FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
DE SMID VAN GRIJSDORP
20)
Dan moest vader helpen, zij drongen bij hem aan: „Of pa dan niets wist van Jozef en David en den Heere Jezus?" Hij durfde niet vertreden wat zijn zuster in de harten zijner kinderen gezaaid had, of hij wilde of niet, hij moest met hen zingen, de versjes die hij ook in zijn jeugd geleerd had: »Er ruischt langs de wolken«, »Opent uwen mond« en »Heer, ai maak mij Uwe wegen«; hij moest met hen spreken van Hem, wiens dienst hij zoo lang had verwaarloosd en wiens woord hij had veracht.
Zijns vaders waarschuwingen had hij in den wind geslagen, over de raadgevingen en lessen van zijn oude grootmoeder heimelijk gelachen, maar nu waren de kleine handjes zijner kinderen bezig de deur van zijn hart open te trekken, en hij durfde hen niet afslaan. Hij zag er meer en meer het werk in van Hem, die ook door kleine kinderen soms veel kan doen en uit hun mond Zich lof bereidt.
Hoofdstuk IV.
Nieuw onderzoek.
Het liep al in het laatst van den herfst eer de eigenaar van den Beukenhof ter jacht kwam, zooals hij elk jaar deed. Wellicht om het wild niet al te veel speelruimte te geven (ofschoon anderen daar ook wel voor zorgden) had hij vele gasten meegenomen, meer dan andere jaren wel.
Men mocht dat wel in Grijsdorp. Bij zulke gelegenheden moest er heel wat naar den Beukenhof gebracht; bakkers, slagers, winkeliers hadden extra verdiensten, want mijnheer Schippers was royaal en »kon het goed doen«. Aan de klopjachten die gehouden werden, kwamen gewoonlijk vrij wat mannen te pas, die een goede daghuur verdienden. Onder de gasten waren de advokaat Van Hoeven en de jonge baron van Wijck Doornenburg, bij de dienstbaren op den hof goede bekenden. Wat »jonker Frans«, zooals de ouderen hem nog altijd noemden, op het goed zijner voorvaderen, dat niet meer het zijne was, kwam doen, was slechts zeer weinigen bekend; o.a. »oude Geertje«. Haar had hij opgezocht met Van Hoeven en zij hadden veel met »omoe« en tuinman Van Leeuwen te spreken gehad.
Er werd toch een nieuw onderzoek ingesteld naar de kostbaarheden van de familie, die, zooals wij verteld hebben, nadat de oude baron gestorven was, verdwenen bleken. Mh. Van Hoeven had zijn belofte aan oude Geertje: iets voor de freules te zullen doen, gehouden, en dat niet zonder eenige vrucht. Hij was bij de freules geweest en had van de dames gehoord welke kostbaarheden dat waren, wat zij er van wisten en of zij ook eenigszins konden vermoeden wanneer en hoe die zoek waren geraakt?
Er waren o.a. bij twee parelsnoeren, door de oude barones menigmaal bij feestelijke gelegenheden gedragen en later voor hare twee dochters bestemd. Zij waren van bijzonderen vorm en bijna gelijk; de middelste parel werd vastgehouden door een gouden handje en aan dat handje hing een medaillon. Het eenige verschil was, dat het eene medaillon versierd was door een kruisje van roode steentjes en het andere een kruisje had van diamantjes. Deze sieraden waren oude erfstukken, van het eene geslacht op het andere overgegaan.
Kort na dat bezoek te Velp werd Van Hoeven bizonder verrast. Hij was met zijn vrouw te Amsterdam op een groote partij geweest en had daar een dame gezien, die een parelsnoer droeg precies gelijk aan dat door de freules beschrevene; het was dat met de roode steentjes. Vergissing was niet mogelijk, het was het verloren geraakte of een dat er naar vervaardigd was. Van Hoeven stond er verbaasd over. Het was , dan ook wel, zooals de menschen zeggen, bizonder toevallig. Toen oude Geertje er later van hoorde, noemde zij het een beschikking Gods.
Voorzichtig deed advocaat Van Hoeven onderzoek, toen hij vernomen had, wie de dame was. Zij was de echtgenoot van een groothandelaar te Amsterdam. Alleen zeer rijke dames konden ook een dergelijk parelsnoer dragen. De advocaat zond zijn vrouw op informatie uit en onder voorgeven een dergelijk snoer zoo mogelijk te willen koopen, werd deze gewaar dat het gekocht was bij een bekend juwelier der hoofdstad. Zelf ging Van Hoeven dien juwelier opzoeken om zoogenaamd zulk een parelsnoer voor zijn vrouw te koopen. Hij werd welwillend ontvangen, maar schijnbaar teleurgesteld : »Ik kan U dat niet leveren, mijnheer, hoe gaarne ik het zou willen. Zoo iets is zeer zeldzaam, misschien eenig. Ik heb het voor een groote som gekocht van een ouden heer, een baron uit Friesland. Hij noemde zijn naam ook, maar ik herinner mij dien op het oogenblik niet, en al deed ik dat, 'k zou hem niet noemen. Het was blijkbaar een familie-erfstuk, dat uit nood verkocht werd. Het gebeurt meer, dat men soms uit geldverlegenheid van dingen afstand doet, die men anders gaarne behield. Dergelijke zaken worden dan ook met kieschheid behandeld. Hoewel de oude heer het niet verzocht, heb ik toch eerst getracht het in het Buitenland te verkoopen, maar dat gelukte niet, en later is het, zooals U reeds weet, door Mh. M. gekocht«.
»Was die oude heer baron van Van Doornenburg uit Grijsdorp? «vroeg Hoeven onverwachts.
De juwelier zag hem met eenig wantrouwen aan, en zeide: »U schijnt er meer van te weten, dan U eerst voorgaf, meneer en ......«.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's