KERKELIJKE RONDSCHOUW
Hoe is de samenstelling van de Synode.
Telkens lezen we nu weer, dat er door de Provinciale Kerkbesturen leden van de Synode benoemd zijn. Dat doet de vraag naar voren komen: hoe wordt de Synode elk jaar samengesteld?
Laat ons dit antwoorden: De Algemeene Synode is samengesteld uit 13 predikanten en 6 ouderlingen of oudouderlingen, afgevaardigd door de Provinciale Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken. Behalve die 19 leden hebben nog zitting met adviseerende stem: de secretaris en de quaestor; en met pre-adviseerende stem twee kerkelijke Hoogleeraren uit twee verschillende Universiteitssteden. In 1927 zijn prof. Brouwer van Utrecht en prof. van Nes, te Leiden, aan de beurt.
De Provinciale Kerkbesturen van Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland en Groningen vaardigen elk jaar elk twee leden af, soms 2 predikanten, soms ook één predikant en één ouderling; zóó, dat ze samen zeven predikanten en drie ouderlingen afvaardigen. Dit zijn provincies met meer dan 150 predikantsplaatsen.
De Provinciale Kerkbesturen van Zeeland, Utrecht, Overijssel, Noord-Brabant met Limburg (vormende één provinciaal kerkelijk ressort), Drenthe en de Waalsche Commissie vaardigen elk één predikant (altijd) en bij beurtwisseling tezamen drie ouderlingen af; zoodat deze provincies en de Waalsche Commissie nu eens 1 en dan weer 2 afgevaardigden zenden.
Nu in 1927 heeft de afvaardiging van ouderlingen plaats door: Groningen, Noord-Holland, Friesland, Overijssel, N.-Brabant met Limburg en Drenthe. Het gevolg is, dat nu voor 1927 Gelderland 2 pred., Zuid-Holland 2 pred., Noord-Holland 1 pred. en 1 ouderl., Zeeland 1 pred. (en geen ouderl.), Utrecht 1 pred. (en geen ouderl.), Friesland 1 pred. en 1 ouderL (verleden jaar 2 pred.), Groningen 1 pred. en 1 ouderl., N.-Brabant en Limburg 1 pred. en 1 ouderl., Drenthe 1 pred. en 1 ouderl. (verleden jaar 1 pred.) en de Waalsche Commissie 1 pred. afvaardigt.
Door deze regeling (vaste rooster) komt het, dat men nu telkens berichten leest, dat een predikant-lid der Synode vervangen is door een ouderling-lid. Ook kan het omgekeerde plaats hebben, b.v. in Gelderland, dat verleden jaar 1 pred. en 1 ouderl. zitting hadden, terwijl er nu 2 predikanten worden afgevaardigd.
Wat de richtingskwestie aangaat, kunnen er telkens wijzigingen plaats hebben naar rechts of naar links.
Zoo lezen we, dat het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland in de plaats van den modernen ds. C.J. Niemeijer van Bolsward, den orthodoxen ouderling H.M. Tromp, burgemeester van Wymbritseradeel, heeft gekozen (wonende te Sneek) en tot diens secundus den heer E. Jansen, leeraar aan de Chr. H.B.S. te Leeuwarden. Zulke dingen zijn natuurlijk van belang en kunnen bij eventueele voorstellen aan de Synode van beteekenis zijn.
Indien we ons niet vergissen, zal de Synode van 1927 er ongeveer als volgt uitzien:
Gelderland 2 orthodoxe predikanten; Z. Holland 2 orthodoxe predikanten; Zeeland 1 orthodox predikant; Utrecht 1 orthodox predikant; Friesland 1 orthodox predikant (ds. D. Zoete van de Lemmer) en 1 orthodox ouderling (de heer Tromp); Overijssel 1 orthodox predikant + 1 ouderling; Noord-Brabant 1 orthodox predikant + 1 ouderling; samen 9 orthodoxe predikanten + 3 orthodoxe ouderlingen = 12 orthodoxe leden.
Hierbij komt dan Noord-Holland met 1 modern predikant + 1 orthodox ouderling (emef. pred. Idenburg, van Amsterdam); Groningen met 1 modern predikant + 1 modern ouderling; Drenthe met 1 modern predikant + 1 modern ouderling en de Waalsche Kerken met 1 modern predikant. We hadden dus 12 orthodoxe leden, daarbij komt nog 1 orthodox ouderling uit Amsterdam, maakt saam 13. Daar naast komen dan 4 moderne predikanten + 2 moderne ouderlingen, is saam 6 moderne Synodeleden.
Het opmerkelijke is dus, dat Friesland dit jaar 2 orthodoxe leden zendt; Noord-Holland naast den modernen predikant een orthodoxen ouderling; terwijl Noord-Brabant en Limburg meer en meer naar rechts omgaat en — als we ons niet vergissen — naast den orthodoxen predikant ds. Bloem, van Chaam, een orthodoxen ouderling uit Ginneken afvaardigt.
De Waalsche Commissie — die altijd modern is — vaardigt dit jaar maar één lid af. De Kerkelijke Hoogleeraren zijn dit jaar ook beiden orthodox. We kunnen niet zeggen, dat we er in de Synode op achteruit gaan.
En waar bij de Algemeene Synode de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht is, daar zij ons gebed tot God, dat in den middellijken weg het goede voor onze Ned. Hervormde Kerk mag worden gezocht door ons hoogste Kerkbestuur. Neen, wij vinden in heel de Synodale organisatie ons ideaal niet, integendeel. Maar de Synode is er, de huidige organisatie is er en nu moet ons gebed zijn, dat in den middellijken weg het goede voor onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk gezocht mag worden, ook om weer meer te komen tot een Gereformeerd kerkelijk samenleven. De Kerk zelve kan ook in deze veel doen. Naast bidden staat dan ons werken.
Kerk en Zending.
In 1923 is er een Commissie benoemd, om een ontwerp van Reglement te maken, waarin de lijnen zouden worden aangegeven en de beginselen neergelegd, waarnaar een nader verband tusschen de Ze n d i n g en de Kerk kon worden gezocht en gevonden. De Commissie bestond uit de heeren ds. J. Barbas te Hengelo (Geld.), ds. J.P. van Bruggen te Amsterdam; dr. H. Schokking te 's-Gravenhage, ds. J. Pannebakker te Amersfoort, ds. Joh. Rauws te Oegstgeest, ds. B.J.C. Rijnders te Rotterdam en ds. G.H. Wagenaar te Rotterdam. Nadat herhaalde malen met het Centraal Comité voor Kerkelijke Zending geconfereerd was, is een Reglement voor het Zendingswerk ontworpen, dat aan de Synode is voorgelegd. Bij het opstellen van dit ontwerp is te rade gegaan met de volgende overwegingen:
1. Zendingswerk, uitgaande van de Hervormde Kerk, vindt aansluiting aan Art. 11 van het Algemeen Reglement.
2. De regeling moet beginnen, niet uit de Gemeenten en Classes, van onderen naar boven, om zoo uit de Gemeentelijke en Classicale Zendingscommissies een Algemeenen Zendingsraad te vormen, maar men moet hier van boven af beginnen, waarbij in de eerste plaats het centrale lichaam voor het Zendingswerk onzer Kerk in het leven wordt geroepen, gevolgd door classicale en gemeentelijke organisaties.
3. Het Zendingswerk der Kerk behoort te staan onder bestuur en beheer der Algemeene Synode, deze stelt de regelingen vast, die van fundamenteele beteekenis zijn. De practische dingen komen aan een Commissie van deskundigen.
4. Aan de Zendingscorporaties, die haar werk aan de Ned. Hervormde Kerk overdragen, moeten zooveel mogelijk de waarborgen worden gegeven, dat het werk behoorlijk zal worden behartigd en voortgezet. Ook moet blijken, dat de Kerk, als zij het Zendingswerk ter hand neemt, zulks niet doet met de bedoeling om een greep naar de macht te doen.
5. Bij de organisatie van het Zendingsterrein moet de mogelijkheid openstaan voor geleidelijk toenemende zelfstandigheid.
6. Zij die, hetzij hier te lande, hetzij in Indië, arbeiden in Zendingswerk dat van de Kerk uitgaat, behooren deswege een kerkelijke positie te hebben.
7. Gestreefd moet worden naar een opleiding die breeder en beter is dan nu; zij behoort gelijkwaardig te worden aan de opleiding der predikanten.
Naar de hoofdlijnen van die 7 voorwaarden of beginselen is het Reglement voor het Zendingswerk ontworpen, bestaande uit 71 artikelen.
Bij het doorlezen van het Ontwerp-Reglement hebben we van het 1ste beginsel, dat Kerkelijke Zending zich moet aansluiten bij Art. 11 van het Algemeen Reglement, waarin van de b e l ij d e n i s der Kerk gesproken wordt — niets gevonden.
Wat de 2de kwestie aangaat: de Algemeene Zendingsraad worde gevormd van boven af, is in het Reglement bepaald, dat de A.Z.C. bestaan zal uit ten minste 50 leden, van wie 45 benoemd worden door de 44 Classes en de Waalsche Commissie, elk één. De Synode benoemt er dan 5, saam 50 leden. Benoembaar zijn niet alleen ambtsdragers, maar ook gewone gemeenteleden, zoowel mannen als vrouwen.
De benoeming op de 44 Classicale Vergaderingen en door de Waalsche Reunie geschiedt voor den tijd van 5 jaar uit een voordracht (geen aanbeveling, maar voordracht) van drie personen, opgemaakt door de Classicale Zendingscommissie.
De Synode kiest minstens 5 leden (ten hoogste 20 staat in art. 10); zoo heeft de Synode gelegenheid dadelijk bestuursleden van Zendingscorporaties of bekwame Zendingsmannen in de Commissie te benoemen.
De taak der Algemeene Zendings Commissie is :
1. het vaststellen in groote lijnen van de wijze waarop het werk op het Zendingsveld zal worden gedaan;
2. het inzamelen en beheeren van de financiën der Zending;
3. de regeling van de opleiding enz. ook van de afvaardiging, enz.;
4. het wekken en verdiepen van de liefde voor het Zendingswerk, enz.;
5. het aanstellen van vaste secretarissen hier te lande en op het Zendingsveld, waarvoor alleen academisch gevormde personen in aanmerking komen. (De secretarissen zullen ongeveer de plaats vervullen, die bij de Zendingscorporaties door de Zendingsdirectoren wordt bekleed).
6. Jaarlijks doet de A.Z.C, aan de Algemeene Synode verslag over het afgeloopen kalenderjaar.
In aansluiting aan de Algemeene Zendingscommissie is dan verder bepaald:
»In elke Classis en in het ressort der Waalsche Gemeenten bestaat een Classicale Zendingscommissie«. (Zie Tweede afd. art. 18). De leden worden benoemd door de gewone Classicale Vergadering enz.
De taak der Classicale Zendingscommissie omvat:
1. het verzamelen van gelden voor het Zendingswerk; 2. het organiseeren van wat door de Gemeenten, tot de Classis beihoorend, gezamenlijk moet worden gedaan, 3. de bevordering van plaatselijke Zendingswerkzaamheid in de Gemeenten, binnen het Clasicaal ressort; 4. de financieele verzorging van die Zendingsressorten welke haar door de Algemeene Zendings Commissie zijn toevertrouwd; 5. het opmaken van een voordracht van drie personen voor de benoeming van een lid van de Algemeene Zendings Commissie.
In aansluiting aan de Classicale Zendings Commissie volgt dan de G e m e e n t e l ij k e Zendings Commissie, die benoemd wordt door den Bijzonderen Kerkeraad en die uit ten minste 5 leden bestaat, waarvan zoo mogelijk 2 kerkeraadsleden en 3 gemeenteleden. (Mannen zoowel als vrouwen zijn verkiesbaar).
Men voelt, dat de bedoeling van het Reglement is: wat Kerkelijke Zending heet moet ook Kerkelijke Zending z ij n, waarom de Kerk ook de leiding krijgt. De Kerk wil niet alleen collectante zijn, maar wil ook besturen. Naast de Algemeene Zendings Commissie wordt dan èn classicaal èn gemeentelijk gewerkt, wat in het Reglement is voorgeschreven voor alle classes en voor alle gemeenten. Zoo wordt het werken voor de Zending van bovenaf kerkelijk gemaakt.
(Wordt voortgezet).
Erkenning van den nooddoop.
't Is en blijft uitzondering; maar toch gebeurt het wel eens een enkele maal, dat onder „nood" omstandigheden de doop gevraagd wordt voor een kind; b.v. bij stervensgevaar, in huis of ziekenhuis dan onder buitengewone omstandigheden te bedienen door een predikant, vergezeld van een ouderling. Zoo'n „nooddoop" is dan geoorloofd; en wordt een kind, dat onder zulke buitengewone omstandigheden gedoopt is, ongedacht beter, zoodat het opgroeit, dan wordt zoo'n „nooddoop" erkend en is er geen sprake van, dat zulk een kind nog eens „officieel" gedoopt moet worden. We zijn geen weder-doopers.
Nu schijnt zich echter een geval van „nooddoop" te hebben voorgedaan bij een protestantsch kind, onder heel bizondere omstandigheden. Ergens was een kind geboren, waarvan men dacht, dat het sterven ging. En toen heeft een Roomsche vroedvrouw, buiten medeweten en zonder toestemming van de moeder, het kind gedoopt. Dat heeft die vrouw natuurlijk gedaan uit bezorgdheid voor het kind, dat sterven ging en waarvan zij dacht, dat zij het niet mocht onthouden, wat dat kind voor de eeuwigheid noodig heeft, volgens haar Roomsche opvatting. Maar met dat al is iets gebeurd, wat in onze protestantsche gezinnen — vooral buiten medeweten van de ouders onbehoorlijk — niet toelaatbaar is. Tegen zulke dingen — hoe goed ook bedoeld misschien — moet dus ons protest en onze waarschuwing uitgaan.
Daarbij doet zich nu de vraag voor (veronderstellend, dat het kind niet sterft, maar in leven blijft) of zulk een nooddoop, bediend buiten weten der ouders, door een Roomsche baker, geldig is in onze Geref. Kerk.
En dan zouden we zeggen: neen!
Want altijd zijn in deze onze Geref. Kerken ruim geweest in opvatting. De nooddoop in de Luthersche Kerk toebediend werd door onze Geref. Vaderen erkend bij overkomen naar de Geref. Kerk. En daarom ook de nooddoop in de Roomsche Kerk, zoodat wanneer zoo'n kind vroeg of laat overkwam naar de Geref. Kerk geen wederdoop geëischt of toegediend werd.
Er is wel eens verschillend hierover gedacht onder de Gereformeerden, maar „de Heraut" merkt op, dat V o e t i u s zoo'n nooddoop toch erkend wilde zien. (Voetius. Pol. Eccl. t. I, pag. 65). Ook prof. Rutgers heeft zich op dit standpunt geplaatst in zijn „Kerkelijke Adviezen" (II, blz. 101).
„De Heraut" merkt hierbij verder op:
„De praktijk onzer Geref. Kerken is geweest, dat, wanneer een Roomsche of Luthersche zich bij ons wilde aansluiten, men geen onderzoek ging instellen, of zulk een persoon in zijn Kerk den gewonen doop dan wel den nooddoop ontvangen had, maar zijn doop zonder meer erkende als geldigen doop."
„Maar wel", zoo vervolgt „de Heraut", „hebben onze Kerken er stipt aan vastgehouden, dat zulk een nooddoop aan kinderen in onze Kerk bediend, vooral wanneer dit geschied was door een vroedvrouw (en dus door iemand die niet in het ambt stond en dus niet van Christus tot doopen geroepen was) als geen doop moest worden beschouwd. Zoo heeft De Synode van Dordt 1574 p. vr. 10 op de vraag haar gedaan : „of men een kind van een vrouw gedoiopt, in de Kerk zal doopen? ' geantwoord met: „Ja, overmits dat v r o u w e n d o o p g e e n d o o p is." Evenzoo op de Synode van Dordt 1578 p. vr. 29; ZaI men den Doop van waarde houden zal aan een privaat persoon bediend? Antwoord Neen!"
„Er kan dus", zegt „De Heraut", „geen twijfel over bestaan, dat in het hier bedoelde geval de toegediende doop niet als doop door onze Kerk erkend kan worden en het kind, alsof het nog niet gedoopt was, den doop behoorde te ontvangen".
Vrouwendoop — al of niet met toestemming der ouders — is dus in de Geref. Kerken altijd beschouwd als geen doop.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's