er dan bij: „Maer ter plaetse daer meer feestdaghen, door bevel der Overheyt ghehouden worden, sullen de Dienaers arbeyden datse met predicken de onnutten ende schadelicken ledighganch in een heyliche ende nutte oeffeninghe veranderen". Duidelijk blijkt hieruit, dat het vieren van feestdagen naast den Zondag een toegeven is geweest aan den wil van de Overheid, die deze dagen aan het volk niet dorst ontnemen en aan de Kerk nu bevel gaf, om van die dagen nog te maken, wat er van te maken was, om de teugellooze menigte te bedwingen en uitspattingen tegen te gaan! Om lediggang en losbandigheid zooveel mogelijk tegen te gaan.
Intusschen is daarbij nergens sprake van den Goeden Vrijdag. Als kerkelijke vierdag komt die wél voor in de Remonstrantsche Kerkorde van 1612. Ook de Luthersche Kerk ijverde voor de viering van dezen dag. Later was het onder ons de Groninger richting die er in het midden van de Hervormde Kerk telkens op aandrong, dat de Goede Vrijdag als een officiëele christelijke feestdag zou worden gerekend en gevierd. Maar de Gereformeerden hebben er nooit iets voor gevoeld.
Naar ons oordeel moeten wij de feestda­gen, die wij nu hebben, houden. De Synode van 's-Gravenhage 1586 heeft de viering vastgelegd en de Synode van Dordt 1618— '19 sloot zich daarbij aan en stelde officieel vast, dat de eerste en tweede Kerst-, Paasch-en Pinksterdagen en ook de Nieuwjaars- en de Hemelvaartsdag als c h r i s t e l ij k e feestdagen onderhouden zouden worden.  Ons dunkt, daarbij moeten we het laten. Niet de feestdagen afschaffen, 't Zou ook trouwens niet kunnen. Maar ook niet het getal vermeerderen; waarbij de Goede Vrijdag, naar ons oordeel, zich allerminst leent om als een christelijke feestdag te worden ingevoegd in het volksleven. Dat de Gemeente des Heeren 's avonds samenkomt in Gods huis om den dood van Christus te gedenken, dat kunnen we verstaan. We zouden niet gaarne willen, dat zulks werd nagelaten. Maar om er een christelijke feest dag van te maken, dat zouden we niet gaarne zien. De sterfdag des Heeren leent zich daar absoluut niet voor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's