KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (18)
Laat ons hier invoegen die artikelen van de Grondwet, die op ons onderwerp betrekking hebben.
Art. 168. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
Art. 169. Aan alle Kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
Art. 170. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
Art. 171. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust. Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.
Art. 172. De tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden.
Wanneer men deze artikelen 168—172 ook maar oppervlakkig leest bemerkt men aanstonds, dat de Overheid hier te lande zich op het standpunt heeft geplaatst: v r ij h e i d v a n g o d s d i e n s t v o o r i e d e r (mits „de godsdienst" van deze of gene geen gevaar voor den Staat of de burgers des lands oplevert) en g e l ij k r e c h t v o o r a l l e K e r k e n. Maar dan tegelijk (in art. 172) een bepaling, dat de Overheid verplicht is aan de onderscheidene gezindheden, die in 1815 geld uit de schatkist trokken, (en dus waarlijk niet alleen aan de Ned. Herv. Kerk) die zelfde gelden te blijven uitkeeren — zoolang deze Grondwet er is.
Met die oude regeling wilde men den nieuwen tijd ingaan. Waarom? Och —de traditie, dat de Overheid voedsterheer der Kerk was, wilde men gedeeltelijk bewaren; het belang, dat de Staat kon hebben bij den godsdienst, verloor men niet uit het oog en de moeilijkheden, die uit een principieel andere regeling zouden ontstaan, vreesde men. Die uitbetalingen aan de onderscheidene godsdienstige gezindheden (en dus waarlijk niet alléén aan de Ned. Herv. Kerk) berusten op allerlei en op niets. Op allerlei, want men sprak van „uitkeeringen uit de schatkist voor vroegere vervreemding van pastoralia enz." maar dan vergeet men, dat er in art. 172 niet alléén sprake is van de Ned. Herv. Kerk, maar van onderscheidene godsdienstige gezindheden.
Voor de Roomsche Kerk, voor de Luthersche Kerk enz. geldt art. 172 al. 1 dus evengoed als voor de Herv. Kerk. En daarom is in art. 171 al. 1 ook volstrekt geen recht gelegen voor de Herv. Kerk, maar er ligt eenvoudig in, dat de Overheid, zoolang deze Grondwet er is, aan de onderscheidene godsdienstige gezindheden zal blijven betalen, wat ze tot nu toe betaald heeft; waarbij de Overheid dan volgens art. 172 al. 2 de vrijheid heeft (geenszins de v e r p l i c h t i n g) om zoo hier en daar er nog wat bij te doen uit 's Rijks schatkist; welke laatste uitkeeringen ze ook weer kan terugnemen als ze wil (wat niet kan met de uitkeeringen volgens art. 172 al. 1 z o o l a n g d e z e G r o n d w e t b e s t a a t).
Het recht der Kerken (Roomsche, Luthersche. Hervormde Kerk enz.) ligt dus alleen in de formuleering van de Grondwet (art. 172). Blijft de Grondwet geformuleerd zooals ze nu is, dan b l ij f t ook de uitkeering aan de Roomsdhen, Lutherschen, Hervormden, Remonstranten, Doopsgezinden, Joden. Wordt de Grondwet eventueel veranderd, dan worden ook die uitkeeringen uit 's Rijks schatkist veranderd of vallen weg, zoowel voor de eene als voor de andere „godsdienstige gezindheid."
Men verliest deze dingen maar al te vaak uit het oog!
En dan beroept men zich, vooral van Hervormde zijde (met name de confessioneelen a la Kromsigt), nog wel eens op art. 172 al. 2, zeggende: de Overheid is verplicht om nieuwe predikantsplaatsen (van de Herv. Kerk) financieel te steunen. Maar laat men niet vergeten, dat er in al. 2 van art. 172 van verplichting geen sprake is, doch alleen van bevoegdheid; maar dan van bevoegdheid heusch niet alleen ten opzichte van de Herv. Kerk, neen, van „de onderscheidene godsdienstige gezindheden" die er in 1815 waren (en die er sinds dien tijd gekomen zijn, hoewel die niet nader worden aangeduid; en daarom dient de Grondwet ten opzichte van heel deze geschiedenis gewijzigd, om nu, in 1927, duidelijk te laten uitkomen, wat men wil: de onderscheidene godsdienstige gezindheden die er zijn subsidieeren of niet subsidieeren).
Zooals nu de zaak geformuleerd is, wil de Overheid nog zoo'n beetje voedsterheer van de onderscheidene Kerken spelen (niet van één Kerk, maar van de o n d e r s c h e i d e n e godsdienstige gezindheden), maar dan liefst onder de leuze „laten zitten, wat zit", zonder de w e r k e l ij k h e i d onder de oogen te zien en zonder de rechtvaardigheid te betrachten. Heeft de Staat vroeger goederen genaast, zij heeft aan den anderen kant groote sommen uit de schatkist bijgepast. En zoo is de Staat blijven betalen aan de Roomschen, Remonstranten, Lutherschen, Doopsgezinden, Hervormden, Joden — tot op dit oogenblik; terwijl de Staat zich om de Geref. Kerken, Christ. Gereformeerden enz. niet bekommert.
Dat is natuurlijk geen regeling, die het recht betracht! Daarom moet heel de kwestie van de financieele verhouding van Staat en Kerk eindelijk eens onder de oogen gezien worden en moet worden uitgemaakt of de Staat de Kerken zal subsidieeren of dat de Kerken op zich zelve zijn aangewezen zonder subsidie uit 's Lands schatkist.
Kiest men voor 't laatste, dan moet orde gesteld worden op 't geen de Staat tot nu toe aan de bestaande godsdienstige gezindheden uitbetaald heeft en nog uitbetaalt — waarna dan de subsidiëering een einde kan nemen. Is het eerste 't geval, dan moet de Overheid de onderscheidene godsdienstige gezindheden met geld uit 's Rijks schatkist helpen en blijven helpen, maar dan in 1927 niet alleen Roomschen, Hervormden, Lutherschen, Remonstranten, Doopsgezinden en Joden — maar alle kerkelijke gezindten die er zijn en die voor de Overheid gelijke rechten en aanspraken hebben, ook wat betreft 's Rijks financiën.
Bloot op art. 172 van de Grondwet steunt nu het vorderingsrecht der Kerk. Roomschen, Lutherschen, Hervormden, Remonstranten, Doopsgezinden, Joden zullen moeilijk voor den rechter iets anders kunnen aan voeren dan art. 172, indien zij den Staat in rechte zouden aanspreken. Daarom staan de zaken niet zoo veilig voor die Kerken als menigeen (en dan vooral onder de Hervormden) het wil laten voorkomen.
Kwam er Grondwetsherziening in radicalen vorm, waarbij de verplichting van den Staat om de onderscheidene bestaande godsdienstige gezindheden financieel te steunen, dan zouden de Kerken er weinig aan kunnen veranderen en het vorderingsrecht van de Kerken tegenover den Staat zou niet veel en niet sterk wezen! Vandaar dat door velen onder ons sinds jaren er op aangedrongen is, dat de zilveren koorde tusschen Staat en Kerk zal worden losgemaakt, maar dan niet. zonder schadeloosstelling aan de Kerken.
Hierin moest men niet langer talmen.
Want zal men in de toekomst er van verzekerd zijn, dat die schadeloosstelling eventueel gegeven zal worden? Zegt de geschiedenis van Rusland, van Hongarije, van Duitschland, van Mexico ons in deze niet hoe de wind waait, als de democratie aan 't woord komt?
Zeker, ons goede land is gelukkig nog een ander land dan bovengenoemde landen. In de Grondwet van 1922 heeft alsnog de gedachte van 1815 weer haar beslag gekregen Maar wij zijn het eens met hen, die aanraden, dat de Kerken er bij de Overheid op zullen aandringen, dat er kapitaalsuitkeering zal plaats hebben, opdat de Kerken over eigen goed eigen recht en eigen beheer verkrijgen. Wie zich zelf kan betalen staat altijd sterker dan wie door een ander moet betaald worden. Want ja, men kan zeggen, zoolang de Staat allerlei inrichtingen subsidieert, zooals opera's en sportvereenigingen, zal hij ook de Kerkgenootschappen wel blijven subsidiëeren. Maar ten eerste is het de vraag of dat wel inderdaad zal geschieden, indien men de opera en de sport bemint maar den godsdienst en de Kerk uit den booze acht; en ten tweede betwijfelen we, of de Kerk op een dergelijke gelijkstelling met opera en sportvereeniging gesteld moet zijn! Wij vermoeden, dat het de eere van de Kerk van Christus te na komt. En 's Heeren Kerk is, meer nog dan andere vereenigingen, er beter aan toe, wanneer zij haar eigen goed beheeren kan, dan te leven van de gunst van de Overheid. In zich zelve heeft zij van haar Hoofd, Jezus Christus, zoo veel hoogers ontvangen, dan de Staat haar geven kan uit 's Rijks schatkist! Een principiëele regeling in deze is en blijft gewenscht, waarbij men het karakter en het wezen van de Kerk in het oog moet houden en ook moet verstaan wat de roeping van de Overheid is.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's