FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
21)
»Dat is ook zoo, mijnheer, excuseer me, dat ik zoo wellicht uw ongenoegen opwekte en laat ik nu in vertrouwen u zeggen, dat ik voor genoemde familie een onderzoek instel naar verdwenen sieraden, die zij gaarne terug hadden. Ik ben blij te vernemen, dat de oude baron het zelf verkocht heeft. Dat is van groot belang; er was vermoeden dat zij op de een of andere wijze gestolen waren. Nu komen wij wellicht ook de andere op 't spoor«.
»De andere?«
»Ja, er was nog een dergelijk parelsnoer, en andere kostbaarheden«.
»Daar weet ik niet van, ik heb slechts dit eene gehad en er nooit iets van vernomen dan van u«.
»Het kan zijn, dat die elders verkocht zijn. Zoudt u mij soms nog kunnen zeggen wanneer het ongeveer in uwe handen is gekomen? De oude baron is een jaar of zeven geleden gestorven«.
»Zeven jaar? Dat kan, ik zal het even nazien, zulke zaken worden in een afzonderlijk boek genoteerd«. De juwelier nam een boek uit de brandkast, zocht daar een oogenblik in en zei: »; Hier heb ik het al, 't was de 3de October 18«.
»Dank u zeer, mijnheer, u hebt de familie een dienst bewezen; u kunt er verzekerd van zijn dat deze dat op prijs stelt en van wat ik hier hoorde een voorzichtig gebruik zal worden gemaakt, dat veroorlooft u toch?«
»Zeker mijnheer, als het nog ergens voor dienen kan«.
»Nogmaals dank, mijnheer«, en van Hoeven ging heen.
Dit bezoek was aanleiding dat de freules later aan oude Geertje schreven en om eenige inlichtingen vroegen. Die brief kwam gelijk met dien van Hein. Daarom was de jonge baron ook in Den Haag bij Hein en Rika geweest, en eveneens was dat de oorzaak dat hij nu op den Beukenhof gelogeerd was.
Zij geloofden namelijk niet, dat hun vader, had hij uit nood al één parelsnoer verkocht, de andere sieraden ook zoo verdwenen waren, zonder dat hij er hun iets van gezegd had.
Voor het laatst in dat jaar hadden de heeren van den Beukenhof een klopjacht gehouden. Nog laat zaten zij gezellig bijeen. »Jonker Frans« was reeds den vorigen dag vertrokken. Zijn bezoek op het landgoed zijner vaderen had een ander doel dan om te jagen. Hij had dat doel echter niet bereikt, maar was teleurgesteld. Hoe aangenaam het hem ook was geweest de plaats zijner geboorte, waar hij opgegroeid was en waaraan voor hem zoovele herinneringen waren verbonden, weer te zien, er was toch ook veel dat hem min of meer pijn had gedaan. Hoe was het huis veranderd; inzonderheid inwendig; hij herkende het nauwelijks. Vooral de kamers van zijn vader waren als 't ware geheel verdwenen, om voor nieuwe plaats te maken. Nauwelijks had hij den heer van Hoeven kunnen duidelijk maken, hoe ze te voren geweest waren, de slaapkamer, en de zoogenaamde bibliotheek, waarin zijn vader zoo gaarne vertoefde en waaruit zeer waarschijnlijk op de een of andere wijze de familiestukken verdwenen waren, zonder dat het opgelost kon worden, hoe.
Dat hadden zij trachten te doen, en daarom alles zooveel mogelijk nagegaan, om zich een voorstelling te maken op wat wijze deze dingen konden verdwenen zijn. Oude Geertje herinnerde zich zeer duidelijk het parelsnoer en andere sieraden, door de oude barones bij feestelijke gelegenheden gedragen, maar ook zij kon zich niet voorstellen waar zij gebleven waren. De heeren hadden den notaris van Groenhuizen, die jaren lang de zaken van »de Beukenhof« mee behandeld had en ook de verkooping gehouden, een bezoek gebracht en met hem uitvoerig de zaak besproken. Vele papieren waren nagezien en onderzocht, om zoo mogelijk te vinden waar de oude baron, indien hij al de sieraden had verkocht en dat zooals met het parelsnoer kort voor zijn dood, dan toch het geld voor gebruikt kon hebben, maar zij ontdekten geen nieuw licht.
»'t Is zeer jammer«, zei van Hoeven tot den heer Schippers, die samen uitrustten bij den haard van de vermoeienissen der jacht, »dat wij voor den baron en de freules geen gunstig resultaat hebben gevonden. Ik kan er nu niet meer aan doen. De zaak blijft een raadsel, dat wellicht nooit opgelost zal worden«.
»GeId kan spoedig verdwijnen«, antwoordde de eigenaar van den Beukenhof, »vooral als er geleefd wordt zooals vroeger hier de familie van Wijck Doornenburg. De uitgaven waren veel meer dan de inkomsten, en als dat jaar op jaar zoo gaat, loopt het vast. Er is niet meer aan te doen; het spijt mij ook. Wij zullen het dus maar laten rusten«.
Maar ofschoon de heeren het onderzoek geheim wilden houden, er was toch iets van uitgelekt. Langzaam ging er een gerucht door het dorp, dat de oude gesprekken van vóór 7 jaren weer te voorschijn bracht. Er werd hier en daar repetitie gehouden van hetgeen er bij het sterven van den ouden baron en het verkoopen van den Beukenhof was behandeld.
Ook in de herberg, of liever kroeg, "De witte haas", werd er des avonds, toen de laatste klopjacht gehouden was, over gesproken. Die kroeg behoorde aan Douwe Schipper ook wel »zwarte Douwe« genoemd, omdat hij zwart haar had, dat zeer onordelijk onder zijn pet vandaan kwam, wijl het al zeer zelden met kam en borstel in aanraking kwam.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's