De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

9 minuten leestijd

VERSLAG van de 22ste Jaarvergadering van den Geref, Bond op Donderdag 31 Maart 1927 in een der zalen van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
II.
Nadat ds. Van den Berg zijn referaat heeft uitgesproken, blijkt er in de morgenvergadering geen tijd meer over te zijn om over het gesprokene van gedachten te wisselen. Na een hartelijk woord van dank aan den referent door den voorzitter, wordt dan ook besloten de discussie tot de middagvergadering uit te stellen. Op verzoek van den voorzitter wordt hierop de morgenvergadering door ds. Van den Berg met dankzegging gesloten.
De middagvergadering wordt ten 2 uur geopend met het zingen van Psalm 89 vers 8, waarna op verzoek van den voorzitter, ds. Van der Snoek voorgaat in gebed.
De voorzitter doet mededeeling van ingekomen berichten van ds. Beekenkamp, den heer J. G. Kruisbergen en ds. Pott, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen. Wegens tijdgebrek wordt besIoten de notulen der vorige jaarvergadering, die reeds in het verslag dier vergadering in „de Waarheidsvriend" goeddeels zijn gepubliceerd, ongelezen goed te keuren. De secretaris bekomt dus aanstonds gelegenheid tot het uitbrengen van zijn jaarverslag, dat aldus luidt:
Ook op deze 22ste jaarvergadering van onzen Gereformeerden Bond blijkt er stof om den Naam des Heeren te danken voor den zegen, dat onze Bond nog is die hij is. Bij de grenzenlooze verwarring, die het kerkelijk leven beheerscht, heeft God onzen Bond nog gespaard als een pilaar, waarop Zijn Waarheid geschreven staat.  Zelfs mochten wij ons, wat het ledental betreft, weer verheugen in toenemende bloei.
Het Hoofdbestuur heeft niet minder dan 8 maal vergaderd. Op die vergaderingen bleken telkens allerlei aanvragen om steun uit het Studiefonds de hoofdschotel te zijn. Het Bestuur heeft het Reglement op het Studiefonds gewijzigd en in overleg met de Commissie meer vaste regels ontworpen, waardoor er voortaan meer contact  tusschen genoemde Commissie en de Alumni van het Studiefonds zal bestaan. Het aantal van hen, die voor hun studien een kleiner of grooter bedrag uit het Studiefonds ontvangen, breidde zich ook in het afgeloopen jaar weer uit, niettegenstaande om verschillende redenen ook enkelen moesten afgevoerd worden.
Wat het Leerstoelfonds betreft, ging proff. Visscher voort om de studenten van de Rijks-Universiteit te Utrecht zijn colleges geven. Een belangrijk rapport van Z.H.Gel. over den cursus 1925—'26 kwam bij het Hoofdbestuur in, terwijl voor den nieuwen cursus niet minder dan 44 studenten geteekend hadden als bezoekers der colleges die door Z.H.Gel. in de Dogmatiek gegven worden. In het bezoek dezer colleges blijkt dan ook een gestadige vooruitgang te zijn, hetgeen voor het Bestuur een bewijs is dat deze arbeid inderdaad in een behoefte voorziet.
De Waarheidsvriend verscheen geregeld en bracht in onderscheiden vorm de Waarheid, die onze Bond voorstaat, iedere week in vele honderden gezinnen. Ook werd weer propaganda voor onzen Bond gemaakt door middel van tientallen spreekbeurten, die ook in den afgeloopen winter werden vervuld. Het geopperde denkbeeld om deze beurten in plaats van op een week-avond in een gewone Zondagmorgen-of avondbeurt vervullen, vond bij sommigen reeds ingang en bleek in de meeste gevallen voor onze kas niet onvoordeelig te zijn. In hoever onze kas de vruchten van een en ander geplukt heeft, is natuurlijk een terrein, waarop ik niet mag komen en waarop onze Penningmeester u straks rondleiden zal.
Laat ik dus mogen volstaan met nog te herinneren aan drie jubilea die in den boezem van ons Hoofdbestuur gevierd mochten worden, n.l. aan dat van den heer Duymaer van Twist, die in het afgeloopen jaar mocht herdenken dat hij 25 jaar in 's lands Raadszaal de belangen van ons volk heeft gediend en de beginselen, die wij voorstaan verdedigd heeft; aan dat van ds. Beekenkamp, die herdacht dat hij een kwart eeuw in de bediening des Woords en der Sacramenten mocht werkzaam zijn, en die in al die jaren de Gereformeerde Waarheid op warme en overtuigende wijze heeft bepleit, en aan dat van den heer Fliehe, die in deze week den 65-jarigen leeftijd mocht bereken en van wien ieder overtuigd is dat hij zich ten opzichte van de beginselen en de belangen van onzen Bond niet het minst verdienstelijk heeft gemaakt.
Worde het al dezen broeders gegeven nog lang den bloei van onzen Bond te bevorderen en zij hun voorbeeld ons allen een prikkel om steeds meer te trachten door middel van onze Bondsactie onze Kerk te bouwen en alzoo den Naam en de zaak des Heeren ten zegen te zijn.
Het verslag van den Secretaris volgt als gewoonlijk dat van den Penningmeester. De heer Fliehe begint met een woord van hartelijken dank voor de groote belangstelling, hem op zijn 65sten verjaardag betoond en herinnert er aan hoe het Gods kracht is die ook in dit werk steeds in zijn zwakheid werd volbracht. Het is dan ook alleen ziende op de hulpe des Heeren, die hij zoo ruimschoots ondervond, dat hij nog durft volhouden om de zaak van den Bond te bepleiten, overtuigd als hij is dat het herstel onzer Kerk de zaak des Heeren is, waaraan wij niet mogen wanhopen. Als hij aan het eigenlijke verslag van de inkomsten en uitgaven over het afgeloopen boekjaar toekomt, blijken de ontvangsten, vergeleken met die van het vorig jaar, alweer gestegen te zijn en thans reeds de ƒ 20.000.— overschreden te hebben.
De Voorzitter spreekt dan ook zeker naar het hart van heel de vergadering, als hij, na ook den Secretaris dank gezegd te hebben, den Penningmeester hartelijk dankt voor al zijn zorgen en bemoeiingen aan onze Fondsen besteed, waarvan de hooge ontvangsten voor een niet gering deel het resultaat zijn geweest.
Als nu stelt de Voorzitter de discussie over het referaat van ds. Van den Berg aan de orde. Om met den referent van gedachten te wisselen hebben zich aangemeld de h.h. ds. Lammerink van Delft, Hoek van Rotterdam, Smit van Zwijndrecht, ds. Binsbergen van Mastenbroek, van Mourik van Amsterdam, Sterkenburg van Nunspeet en ds. Bruijn van Bergschenhoek.
Ds. Lammerink spreekt den wensch uit tot het bijeenroepen van ambtsdragers en wijst in dat verband op de reeds ettelijke malen gehouden vergadering van Gereformeerde en Confessioneele predikanten alsmede op het bestaan van de Algemeene predikantenvereeniging. Hij vindt het gewenscht dat ook de predikanten van den Geref. Bond aan de daar gevoerde beraadslagingen over verschillende onderwerpen zullen deelnemen.
De heer Hoek wijst op het verschil tusschen „gemeente" en „Kerk."
De heer Smit vragt als wij geen andere macht hebben te erkennen dan de macht van Koning Jezus, hoe het dan te rijmen is dat wij de Ned. Herv. Kerk moeten nemen zooals zij is.
Ds. Binsbergen is het geheel eens met de beschouwingen van referent, maar vraagt: Is de Herv. Kerk een Kerkinstituut of niet en hoe stelt referent zich voor om het wezen der Kerk, dat door alle Kerken heenloopt, ook in onze Kerk meer naar voren te brengen.
De heer van Mourik betoogt dat referent in de zaak der afscheiding te veel heeft gegeneraliseerd.
De heer Sterkenburg zou meer samenwerking begeeren en sluit zich dus aan bij het gesprokene door ds. Lammerink.
Ds. Bruijn meent dat referent de verschillende begrippen over de Kerk verward heeft en dat hij niet genoeg onderscheiden heeft tusschen wezen en welwezen, tusschen het organisme en het instituut der Kerk. Ook vraagt hij of er bij ons, zooals dit van zekere zijde altoos beweerd wordt, sprake is van afscheidingsbeginselen en of wij de afscheiding van 1834 niet hebben te beschouwen als een oordeel Gods.
De Voorzitter meent nog dat referent in zijn referaat te veel den nadruk gelegd heeft op de verkiezing en te weinig op het Verbond.
Als nu bekomt de referent gelegenheid de gemaakte opmerkingen te beantwoorden. Spreker zegt in antwoord aan den Voorzitter dat de leer van het Verbond en van de Kerk z.i. niet verward mogen worden, dat de Kerk alleen de opdracht heeft om het Verbond aan te bieden en te bewaken;
aan ds. Lammerink dat zijn opmerkingen buiten het referaat omgingen en dus ook buiten de lijn van beantwoording liggen;
aan den heer Hoek dat volgens den Heidelbergschen Catechismus de Kerk een gemeente is die God zich ten eeuwigen leven heeft uitverkoren;
aan den heer Smit dat deze hem heeft misverstaan, aangezien spr. de Kerk niet heeft genomen zooals zij is, maar zooals zij wezen moet;
aan ds. v. Binsbergen dat, omdat het wezen der Kerk nog altoos is in de Hervormde Kerk, hij deze als Instituut ook nog als een wezenlijke Kerk beschouwt;
aan den heer van Mourik dat het oordeel van de geschiedenis over de afscheiding niet gunstig luidt; en
aan ds. Bruijn dat een eerlijk mensch op zijn woord moet geloofd worden en dat men dus in weerwil van onze duidelijke uitspraken van het tegendeel niet mag volhouden dat onze beginselen afscheidingsbeginselen zijn; ook spr. gelooft dat de afscheiding van 1834 een oordeel Gods over onze Kerk is geweest.
Nadat de Voorzitter den spreker en tevens de vragers dank heeft gezegd, doet hij mededeeling van de intusschen gehouden en bekend geworden Bestuursverkiezing. Daaruit blijkt dat de aftredende Bestuursleden ds. Batelaan, ds. Goslinga en ds. Jongebreur allen weer met groote meerderheid herkozen zijn, welke herbenoeming ook door allen weer wordt aanvaard.
Hierop is aan de orde het voorstel van de afdeeling „Rotterdam" betreffende het ter hand nemen van het Evangelisatiewerk in de Noordelijke Provinciën. Dit voorstel wordt namens „Rotterdam" door den Voorzitter toegelicht. Over dit voorstel ontspint zich een uitvoerige discussie waaraan deelnemen de heeren Vroon, van der Veen, Asmus, Bergsman, van Mourik, Langkamp, ds. Batelaan, ds. Enkelaar (Hasselt), ds. Bouthoorn, ds. Binsbergen en ds. Timmer. Resultaat van de besprekingen is dat de vergadering zich met algemeene stemmen in beginsel uitspreekt voor het voorstel „Rotterdam" en de verdere regeling dezer zaak overlaat aan het Hoofdbestuur.
Een tweede voorstel „Rotterdam" betreffende een eigen examen voor Godsdienstonderwijzers komt nu in behandeling, doch aangezien wegens het vergevorderde uur de vergadering begint te verloopen, wordt, nadat enkele heeren hunne instemming ook met dit voorstel betuigd hebben, besloten om de agenda af te breken, en ook deze zaak verder aan het Hoofdbestuur over te laten.
Bij de rondvraag wordt door ds. Bouthoorn nog het denkbeeld in overweging gegeven om, aangezien anders niet alles kan afgehandeld worden, voortaan wat vroeger te beginnen, welk denkbeeld door het Hoofd bestuur nader overwogen zal worden. De heer Langkamp zou in de middagvergadering meer controle wenschen over wie lid is van den Bond.
Nadat de Voorzitter in de Commissie tot nazien van de rekening van den Penningmeester nog benoemd heeft ds. van Montfrans en ds. van der Wal, en in een kort slotwoord allen die tot het welslagen van deze aangename vergadering hebben meegewerkt, heeft bedankt, wordt de 22e jaarvergadering door hem gesloten met het doen zingen van Ps. 84: 4, waarna op zijn verzoek ds. Benes, van Maarssen, voorgaat in dankzegging.
Moge ook deze welgeslaagde vergadering onzen Bond ten zegen zijn geweest.
J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's