MEDITATIE
Een moeilijke, smartelijke en toch zalige Dienst. (Vervolg en Slot)
Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Mattheüs 16 vers 24b.
De dienst des Heeren is een moeilijke dienst, want het eerste dat allen, die achter Jezus willen komen, leeren moeten, is verloochening van zichzelf. Maar de dienst des Heeren is ook een smartelijke dienst. Immers het tweede dat allen, die achter Jezus willen komen, leeren moeten is, dat zij hun kruis op zich nemen. De Heiland spreekt hier dus van een kruis. En als wij over een kruis hooren spreken, dan denken we onmiddellijk aan allerlei rampen en tegenspoeden, aan allerlei krankheden en smarten, die 't deel van alle menschen en zeker niet het minst het deel van al Gods kinderen zijn.
En o, dan zijn er wat kruisen, en wat verschillende kruisen, nietwaar? Men heeft wel eens gesproken van lichamelijke en geestelijke kruisen, van openbare en verborgen kruisen, van algemeene en bijzondere kruisen.
Met geestelijke kruisen worden dan bedoeld alle ziekten en kwalen, pijnen en benauwdheden waarmee de mensch in zijn lichaam te worstelen heeft. O, wie zal ze tellen de krankheden en smarten waaraan het menschelijk lichaam onderworpen is en daar onder zoovelen die nog wel wat verzacht, maar toch nooit meer genezen kunnen worden.
Met geestelijke kruisen worden dan bedoeld alle aanvechtingen en verzoekingen, die het zieleleven van den mensch niet zelden benauwen. We denken daarbij aan allerlei booze en zwaarmoedige gedachten, die in het hart des menschen kunnen opkomen, aan allerlei bestrijdingen van het geloofsleven; o wat kan het een zwaar kruis zijn als we met Zion soms klagen moeten: de Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten; mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijnen God voorbij. Wat kan het een zwaar kruis zijn, als het schijnt dat de hemel van koper is, zoodat er geen gebed door kan en als er dientengevolge ook gebrek is aan troost en aan vrede, aan moed en aan kracht.
Met openbare kruisen worden natuurlijk bedoeld die kruisen, die ook voor anderen te zien zijn. Immers daar zijn zoo van die dingen in ons leven, waarvan ook anderen weten dat zij ons leven benauwen, waarvan het schier voor niemand verborgen is dat wij er onder gebukt gaan; maar daar is ook menig verborgen kruis, waarvan schier niemand weet dat het ons drukt, waarmee we vaak alleen in de eenzaamheid worstelen en waarvan niemand weet dan wij zelf èn God.
Dan zijn er ook algemeene kruisen. Dat zijn de lasten die we met vele anderen, soms met alle menschen, gemeen hebben. Immers daar zijn dingen, die alle menschen gezamenlijk drukken, waaraan niemand zich ont worstelen kan. Daar hebt ge b.v. het kruis des doods. »Wie leeft er die den slaap des doods niet eens zal slapen, Wie redt zijn ziel van 't graf«? Maar daarnaast zijn er ook bijzondere kruisen. Dat zijn kruisen, die we ieder afzonderlijk hebben te torsen. Bekend is de uitdrukking: ieder huis heeft zijn kruis, en ieder hart kent zijn smart. En ongetwijfeld ligt er ook veel waars in, wat er gewoonlijk aan toegevoegd wordt, dat als alle kruisen bij elkaar gebracht werden en een ieder dan het lichtste er uit mocht zoeken, hij dan altoos weer met zijn eigen kruis huiswaarts zou gaan.
Maar nu wordt er in ons tekstwoord gesproken van een o p n e m e n van zijn kruis. Om ons kruis echter op te nemen, moeten wij het eerst als een kruis hebben gezien. En ziet, dat is het nu, waaraan het zoovelen ontbreekt. Vele menschen praten wel over een kruis dat ook door hen gedragen moet worden, maar zij beschouwen het lijden, de smart, de pijn en al het leed des levens dat hen neerdrukt, eigenlijk niet als een kruis. Immers wat is een kruis? Op die vraag kan de herinnering aan Jezus' kruis ons het beste antwoord verstrekken. Dat kruis immers was het beeld van den vloek, het beeld van den vloek die vanwege de zonde over ons kwam. Welnu, zoo is 't ook met alle kruisen die God op onzen weg heeft gelegd. Zij zijn het zinnebeeld van den vloek, zij zijn de doornen en distelen die door de door God vervloekte aarde zouden voortgebracht worden. En nu komt het er maar op aan of wij ze ook als zoodanig beschouwen. Zien wij in al het leed dat ons drukt, in al de pijn die we lijden, in al de smart die we doorstaan, in al de teleurstellingen die ons treffen, in al den hoon en den smaad die ons aangedaan wordt, in al de tranen die we schreien, in al de zuchten die we slaken, zien we in dat alles reeds den vloek Gods die vanwege de zonde over ons kwam? Dan eerst zien wij in al deze dingen een kruis, dan eerst zien wij in al deze dingen ons kruis; dan eerst zie ik in dat alles mijn kruis en ziet gij in dat alles u w kruis.
En dan eerst kan er ook pas sprake zijn van een opnemen van dat kruis. Maar juist het opnemen van dat kruis maakt den dienst des Heeren tot zulk een smartelijken dienst. Immers juist dat opnemen van dat kruis gaat niet zonder smart. Neen, het was geen wonder dat Simon van Cyrene er toe gedwongen moest worden. Of moeten ook wij tot het opnemen van dat kruis niet gewillig worden gemaakt? Uit of van onszelven toch dan doen we eigenlijk net het omgekeerde van opnemen. Als God dan een of ander kruis op ons legt, dan zijn wij geneigd om het, als we maar konden, van ons af te werpen. Het kruis en dan nog al ons eigen kruis op ons nemen, dat doen we niet, dat willen we van nature niet doen. En toch is het een eisch die aan allen, die zich aan den dienst des Heeren verbinden, wordt voorgelegd. Jezus heeft het met zoovele woorden in ons tekstvers gezegd: die neme z ij n kruis op. Alle komen achter Jezus houdt dus in dat wij het kruis op ons nemen dat de Heere voor ons heeft bestemd.
En weet ge hoe dat opnemen van dat kruis nu alléén mogelijk is? Neen, dat is niet mogelijk door eenige kracht die van nature in u of in mij gevonden zou worden. Als wij het dan ook zelve moesten doen, dan nemen wij het kruis niet op ons; dan dragen wij het wel omdat wij het mo e t e n dragen, omdat God het ons opgelegd heeft en wij het nu eenmaal niet van ons af kunnen werpen. Maar het kruis op ons nemen, dat is alleen mogelijk door de kracht des geloofs, dat is alleen mogelijk door te zien op Christus, die het kruis heeft gedragen en de schande heeft veracht. Alléén door het geloof in Hem, alléén door het zien op Hem aanvaarden wij het kruis dat God voor ons heeft bestemd. En daarom dat ons oog toch gericht mocht zijn op dien grooten Kruisdrager, die het zwaarste aller kruisen eens droeg. Dan zal ons belijden van Jezus gepaard gaan met een op ons nemen van het kruis dat Hij ons te dragen geeft, en dan zal ons kruis, hoe zwaar het op zichzelf misschien ook zijn moge, toch altoos weer licht worden in vergelijking met dat geheele eenige kruis, waar aan de Overste Leidsman eenmaal op Golgotha is geklonken geweest.
De dienst des Heeren een moeilijke dienst, want het is een dienst waarin men zichzelf verloochenen moet.
De dienst des Heeren een smartelijke dienst, want het is een dienst waarin het kruis moet worden opgenomen.
Maar is een dienst die moeilijk en smartelijk is dan niet een dienst, die allen die zich er aan verbinden willen, moet afschrikken? En is dan het gevaar niet groot dat vooral jonge menschen van dien dienst zullen zeggen: maar zulk een dienst begeer ik niet; zulk een dienst die moeilijk en smartelijk is laat ik aan anderen over; vooral als daar de schijnbaar gemakkelijke en schijnbaar vreugdevolle dienst dezer wereld tegenover staat?
Ziet, om dit te voorkomen wijzen we u op den dienst des Heeren in de derde plaats ook als op een zaligen dienst. En die zaligheid bestaat juist in het volgen van Jezus, waarvoor de Heiland dan verder onze aandacht vraagt.
»En volge Mij«, dat immers is de laatste eisch die Jezus aan hen, die achter Hem komen willen, heeft voorgelegd. Nu is dat volgen van Jezus, zooals een onzer ouden het eigenaardig heeft uitgedrukt, een volgen op den kerkweg, een volgen op den kruisweg en een volgen op den kroonweg. Wij kunnen het ook zoo zeggen: het is een volgen van Hem als hoogsten Profeet, eenigen Hoogepriester en eeuwigen Koning. In de eerste plaats moeten wij Jezus volgen als onzen hoogsten Profeet. D.w.z. als wij achter Jezus aan komen, dan moet ons leven een bekennen, een belijden van den Naam des Heeren zijn. Dat is immers ook Zijn leven geweest. Heel zijn leven en sterven is een verkondigen geweest van Gods deugden en volmaaktheden. Heel zijn verschijning was een hemelsche lichtglans bovenal van Gods heiligheid en rechtvaardigheid, maar ook van Zijn barmhartigheid en genade. En als wij nu Jezus volgen, dan is ook ons leven, en dan zal eenmaal ook ons sterven een flauwe afstraling daarvan zijn. Ja, dan wenschen ook wij verkondigers te zijn van de deugden desgenen, die ons getrokken heeft uit de duisternis en overgezet in Zijn wonderbaar licht. En is dat niet zalig, als wij aan deze zijde des grafs reeds getuigenis geven mogen van de hope die in ons is; als wij het hier reeds mogen uitroepen: zulk een is mijn liefste, ja, zulk een is mijn vriend; als wij er hier reeds van zingen kunnen: Hij heeft mijn ziel gered van den dood, mijn oogen van tranen, mijn voeten van aanstoot ? En zal het niet zalig zijn als 't straks in de ure des doods onze zwanenzang zal kunnen wezen:
Jezus, Uw verzoenend sterven,
Blijft het rustpunt van mijn hart?
Zou dat niet een zaligheid wezen, waarop de wereld met jaloerschheid kan nederzien? Zou de dienst der wereld dus ooit te vergelijken zijn met het volgen van Jezus?
Maar als wij Jezus volgen, dan moeten we Hem ook volgen als onzen eenigen Hoogepriester. D.w.z. dan moet ons leven eigenlijk in een offeren, in leen geven van onszelven bestaan. Dat is immers ook het leven en het sterven van Jezus geweest. Hij heeft zichzelven gegeven tot een offer, tot een slachtoffer voor onze zonden. Heel Zijn verschijning hier op aarde heeft in het teeken gestaan van het geven, van het vernederen, van het ontledigen, van het vernietigen van zichzelf. En als wij Jezus volgen, dan moet ook ons leven en straks ook ons sterven weer een flauwe afstraling daarvan zijn. Niet wat het zoenoffer betreft. O neen, aan het »volbracht« op Golgotha behoeft niets meer toegevoegd te worden. Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. Maar als wij Jezus volgen, als Jezus dus door Zijn Geest in ons hart, in ons leven een gestalte verkreeg, dan zal er in dat leven ook iets van Zijn dankoffer moeten afstralen; dan is er dus ook iets van dat geven van het onze en bovenal van dat geven van onszelf.
En is dat niet zalig, dat wij ons geven mogen? Is het niet zaliger te geven dan te ontvangen? Zou er geen zaligheid liggen in dat dienen der liefde? Is het niet zalig om ook in dat geven, in dat offeren van zich zelf een volgeling van Jezus te zijn?
Maar als wij Jezus volgen, dan moeten wij Hem ook volgen als onzen eeuwigen Koning. D.w.z. dan moet ons leven ook in een strijden èn in een overwinnen bestaan. Of is dat ook weer niet het leven en het sterven van Jezus geweest? Ja, Hij heeft gestreden, zooals nooit iemand gestreden heeft. Maar Hij heeft ook overwonnen, zooals nooit iemand overwon. De achter ons liggende Paaschdagen hebben weer getuigd van die roemrijke overwinning, die Hij op dood, graf en hel heeft behaald. Ja, Hij heeft de sleutelen der hel en des doods. Hij is het die op Zijn kleed en op Zijn dijen den naam van Koning der koningen en Heere der heeren geschreven heeft staan. En als wij Jezus volgen dan moet ook ons leven en straks ook ons sterven een flauwe afstraling daarvan zijn. Dan moet ook ons leven wezen een strijden van den goeden strijd des geloofs, een aandoen van de volle wapenrusting Gods, een voortdurende kamp tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht En niet alleen van strijd, maar dan zal ook ons leven de kiemen in zich dragen van die overwinning, die eenmaal volkomen zal zijn. En zou het niet zalig wezen te strijden onder een Koning, die reeds als overwinnaar uit het strijdperk trad? Zou het niet zalig wezen om straks de palmtakken te dragen van een overwinning, waarop in der eeuwigheid geen oorlog meer volgen zal?
Ja, inderdaad, het volgen van Jezus maakt den dienst des Heeren tot een zaligen dienst. Immers wie Jezus volgt, volgt Hem dopr de duisternis naar het eeuwige licht; langs het kruis naar de eeuwige kroon, door den dood naar het eeuwige leven, door den nacht naar den eeuwigen morgen, door de smart naar de eeuwige vreugd.
Wat dunkt u, is uw leven ook al een volgen van Jezus? O weet, dat ook dat volgen alleen mogelijk is met den voet des geloofs. En daarom is dit de vraag, die we tenslotte aan uw conscientie gaan voorleggen: is er reeds een band des geloofs, die u aan Jezus verbindt? Neen, we vragen niet hoe sterk die band wel is, en we vragen u niet of gij over het ontstaan en het bestaan van dien band veel kunt vertellen. We vragen u alleen: voelt gij dat er een band ligt tusschen Jezus en u, een band, dien gij voor niets ter wereld meer zoudt willen verbreken? Laat het u dan steeds te doen zijn om versterking van dien band en verzuim dan het middel niet dat u daartoe ook aan den disch des Verbonds geboden zal worden.
»Zoo iemand achter Mij wil komen«. Is dat uw wensch, is dat uw begeerte, is dat door genade ook uw bede geworden, bedenk dan dat de dienst des Heeren is een moeilijke dienst, want het is een verloochenen van uzelf; bedenk dan ook dat de dienst des Heeren is een smartelijke dienst, want het is een opnemen van uw kruis. Maar is het niettegenstaande het moeilijke en het smartelijke toch uw vurigste begeerte om in den dienst des Heeren te staan, bedenk dan ook dat de dienst des Heeren is een zalige dienst, want het is een volgen van Jezus, het is een volgen van het Lam overal waar het heengaat, eerst in den dood, maar daarna ook in het leven, eerst in de duisternis, maar daarna ook in het licht.
Welgelukzalig als door het geloof in Christus dat uw hope mag zijn. Dan kunt gij zingen:
Die hoop moet al ons leed verzachten,
Komt, reisgenooten, 't hoofd omhoog;
Voor hen die 't heil des Heeren wachten
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid, niet af te meten,
O vreugd die alle smart verbant,
Daar is de vreemd'lingschap vergeten
En wij, wij zijn in 't Vaderland.
V. J.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's