De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

Het principe.
Wij hebben in ons vorig nummer enkele opmerkingen gemaakt over het initiatiefvoorstel van de Sociaal Democraten tot invoering van de leerverplichting voor het zevende leerjaar. In hetgeen wij toen daarover schreven, hebben wij het duidelijk doen uitkomen, dat onzerzijds geen bezwaren bestaan tegen verlenging van den leeftijd met één of zelfs met twee jaar. Integendeel; wij juichen elke poging toe die erop gericht is, om de jeugd meer kennis bij te brengen. Doch onze bedenking, zoo schreven wij toen, gaat tegen de verscherping van den leerdwang. leder „stapje verder" in deze richting, achten wij uit den booze.
In het vraagstuk van den leerplicht ligt toch een principieel geding: de vraag n.l.,  of de kinderen in hun schooljaren onder pedagogische (opvoedkundige) leiding staan van de Overheid, dan wel onder die van de de ouders.
Het antwoord op die vraag lijkt ons niet moeilijk.
In onze kringen staan wij nog steeds — en gelukkig ook — op het standpunt, dat de band van het kind aan zijn vader en moeder de primordiale (de oorspronkelijke, van God gelegde) levensband is, terwijl de band van den Staat eerst veel later aan de orde komt. Daarom verwerpt ons christenvolk den leerplicht.
Niet de Overheid heeft voor de opvoeding van 't kind te zorgen, maar de ouders. Alleen wanneer er van ergerlijke , verwaarloozing van het kind sprake is, staat de zaak anders, dan heeft, terwille van het kind, de Overheid in te grijpen.  Maar is die verwaarloozing niet aanwezig, dan is de opvoeding der kinderen de taak der ouders en heeft de Overheid geen enkel recht om zich in de plaats der ouders te stellen.  Onze bezwaren tegen den leerplicht zijn dus niet in de eerste plaats van financieelen aard en loopen ook niet om de belangen van het kind, maar bepalen zich uitsluitend tot de taak en roeping, welke van Godswege aan de ouders zijn opgedragen en toevertrouwd.
Het lijkt ons goed, dat wij dit een en ander, ook met het oog op de komende discussies, nog eens scherp in het licht te stellen. De datum van 31 December 1929, waarop volgens de wet van 30 Juni 1924 de leerverplichting voor het zevende leerjaar ingaat, moet naar het Socialistisch voorstel niet tot 31 December 1927 worden teruggebracht, maar moet als het kan nog worden verlengd. Het gewone lager onderwijs worde wel in het zesde tot en met het veertiende jaar dusverlangd verkrijgbaar gesteld, maar leerplicht blijve geweerd.

Van de verklaring afgeweken.
Bij het optreden van het extra-parlementaire Kabinet legde mr. de Geer, de Kabinetsformateur, zooals onze lezers zich zullen herinneren, de verklaring af: „dat de politieke vraagstukken, die verband houden met departijgroepeering, zooals die tot dusverre hier te lande heeft bestaan, zullen blijven rusten en gehandhaafd blijven in het stadium, waarin zij op het oogenblik verkeeren".
Op grond van deze verklaring kan men er dan ook telkens getuige van zijn, hoe ieder lid van het Kabinet, als dit pas geeft, weigert eenig politiek vraagstuk ter hand te nemen of aan eenig onderwerp zijne medewerking te verleenen, zoo spoedig bij zulk  een vraagstuk of onderwerp maar een beginsel betrokken is, dat met de vroegere partijgroepeering verband houdt.
Uit hoofde van dat standpunt, dat de Ministers innemen, kan van een afdoening van de Zondagswet, van het ontwerp inzake de lijkverbranding, van de opheffing der Staatsloterij, enz., onder dit Kabinet niets komen; ja, zelfs ging de Minister van Arbeid laatstelijk zoo ver, dat hij met intrekking van het wetsontwerp, houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten, dreigde, wanneer onverhoopt het amendement-Bijleveld tot afschaffing van den vaccinedwang mocht worden aangenomen.
In dit licht de werkzaamheden van het kabinet de Geer beschouwende, doet het enigszins vreemd aan, dat op 4.Maart I.L een Wetsontwerp bij de Tweede Kamer werd ingediend, waarbij voorgesteld wordt de Provinciale Wet in dien zin te wijzigen, dat voortaan ook de  v r o u w  benoembaar zal zijn in het ambt van griffier van de Staten der provincie, terwijl nog de noodzakelijkheid van dezen maatregel met geen letter in de Memorie van Toelichting wordt aangetoond.
Wanneer nu één politiek vraagstuk met de beginselen samenhangt, is het zeker wel dat van de benoembaarheid van de vrouw tot eenig openbaar ambt. Wij begrjjpen dan ook niet, hoe de Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw met zulk een voorstel bij de Staten-Generaal is kunnen komen. Of mogen wel politieke onderwerpen aan de orde wordengesteld  die in het gevlei komen der linker partijen, doch wanneer die onderwerpen de christelijke beginselen betreffen, zijn zij dan als contrabande te beschouwen?  Wij zijn nieuwsgierig daarvan iets naders te vernemen. Wij zouden zo zeggen: gelijke monniken, gelijke kappen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's