De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

Onze Prinses meerderjarig.
Hoe herinneren we ons nog den opgang naar Gods huis aan den morgen van Vrijdag 30 April 1909, aanstonds nadat met klokgelui aan de gansche gemeente was bekend gemaakt, dat in het Koninklijk paleis een kind geboren was. Blij ging het van mond tot mond, de heugelijke tijding! Een Prinses, welgeschapen, waarop een blije moeder innig-gelukkig neerzag en waar mee heel ons volk zich verheugde, in hope dat nu de Oranjeboom weer opnieuw ging groeien en bloeien, door 't licht van Gods vriendelijk aangezicht bestraald.
Achttien jaar is dat nu al weer geleden en nu is 't kleine kindeke, dat toen in de Koninklijke wieg lag, door Neêrlands volk aan de Koninklijke moeder geschonken als blij geschenk bij de geboorte van haar dochter — nu is het kindeke, toen zoo klein, geworden tot een meerderjarige, de hope des Vaderlands als Prinses van Oranje. Daarom is het Zaterdag 30 April 1927 Juliana-dag, en wel in bizonderen zin nu een feestdag voor heel ons volk, omdat het een bizondere leeftijd is, welke onze Prinses, onze eenige, nu mag bereiken. Zaterdag wordt zij, die opgroeide tot een flinke, kloeke jonge dame, achttien jaar en dan is zij, de Prinses van Holland, de jeugdige draagster der Oranje-dynastie, meerderjarig.  Daarom steken we 30 April de vlag uit. Dan luiden de klokken, dan zingen de torens in stad en dorp. En ons lieve Vaderiand wordt vervuld met blij geroep: Oranje boven!
En Zondag, op den dag des Heeren, gaan we naar Gods huis met blijde dankbaarheid in het hart én Oranje op de borst — want het is een groote, belangrijke dag voor Vaderland en Vorstenhuis — en dan stijgen koralen plechtig op in breede golving tot Hem, Die het al regeert en Nederland zegenen wil in Oranje en Oranje in Nederland. Het volk dat bidden geleerd heeft, verzuime dan niet in het heiligdom des grooten Konings handen en harten op te heffen naar omhoog, om dankend voor de zegeningen van den Heere ontvangen — en ze zijn niet weinige! — biddend van Hem af te smeeken het goede voor hoofd en hart, voor lichaam en ziel, voor onze geliefde Prinses, Hem vragend dat Hij haar spare tot in lengte van dagen en ook in den voortgang Oranje en Nederland mag behoeden en zegenen.
We voelen het nu zoo bizonder: Onze Prinses is de schat van Oranje. Die schat wordt gedragen in een aarden vat. God bescherme Haar. Hij doet het om Christus' wil, naar den rijkdom Zijner genade.

Juliana van Stolberg.
Zaterdag als onze Prinses verjaart, wordt door den Minister-president Z.Exc. Jhr. de Geer, de eerste steen gelegd van een gedenkteeken, dat opgericht wordt om Juliana van Stolberg, de Moeder van het Oranjegeslacht, te eeren. Die Juliana van Stolberg is een merkwaardige vrouw geweest. Zij was een vrome vrouw, een vrome moeder, en daarom juist hebben we haar lief en is zij waard dat ons volk haar in gedachtenis houdt, den Heere prijzend voor de heerlijke gave, welke Hij, in haar ons volk geschonken heeft in Zijn gunst.
15 Febr. 1506 is Juliana op het Kasteel der graven van Stolberg-Wernigerode, in Duitschland, geboren. In 1517 vinden we haar als jeugdige prinses op het kasteel te Königstein, bij haar oom en tante, die de verdere opvoeding zouden voltooien. In 1523, op zeventien-jarigen leeftijd, treedt Juliana van Stolberg in het huwe lijk met Filips van Hanau; maar in 1529, na slechts zes jaar gehuwd te zijn geweest, blijft zij als 23-jarige weduwe met vier kleine kinderen achter, waarvan 't vierde geboren werd een dag na de begrafenis van den zoo jong gestorven Graaf.
Aan Juliana van Stolberg zijn dus de moeiten des levens niet gespaard! Den 20sten September 1531 trad de weduwe in het huwelijk met Graaf  Willem van Nassau, die op het slot Dillenburg woonde, jeugdig weduwnaar met één dochtertje. Aanstonds had zij dus een heel gezin, toen zij op den Dillenburg kwam, en zij vond er haar vreugde in, haar vijf kinderen te onderwijzen en op te voeden in de vreeze des Heeren.
Vijf zonen werden nog geboren: Willem, Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Zes dochters kwamen daarbij. Zoo werd het een zeer talrijk gezin, terwijl bovendien geregeld nog tal van jongelieden uit den omtrek op den Dillenburg vertoefden, tal van edelen uit den omtrek zonden hun kinderen naar het kasteel, waar de vrome Julian van Stolberg vrouwe en moeder was, gravin-onderwijzeres-opvoedster bij de gratie Gods. Deze „vrome Gravin", zooals zij gewoonlijk genoemd werd, is de moeder van Prins Willem. Met dezen Willem begint de geschiedenis van het huis Oranje-Nassau, waarvan de nazate is onze geëerbiedigde Koningin en haar Koninklijke Dochter, onze geliefde Prinses, die heden verjaart. Het is nu 394 jaar geleden dat hij, die later de Vader des Vaderlands is genaamd, het levenslicht aanschouwde en uit hem heeft zich de Oranjestam verder ontwikkeld tot op dezen dag staande blijvend in het midden onzes volks. In de stormen der tijden is de Oranjeboom blijven staan. Orkanen zijn over hem heen gevaren; menigmaal was hij ontbladerd, van schier alle takken beroofd; meer dan ééns zelfs scheen hij ontworteld ter aarde te zullen storten. Maar als de nood op het hoogst was, dan legden de orkanen zich neer en de Oranjeboom richtte zich weer op, in den milden zonne-glans haar door God beschoren, lieflijk gekoesterd. Wat er met Nederland en Oranje is gebeurd, is een groot en grootsch mysterie. Het is een wonder Gods, Die Nederland en Oranje bij elkaar bracht en sinds hen voor elkaar spaarde en bewaarde. Dat alles blij gedenkend, reiken wij op Julianadag 1927 in dankbare liefde de hand aan de Moeder van het Oranjegeslacht Juliana van Stolberg en wij gedenken het vele goede, dat wij in Gods gunst van de „vrome Gravin" hebben ontvangen. Zij heeft ons hare zonen gegeven, zelfs tot in den dood. En zij heeft het gedaan in den vreeze Gods, wijsheid en kracht ontvangend van den God de goden en den Potentaat der potentaten.''

Handwerken op Zondag.
Onlangs werd in „De Reformatie" (hoofdredacteur prof. dr. V. Hepp) in de rubriek „Geestelijke Adviezen" (verzorgd door ds. Fernhout, van Vreeland, vroeger te Utrecht en te Amsterdam), de vraag gedaan, „of 't geoorloofd is op Zondag een handwerkje te maken? " Het antwoord van ds. Fernhout Sr. luidde: „Als er een gesprek gehouden wordt over geestelijke dingen, laat er dan maar gerust de afleiding van een handwerkje mee gepaard gaan".
Overal heeft dit antwoord de aandacht getrokken en bijna overal komt er — in Gereformeerde kringen — een protest tegen dat antwoord.
Prof. Bouwman, van Kampen, schrijft er over in „De Bazuin" en zegt een briefje te hebben ontvangen van iemand, die zegt, dat op deze wijze de deur voor de Zondagsontheiliging al wijder wordt opengezet. Het briefje luidde verder: „Een arme naaister zou kunnen zeggen: wat voor de dames als afleiding is geoorloofd, is voor mij te meer geen zonde, waar het mijn brood geldt, als ik slechts onder dat naaien bezig ben met een geestelijk gesprek. Waar is hier het einde te zien van velerlei vrijheden, welke men zich zal veroorloven? En voorts zou ik willen vragen: Is het spreken over geestelijke dingen iets, waarbij men afleiding verlangt? Wordt niet juist veel de klacht geuit, dat wij oo geestelijke dingen ons richtend, zoo spoedig afgeleid worden, door de zinnelijke dingen en zijn dat niet de kostelijkste Zondagen, als wij verheugd van zorg ontslagen, ons gansch mogen opheffen boven de stoffelijke dingen, om te bedenken en te zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is, als wij Gods Geest in ons werken latend, hier reeds mogen smaken van de rust voor Gods volk weggelegd en alzoo den eeuwigen sabbath in dit leven aanvangen? Zou de geestelijke atmosfeer, waarin wij ademen, wel zuiver zijn op Zondagen, als wij ook dan nog verlangen naar afleiding in en door het aardsche? Gelet op de alom gehoorde klacht, dat er zoo weinig geestelijke gesprekken gevoerd worden, schijnt het gevaar niet zoo heel groot, dat er voor afleiding veel op Zondag gehandwerkt zal worden. Op dit punt was dan ook ,,zwijgen" waariijk „goud" geweest!"
Prof. Bouwman zegt dan zelf: „Het is ­bekend, dat er alle eeuwen door een groot verschil van gevoelen over de rechte viering van den sabbath geweest is. Maar de Gereformeerde Kerken hebben op de groote Synode van Dordrecht een uitspraak gedaan, waarmede de Kerken sedert hebben ingestemd. Deze uitspraak luidt: „Dezelve dag moet alzoo den godsdienst worden toegeëigend, dat men op denzelve moet rusten van alle slaafsche werken (uitgezonderd die de liefde en de tegenwoordige noodzakelijkheid vereischen) mitsgaders van alle zoo genaamde ontspanningen, die den godsdienst verhinderen". De Synode huldigde niet het wettische standpunt om het leven te binden en precies alles voor te schrijven wat mag of niet mag, maar achtte de rust noodig, opdat de mensch zich ongehinderd kan wijden aan den dienst des Heeren. Alleen de arbeid die beslist noodig is op Zondag, mag worden verricht, maar overigens moet de dagelijksche arbeid en alle ontspanning, die den godsdienst verhindert, worden nagelaten. De Synode onthield zich zeer wijs een catalogus op te stellen van alle geoorloofde en ongeoorloofde zaken, maar wilde verder de christelijke vrijheid handhaven".
„Het komt ons voor" — zegt prof. B. verder — „dat het handwerken op Zondag niet te verdedigen is. Een dame verklaarde ons: „Ik ben beslist tegen handwerken op Zondag, om twee redenen, omdat ik het tot de onnoodige werken reken, èn omdat hand werken op de grens ligt van gewonen arbeid en ik aan mijn personeel, wien ik ook gaarne de Zondagsrust gun, niét kan duidelijk maken welk verschil er tusschen een handwerk en een ander werk is".
„Vooral in onze dagen, waarin de zuigkracht der wereld zoo sterk trekt, mogen wij wel wat ernstig staan voor de Zondags­viering. Het geldt hier een volksbelang, het waarachtig belang van de gemeente des Heeren. Een volk dat slap is in de viering van den dag des Heeren, loopt gevaar den rechten dienst des Heeren uit het oog te verliezen. Wanneer de gemeente niet teer staat voor God en Zijn wet, glijdt zij af op de wateren van het gevoel, op de valsche mystiek of gaat onder in den dienst der wereld. Wee den mensch, die zijn vrijheid als christenmensch misbruiken zou, om op Zondag te zoeken zijn eigen lust, inplaats van te zoeken zijne verlustiging in den Heere".
Waar prof. Bouwman van Kampen zoo schrijft, daar willen we ook aan iemand uit Amerika het woord geven over deze kwestie. In de Amerikaansche „Wachter" zegt ds. A. Keizer, Chr. Geref. predikant, hiervan het volgende:
„Dat advies bevalt mij heelemaal niet. Me dunkt, menschen, meisjes ook, die werkelijk een gesprek houden over geestelijke  dingen of er naar luisteren, met intentie en attentie, zullen niet zoo gauw in de verleiding komen om terzelfdertijd een handwerk­je te zoeken en daaraan te werken ter af­leiding. Maar die niet zulk een gesprek houden, zullen van dit gracieus advies gaarne en dankbaar gebruik maken. Het moeten wel holle en leege en arme geesten en har­ten zijn, die op den Zondag aan dergelijke gestes behoefte hebben.  Daar moet het niet heen. Volstrekt niet. Dat is niet naar de Gereformeerde zede. Deze spreekt van werken van den godsdienst, van barmhartigheid en van noodzakelijkheid van den rustdag. Met handwerkjes bezig zijn op Zondag behoort tot geen van deze drie.  Er is wel wat hoogers te doen op den heerlijken rustdag. Nogmaals, daar moeten wij niet heen. Die richting niet uit. Dat pad niet op. We plaatsen ons dan op een hellend vlak. Naar beneden, waar we al meer geoorloofd zullen achten en ten slotte komen, waar we niet wezen willen!"
Ds. de Bruin, docent aan de Theologische School der Chr. Geref. Kerk te Apeldoorn, sluit zich in „De Wekker" bij z'n Amerikaanschen collega aan en zegt:
„Het blijkt, dat men ook in Amerika met zulk een Zondagspractijk niet meegaat. Het is dan ook, of dit advies gegeven is door een aanhanger van den bekenden Coccejus in de zeventiende eeuw, toen vrouwen van Coccejaansche predikanten Zondags met 'n handwerkje voor het raam zaten, zeer tot ergernis van de Voetiaansch gezinden. Zij, die in de „Geref. Kerken" zoo hoog van den toren blazen, dat Assen's Synode de zuivere leer heeft gehandhaafd, mogen nu wel een toontje lager zingen, dat Assen's Synode-voorzitter omtrent het leven zulk een laksche zedeleer voorstelt en het handwerken op Zondag, mits gepaard met een gesprek over geestelijke dingen, goed praat. Leer en leven, dogmatiek en ethiek, moeten overeenstemmen, anders wordt het: Doe wél naar mijn woorden, maar niet naar mijne werken".
Wij willen die tirade over Assen's Synode laten voor hetgeen ze is. Wellicht doet men beter om deze kwestie hier buiten te laten, om de zaken zuiverder te houden. Maar overigens zijn we het met de afkeuringen over dit ongelukkig advies van ds. Fernhout Sr. van harte eens. Zeker, de vragen aangaande de rechte Sabbathsviering zijn legio. Die dat niet weet en dat niet voelt, telt niet mee. En vele menschen zitten er midden in; midden in de grootste moeilijkheden en loopen dan ook met de bangste vragen soms., 't Moet (politie-agent, spoorman, postambtenaar, man van de gasfabriek, of van het electriciteitsbedrijf, fabrieksarbeider, enz. enz.), maar vlak bij ons komen, bij ons en bij ons gezin — wat kan het benauwen! Maar het staat vast voor ons, dat we den weg van ds. Fernhout niet op moeten!
Ten eerste niet, om geestelijke gesprekken niet zoo onnoozel te verbinden met een handwerkje. En ten tweede niet, omdat de dag des Heeren van deze dingen vrij moet blijven onder ons. Een krachtig protest is daarom wel op z'n plaats. Maar dan niet om den farizeër uit te hangen, die glimmend van ijdelheid, hardop zei: „ik dank U, Heere, dat ik niet zoo slecht ben als die en als die". Neen! om er waarachtig naar te staan, dat we den dag des Heeren heiligen door Zijnen Geest in den weg van Zijn Woord.

De Opgravingen in Palestina.
De steenen gaan spreken. In de diepten der aarde ligt een geschiedenisboek en men is bezig bladzij voor bladzij open te leggen, zóó, dat kan worden afgelezen van die lang verborgen historiebladen, wat vroeger, eeuwen en eeuwen geleden geschied is. Dat geschiedenisboek is ook een goddelijk boek. Wel is het boek der bijzondere Godsopenbaring, de Bijbel, een bijzonder boek, alle andere boeken verre overtreffend, maar in de geschiedenis spreekt God ook en we zullen goed doen ook in dit boek te lezen, zooveel we kunnen. We zullen ook daar dan Gods stem vernemen en de Heere spreekt Zich nooit tegen; het eene zal het andere bevestigen en schragen, dat staat vast!
De opgravingen in Palestina trekken bijzonder de aandacht nu. Dat is geen wonder. Want Palestina is het heilige land, het land dat God aan Zijn bondsvolk Israël ter woning heeft gegeven en in dat „heilige land", in dat „land des Heeren" is een heele bijzondere geschiedenis voorgevallen met Gods uitverkoren volk Israël, waarom het bijzonder interessant en belangrijk is, om uit de opgravingen daar te vernemen, hoe het er vroeger heeft uitgezien en wat er vroeger is geschied.
De opgravingen in Palestina geschieden onder andere, omstandigheden dan b.v. in Egypte. Want Egypte heeft een droog klimaat, dat alles conserveert, terwijl het in Palestina drie maanden van 't jaar regent waardoor alles te gronde gericht wordt wat niet krachtens zijn materiaal tegen den invloed van het vochtige weer bestand is. Dat is de reden, waarom in Palestina in tegenstelling met Egypte zoo weinig schriftelijke gegevens aan het licht komen. Wat op leer of papyrus of perkament geschreven werd is in den loop der tijden verrot en geheel vergaan. Naast de fundamenten van de gebouwen bleven slechts de steenen, metalen en beenen sieradiën en voorwerpen bestaan, als potten en ontelbare scherven, enz. Inscripties op klei (zooals evenwel in Sichem aan het licht gekomen zijn en nog wel uit het tijdperk vóór den intocht der Israëlieten) behooren tot de grootste zeldzaamheden; zelfs hout is uitzondering, en ook graan (zooals in Sichem op een bijzonder beschutte plaats uit het vóór-Israëlietische tijdperk in groote hoeveelheid gevonden werd) is iets buitengewoons.
Daarom gaat het met de opgravingen in Palestina zoo anders dan in Egypte met zijn droog klimaat; ook anders dan in Mesopotamië, waar de vele inscripties — kleitafeltjes met spijkerschrift — de tijdsbepaling vergemakkelijken. In Palestina moeten de opgravers bescheiden zijn.  Bovendien was het, ondanks al de verhalen omtrent den rijkdom van Koning Salomo, een betrekkelijk arm land en de kans op sensationeele vondsten in den trant van het Egyptische Koningsgraf van Toetanchamon is gering.
Doch aan den anderen kant, hoeveel volken hebben in Palestina, het oude land des Bijbels, niet hun sporen achtergelaten? En de opgravingen worden dan ook beloond, zooals de opgraving van Sichem  bewezen heeft. Men is nog maar pas bezig in Kanaan met de opgravingen. De Palestijnsche archeologie is nog maar een jonge wetenschap. De eerste eenigszins stelselmatige opgraving van een der talrijke puinheuvels buiten Jeruzalem werd pas in 1890 ondernomen, op de plaats van de oude bijbelsche stad Egion.  Maar de volgende opgravingen zijn naar een betere methode ingericht dan die eerste. Evenwel werd de arbeid na korten bloei belemmerd door het wantrouwen der toenmalige heeren van het land, de Turken, en daarna onderbroken door den wereldoorlog Pas na den oorlog kwam ook op dit terrein nieuw leven, nieuwe methoden. Het Britsche gouvernement verleent alle medewerking. In 1926 werd alleen in het West-Jordaanland op zeven verschillende plaatsen gegraven, door expedities van vijf verschillende naties; en wel bij Sichem, Megiddo, Beth Sean, Silo, Mizpa (eerder Gibeon geheeten) en Kvijat Sefer (of Debir). Het zijn geleerden als MacaIister, de opgraver van Gezer en van den heuvel Ofel bij Jeruzalem, en vooral prof. Sellin; die thans weer in Sichem bezig is, aan wie de eer van het initiatief en van de leiding toekomt. Reeds vóór den oorlog heeft Sellin door zijn opgravingen van Taanach en van Jericho zijn sporen verdiend.  Van eind Maart tot eind September 1926 zijn groote opgravingen van Sichem geschied, ook met Nederlandsche middelen gesteund, waarbij prof. dr. F.M. Th. Böhl, van Groningen, mee tegenwoordig is geweest. Prof. Sellin heeft daarover geschreven in het Duitsch in het „Zeitschrif* des Deutschen Palastinavereins". Prof. Böhl heeft er over geschreven in een keurig geïllustreerd boekje „De opgraving van Sichem", dat keurig uitgegeven is bij G.J A. Ruys te Zeist. Men kan dit boekje koopen en lezen. Het is de moeite waard om het in eigendom te bezitten. We willen er in een volgend artikel iets uit over vertellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's