De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De hoop en de liefde

10 minuten leestijd

En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons gegeven is. Romeinen 5 vers 5.

Het woord „hoop" heeft gewoonlijk een onzekeren klank. Gij hoopt op iets, dat lang niet zeker is. Gij hoopt op een betere toekomst, waarvan ge niet weet of ze ooit komen zal. Gij hoopt op het herstel van een kranke, hoewel ge de krachten langzaam maar zeker ziet afnemen. Gij hoopt op zoovee! waarvan ge niet weet of het ooit komt. En zóó wekt het woord „hoop" steeds de gedachte aan iets dat niet zeker is, aan een vraagteeken, een misschien. Maar dit alles is ten eenenmale vreemd aan het woord, hier door Paulus gebruikt. De apostel denkt hier niet aan een misschien, hij bedoelt hier niet het godsdienstige „hoopje" van vele menschen, die op grond van hun gemoedstoestanden spreken van een „hoopje" voor de eeuwigheid. Neen, de hoop van den apostel Paulus is een uitzien naar iets, dat zeker en gewis komt. De hoop is de verwachting van dat eeuwig zalig leven, waarin hij, en heel Gods Kerk met hem, met God vereenigd, zonder het lichaam des doods, den Heere eeuwig zal verheerlijken. Het is die zekere toekomst, waarin hij verzadigd zal worden met het Goddelijk beeld en de deugden Gods zal prijzen zonder eenige stoornis. Het is dus hoop, waarin het alleen gaat om God zelve, niet om den hemel, niet om de redding der ziel. Deze hoop ontspringt dan ook daar, waar de mensch in de waarachtige bekeering de heerlijkheid van Gods deugden kiest boven zich zelve. Toen daalde vrede in Paulus' ziel en toen kon hij schrijven: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. Daar ontsprong de hoop. Niet maar een straal van hoop. Dat is ongenoegzaam. Want gelijk een straal der zon de zon zelve niet is, zoo ook is een straal van hoop de hoop zelve niet. En hier gaat het over de hoop zelve. En als Paulus nu vrede met God heeft, kan hij „roemen in de hoop der heerlijkheid". Daarom kan deze hoop er ook alleen zijn als er waar zaligmakend geloof is, een geloof, dat vast en zeker de vervulling der belofte verwacht. In de rechtvaardigmaking ontvangt Gods Kerk een recht op het eeuwige leven, en op dat leven is de hoop gericht. Zoo behooren geloof en hoop bij elkander, waarbij Paulus in het tweede gedeelte van Rom. 5 vs. 5 de liefde voegt. Deze hoop nu ligt vast in Christus en Zijn Middelaarswerk. Hij is de grond, waarop deze hoop is gefundeerd. Deze hoop nu roept op een leven der hoop, waarop Johannes wijst in 1 Joh. 3: 3, als hij schrijft: „Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelve, gelijk Hij rein is". En deze reiniging bestaat niet in een pogen om zoo nauwgezet mogelijk de wet te onderhouden en in overeenstemming te zijn met de letter dier wet, maar in een drang der ziel en innige begeerte om Gods Raad uit te dienen en Hem te verheerlijken in  a l l e  dingen, om enkel en alleen ter Zijner eere heilig te leven.
Van deze hoop nu kon Paulus met alle vrijmoedigheid schrijven dat ze  n i e t  b e s c h a a m t. Zij stelt niet teleur; ze bedriegt niet; ze ontvalt niet als straks de ziel verlost wordt van het lichaam des doods. Integendeel, dan wordt ze volle werkelijkheid. Dan zal Gods volk een God ontmoeten, verzoend in Christus. Een God, met wien het hier reeds vrede maakte. Geen „onbekenden God", maar Hem, wiens trouw boven allen twijfel verheven is.
Maar die hoop kan dan ook alleen uw deel zijn als ge vrede met God hebt gemaakt door het bloed Zijns Zoons. Alle andere hoop, is niet de hoop, waarvan Paulus hier spreekt. En alleen deze hoop beschaamt niet. 
En toch, wat een ijdele hoop is er niet onder de kinderen der menschen. Zonder hoop kan de mensch dan ook niet leven. Maar ijdel is de hoop van den onbekeerde, die hoopt op zijn ziekbed nog bekeerd te worden. IJdel is de hoop, die gebouwd is op kerkgaan en weldoen. IJdel is de hoop, die gegrond is op uw ijver voor het Koninkrijk Gods, uw liefde tot de waarheid, uw hoogachting voor Gods volk. Zeg nu niet, dat een gereformeerd mensch daarop niet bouwt. Dan kent ge uw eigen arglistig hart niet. Zonder hoop immers kunt ge niet leven. Ook hier gaat de natuur boven de leer.
Maar ook is de hoop ijdel van hem, die ondanks al zijn bevindingen, geen vrede met God maakte door het bloed van Christus. IJdel, zoo ge niet hopeloos werdt, niet kwaamt onder Gods recht, om alle hoop alleen te gronden in het Middelaarswerk. IJdel is uw hoop, zonder een leven der hoop. Zonder die reiniging, waarvan Johannes spreekt in zijn eersten brief.
Bedenk dus, dat ge kunt hopen op den hemel en toch naar de hel kunt gaan; ja, de zaligheid kunt verwachten en uw verdoemenis kunt uitwerken.
Treffend is wat Bunyan teekent in zijn bekende „Christenreize naar de eeuwigheid". De naam-christen komt aan den oever der doods-Jordaan. Toevallig ligt daar een schipper, genaamd: IJdele hoop. Met dien schipper vaart hij over. En als hij dan komt aan de hemelpoort, ziet Christen iets vreeselijks. Hij wordt weggezonden. Toen zag Christen, dat er ook een weg van den hemel naar de hel is. Daarom, rust niet buiten Christus. Een straal der zon is de zon zelve niet.
Maar Gods Kerk mag uitzien en verwachten, om na een leven der hoop, de hoop tot volle werkelijkheid te zien worden, terwijl dat uitzien en verwachten met den apostel is een roemen in de hope der heerlijkheid.
„Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad". Zoo getuigt de apostel Johannes in zijn eersten brief. Gods liefde bron en oorsprong van alles. Gods volk zou den Heere niet kunnen liefhebben, indien de Heere niet eerst Zijn volk had liefgehad. Van die liefde Gods spreekt hier ook Paulus. Een liefde, van eeuwigheid, in Christus. Alleen in Christus. In Gods volk is er niets, dat ooit Gods liefde kon of kan opwekken. Getuigt niet de Heere bij Ezechiël, dat Hij ze ziet op de vlakte des velds, vertreden in hun bloed? In dat volk is er dan ook niets, dat naar God vraagt. Geen enkele roering der liefde, maar van nature enkel haat. Geen ritseling ten leven, maar alleen het woelen des doods. Immers het beeld Gods is geheel verloren. Daarom is die liefde Gods een vrijwillige liefde. Niets kon den Heere er toe verplichten, niets kon die liefde opwekken, 't Was vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. En daarom zong Ethan: „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen": Daarin ligt dan ook een evangelie-prediking voor dien mensch, die in zichzelve niet anders vindt dan dood en ellende, haat en schuld. Evangelie voor die ziel, die schouwend in eigen binnenste, alle kans ziet afgesneden.
Ziet het kan om dat eeuwig welbehagen, om die liefde, die geheel vrijwillig, zonder iets van den mensch, in Christus dien ellendigen, schuldigen mensch kon liefhebben. En die liefde openbaart zich nu allereerst in het herstel van het beeld Gods in de ziel, om dan straks hare verwarmende stralen in de ziel te doen schijnen, zoodat Gods Kerk het Johannes na zegt: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad".
Nu kan er in den onwedergeboren mensch wel natuurlijke liefde zijn, zooals de klokhen hare kiekens liefheeft. Ook kan er een zekere zielsbeweging zijn, die heel veel gelijkt op de ware liefde, en die zich ook openbaart in allen menschlievenden arbeid en ijver voor het Koninkrijk Gods. Maar deze schijnliefde wortelt niet in de liefde Gods en verdwijnt dan ook zoodra het „Ik" er aan moet. Deze schijnliefde is dan ook nooit zoo groot dat ze voor God het leven wil verliezen in de liefde tot de deugd van Gods rechtvaardigheid. Ja, die mensch gelooft zelfs niet eens dat God liefde is, met alle gepraat over de liefde Gods. Laat die mensch maar eens in den nood komen, of laat de Heere hem maar eens een geliefd pand ontnemen, dan verdwijnt zijn zoogenaamde liefde als sneeuw voor de zon. Daarom kan het zijn dat ge offers brengt voor den Heere zonder waarachtige liefde, als vrucht van opvoeding, vroom gevoel en gefatsoeneerde natuur, maar niet als vrucht van de liefde Gods. Zoo is ook de begeerte om zalig te worden op zichzelf genomen eigenliefde. Onder Gods volk gerekend te willen worden, kan voortvloeien uit eigenliefde. Hoevelen bedriegen zich in deze. Bouwen hun hoop voor de eeuwigheid op hun liefde tot den Heere. Maar deze hoop beschaamt. Alleen de hoop van Paulus beschaamt niet, omdat ze niet was gebouwd op zijn liefde, maar op de liefde Gods.
Heeft dan Gods volk geen liefde tot den Heere? Hoe zou het anders kunnen! Want de liefde Gods is „in onze harten uitgestort". Dat „uitgestort" wijst op milden overvloed. Gelijk een rivier buiten hare oevers treedt en zich uitstort over de velden, zoo verlaat de liefde Gods hare goddelijke bedding om Gods volk te doen verkeeren in wateren, waarin ze niet meer staan kunnen. Dan heeft die mensch ook God lief, in al Zijn deugden. Die liefde mint de deugd van Gods rechtvaardigheid, en keurt zich zelve schuldig. Die liefde erkent de schuld zonder iets daarvan af te dingen. Die liefde doet den mensch zichzelven overgeven in een volkomen overgave, al zou hij eeuwig moeten ondergaan. Die liefde duldt niet dat God in eenig opzicht onrecht zou verweten worden. Die liefde treurt om alles wat God is aangedaan. Die liefde openbaart zich in een liefde tot Gods wet. Die liefde kan niet buiten den liefdesband met den Zoon van Gods eeuwige liefde. Zoo noopt de liefdegeur van Gods liefde tot wederliefde. Want die liefde Gods gaf Zijn eenigen Zoon. Die liefde Gods zocht een hatelijk en hatend mensch. Die liefde Gods stortte zich uit in de ziel. Dat is een liefde, die verkwikt, verblijdt, een vaste grond geeft voor de hoop, een leven met en bij en voor den Heere oproept. Een liefde, die de goedertierenheid, algenoegzaamheid en genade Gods ontdekt. Een liefde, die in Christus met God verzoent. Een liefde, die een volkomen gerechtigheid schenkt. Een liefde, die alle vreeze buiten drijft. Een liefde, die den mensch schier doet bezwijken. Een liefde, die in heel de ziel hare werking doet gevoelen. Een liefde, overvloedig als een bron, die zich uitstort over de velden, als het water der rivier dat de akkers overstroomt. 
En dit alles werkt „de Heilige Geest, die ons gegeven is". Die Geest openbaart de heilgeheimen. Die Geest maakt de ziel voor deze liefde pasklaar. Hij leidt de liefdesstroomen Gods naar het hart, nadat Hij in de ontdekking de bedding heeft uitgegraven. Die Geest openbaart de vredesgedachten Gods over Zijn kind. Hij verzekert, zoodat de ziel gelooft: „Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn". Verstaat gij nu den apostel Johannes: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad"?
Oud.                                                                                                                                                                                 v. Sch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's