SCHRIFT- VERKLARING
Ik beveel u voor God, die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis getuigd heeft: Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus. 1 Tim. 6: 13 en 14.
90) 1. Timotheüs.
H e t g e b o d h o u d e n, o n b ev l e k t e n o n b e r i s p e l ij k. Wij naderen het eind van onzen brief. Dit blijkt uit het indrukwekkende slot, waarvan de eerste woorden hierboven staan. Evenals een smid op hetzelfde aanbeeld slaat, zoo heeft de apostel steeds met ernst aangedrongen op het bewaren van het Evangelie der genade, het éénige Evangelie. En nu in 't eind komen er nog een paar krachtige slagen! Timotheüs en allen die in den wijngaard des Heeren werkzaam zijn, moeten het goed weten dat de zuiverheid van het Evangelie, onder den zegen Gods, het welzijn der gemeente uitmaakt.
Het is wel duidelijk dat de apostel zelf zeer veel waarde hecht aan wat hij nu zegt. Immers besluit hij in het eind van het zestiende vers, nog vijf verzen vóór het eigenlijke slot, met het woord „amen".
Wij zijn dus gekomen tot een zeer gewichtig slotstuk.
En deze overweging brengt ons tot de juiste verklaring van het woord »gebod«. Hiermede kan in dit verband niet anders bedoeld zijn dan de geheele Christelijke heilsleer, zooals wij dit ook reeds gehad hebben in het vijfde vers van het eerste hoofdstuk. Het Grieksche woord is ook niet geheel juist weer te geven door »gebod«. 't Beteekent eigenlijk een »aanhoudende opdracht«. In ieder geval is het ruimer dan het enge woord »gebod«.
Inderdaad komt dan ook het Evangelie der genade in den vorm van een gebod, een aanhoudende opdracht tot den mensch. Het kan immers bezwaarlijk eene Evangelieprediking genoemd worden als daarin niet de eisch van bekeering en van het geloof in Jezus Christus in het middelpunt staat. Natuurlijk kan bij de Bediening des Woords niet elk element van een goede. Gereformeerde prediking op een goudschaaltje worden afgewogen. Er hangt zooveel af van den tekst, uit welken de leeraar het Evangelie put. Maar er zal moeilijk een tekst of een geschiedenis in den Bijbel zijn aan te wijzen, waarin de »bevelende zijde« gemist wordt. Bevat zoo'n woord b.v. op zich zelf niets anders dan heerlijke toezeggingen voor de geloovigen, voor hen die zich bekeerden, dan ligt de eisch der bekeering er dik op. 'k Hoorde eens een prediker over de noodiging van den Heiland spreken: »Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven«. 't Ging enkel en alleen over de »vermoeiden en belasten«. Met geen woord werd gehandeld over de noodiging zelf. 't Scheen wel of de woorden »komt tot Mij« er niet stonden. Hèt belangrijkste van den tekst werd dus weggelaten, terwijl de prediker zoo heerlijk had kunnen aantoonen dat het lieflijke Evangelie der genade in den vorm van een gebod tot ons komt. Maar zulke woorden als »komt tot Mij« zijn zeer moeilijk voor hen die alleen in het lijdelijke willen blijven.
Toch heeft iedere consciëntieuze prediker, die het nauw neemt met het Woord van God, de geheele Schrift aan zijn zijde als hij het Evangelie predikt in zijn aanhoudenden eisch. Wij spreken dan ook van den geopenbaarden w i l van God aangaande onze verlossing. Als dan ook de Heilige Schrift spreekt over het geloof, dan doet zij dit steeds in bevelenden zin, en stelt het geloof voor als eene zaak, waarin de mensch zelf werkzaam is. Versta wel, niet de mensch met zijn eigen natuurkrachten, maar met de geestelijke krachten der wedergeborenen. Het geloof wordt ons werkelijk niet als een rijpe vrucht, als een gave Gods in den schoot geworpen. De eenige tekst waarin het schijnt dat het geloof als een gave ons van God geschonken wordt en die zoo gaarne door lijdelijkheids-menschen daartoe wordt aangehaald, is Efeze 2: 8: Want it genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. En vergeet dan dat »gave« niet terugslaat op het geloof, maar wel op het »zalig worden«. Het zalig worden is niet uit den mensch, niet uit de werken, maar is een gave Gods, n.l. het zalig worden dat door het geloof geschiedt. Die woorden »door het geloof«, in tegenstelling met »uit de werken«, duiden op de krachten des Heiligen Geestes in den wedergeborene, en spreken dus juist het tegenovergestelde uit van wat de lijdelijkheids-menschen in dezen tekst zien willen. Ook hier is het weer het gebod, de aanhoudende opdracht, waarmede het Evangelie tot ons komt — Het is zeer goed mogelijk en ook vaak noodzakelijk dat over den weg gesproken wordt waarop de mensch tot het ware geloof komt, zoodat tot bemoediging en onderwijzing van de klein-geloovigen de kenmerken van het geloofsleven genoemd worden, maar tenslotte is het toch: gij, o mensch, moet gelooven! Dit is de korte zin van de lange rede! De drenkeling rnoet ten slotte den reddingsgordel aangrijpen, die hem wordt toegeworpen. De reddingsgordel grijpt hèm niet. In het geestelijke leven is het zóó, dat den wedergeborene alle noodige krachten voor dat aangrijpen geschonken worden, maar in die krachten is hij dan ook zelf werkzaam en grijpt het heil aan dat in Christus Jezus hem geschonken wordt. Welnu, terwille van dien zelf werkzamen mensch moet de eisch van het Evangelie flink en krachtig gebracht worden. Het bevel mag niet verdoezeld! Het licht moet niet verduisterd. Het Evangelie van Gods oneindige liefde in Christus Jezus komt tot ons in den vorm van een gebod. Men doe aan dat »gebod« dan ook niets tekort.
Dit »gebod«, d.w.z. de geheele leer van het Evangelie, moet nu onbevlekt en onberispelijk gehouden worden. Maar hierover een volgenden keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's