De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

DE SMID VAN GRIJSDORP

5 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP door JEKA
18)
Hij had zin gekregen in 't „knappe boerinnetje", zooals hij Rika noemde, die zijn zuster zoo goed oppaste, en trachtte daarom meer met haar kennis te maken. Dat kon in alle geval geen kwaad, zij was wel wat „fijn", had hij gehoord, maar dat hinderde hem niet, en als hij met haar eens een paar avonden uit kon gaan, zou er dat wel afgaan. Zoo kwam hij, vooral als hij wist, dat Hein niet thuis was, vragen, hoe het met zijn zuster ging, speelde wat met de kinderen en stelde intusschen aan Rika voor, met hem eens een avond uit te gaan. Er was zooveel te zien in Den Haag en Scheveningen; zij had het zoo druk en was altijd als opgesloten en zij, die zooveel voor zijn zuster deed, verdiende het ook wel, dat hij haar eens een genoegen deed. 't Was wel geen zomer meer, maar er waren plaatsen en gelegenheden genoeg waar jongelui zich konden vermaken en dat mocht toch ook wel. Rika was jong, en wat was er in een dorpje als Grijsdorp voor haar te zien geweest? „Nee, maar dan moest zij Den Haag eens goed zien!"
Eerst had zij er niet veel op gezegd, maar toen hij meer en meer aandrong, had zij hem duidelijk gezegd, dat zij daarop niet inging en er niets van wilde weten. Zij sprak er ook met Hein over: zij was bij hem gekomen om zijn vrouw te helpen, maar niet om met zijn zwager uit te gaan.
„Waarom niet, Riek, het kan wel beide op zijn tijd; of zit er iemand anders achter?"
„Al was dat ook zoo niet, Hein, dan wil ik hiervan toch niet weten".
„Nu, je moet het weten, 'k zal het Dirk wel eens zeggen". Dat deed hij. En ofschoon de verhouding daardoor eerst niet beter werd, — Marie had er ook van gehoord en wilde er zich mee bemoeien — die bui dreef af. Dirk kwam niet zoo dikwerf meer en hield zich op een afstand.
Een ander bezoek gaf ook stof tot na­ denken en gesprek. Op een middag, toen Hein het koetshuis onder, verliet, om naar boven te gaan, had hij een heer bij de deur ontmoet die juist had aangebeld, had hem mee in huis genomen, zooals Klaartje vertelde, en was nu met hem in de voorkamer.
Verwonderd keek Rika op, toen Hein in de huiskamer kwam en haar vroeg, even voor te komen.
„Wat is er?"
„Kom maar, dan zult gij het wel zien". Zij ging mee, en zag tot hare verbazing baron van Wijck Doornenburg bij de tafel zitten. Hij stond dadelijk op en zei: „Zoo, Rika, jij hier ook in Den Haag? Wel, wat zijt ge veranderd, 'k zou je niet meer gekend hebben, als uw broer niet gezegd had dat jij het bent. En ge zijt hier verpleegster? Nu, daar doet ge goed aan".
Rika had hem dadelijk herkend; was eerst wat verlegen op dat onverwachts bezoek, maar mijnheer was zeer vriendelijk en gemeenzaam. Hij kwam alleen om Hein, en nu ook haar, te vragen, of zij, die altijd op den Beukenhof gewoond hadden, en wisten van het overlijden van zijn papa, van de verkooping van het landgoed en het vertrek zijner zusters, later ook iets gehoord hadden van diefstal of het verdwijnen van familiestukken, die voor hem en zijn zusters van groote waarde waren. Die waren toen nergens te vinden geweest en in den laatsten tijd was er opnieuw reden te denken, dat zij gestolen of op de een of andere wijze ontvreemd waren.
Het kon zijn, dat zij er iets van vernomen hadden, b.v. van hun grootmoeder, die zoo lang met zijn moeder en zusters verkeerd had. Hein noch Rika wisten er meer van, dan de geruchten die na het sterven van den ouden baron en de verkooping, eenigen tijd de rondte hadden gedaan in Grijsdorp. Later was er niet meer over gesproken.
„Dat spijt me, maar wilt gij er eens over schrijven aan uw vader? Of neen, laat ik dat liever zelf doen".
Hein wilde hem gaarne helpen, een wederdienst bewijzen; hij had veel aan mijnheer te danken.
„Spreek daar maar niet van, van Leeuwen, dat deed ik graag".
Rika herinnerde zich nog, dat ,,omoe" van de freules een brief had ontvangen juist met dien van Hein, maar dat zij door de drukte van haar vertrek niet had gehoord wat er in stond.
„Dat zal wellicht dezelfde vraag zijn ge­weest", zei de baron, en na afscheid genomen te hebben, vertrok hij.
Het meest werd Rika eenige dagen later verrast door een bezoek van „een man die ­zijn naam niet wil noemen", zooals Klaartje zei. „Het lijkt wel een boer, ik heb hem in de voorkamer gelaten".
Klaartje had goed gezien, 't Was een boer die haar gevraagd had Rika van Leeuwen te mogen spreken, en wel boer Brongers die naast den Beukenhof woonde, zooals Rika tot hare verwondering zag toen zij de voorkamer in kwam. Even vloog haar de gedachte aan een ongeluk thuis door het hoofd, maar zijn vriendelijk lachend gezicht stelde haar gerust toen hij haar de hand gaf en zei: „Dag Riek, je hebt zeker vannacht niet gedroomd, dat ik je hier opzoeken zou, wèl?
"Nee, Brongers, maar ik ben blij je te zien, hoe gaat het thuis?"
(Wordt vervoIgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's