De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Des ontfermenden Gods

6 minuten leestijd

Zoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Romeinen 9 vers 16.

Welk eene troostrijke waarheid is dat! Oogenschijnlijk niet. Op den klank af is de leer van Pelagius, de Remonstranten en de Ethischen veel bekoorlijker. Volgens deze hangt onze behoudenis immers grootendeels af van ons zelven. Van eigen goeden wil. Maar stel eens een enkel oogenblik, dat onze zaligheid afhing van eigen willen en loopen, wel dan kwam nooit iemand binnen. Als het van ons loopen afhing, dan bleven we allen tot het einde toe op den breeden weg ten verderve, waarop wij van nature wandelen.
Wanneer onze zaligheid afhing van ons willen, dan waren alle menschen een prooi van het eeuwig verderf en onherroepelijk verloren, want onze wil deugt niet. Die is verkeerd en boos van onze jeugd af aan. 'Uit het hart des menschen komen voort booze bedenkingen en doodslagen'.
De Heere Jezus zegt niet, dat er ook liefde of vreeze Gods uit voortkomt. Gelukkig, dat onze zaligheid enkel en alleen voortvloeit uit Gods vrije ontferming. Want anders kwam er geen enkel mensch in den hemel.
Maar nu is er hoop. Nu is er kans op redding. De hooge God is met den mensch, ook met Adams diepen val, niet bedrogen geworden. Hij wist, wat er van Zijn maaksel te wachten was. Van eeuwigheid af. Maar ook in die nooit begonnen eeuwigheid zijn bij Hem reeds gedachten des vredes geweest, en heeft Hij een weg van behoudenis voor gevallen zondaren uitgedacht. En uit enkel vrije liefde heeft Hij in de volheid des tijds Zijnen eenigen Zoon in de wereld gezonden, om voor goddeloozen, voor vijanden, de wet te volbrengen, en voor hen te sterven aan het vloekhout des kruises.
En door Zijnen Geest bekeert Hij zondaren, vernieuwt de harten, maakt vijanden tot vrienden, en alzoo voor den hemel geschikt. Waar zondaren zeggen: Ik heb in de kennis Uwer wegen en in U Zelven geen lust, daar zegt Hij in de vrijmacht Zijner erbarming: Maar Ik heb wel lust in u, en wil u voor eeuwig redden.
Is dat geen heerlijk en troostvol Evangelie?
Het is waar: Deze leer wordt door velen ontkend en geloochend. John Newton vertelt, dat sommige menschen bij het lezen van den Bijbel het negende hoofdstuk van den Romeinenbrief maar overslaan. Doch gij gevoelt het: Dat is toch niet de rechte weg. Romeinen negen is toch ook waar; en ook een gedeelte van den Bijbel. Als wij dat gedeelte van de Heilige Schrift loochenen, dan erkennen wij niet meer geheel Gods Woord en maken wij God tot een leugenaar.
Ook zijn er, die deze leer misbruiken tot hun eigen verderf, en maar zorgeloos voort leven; maar dat zij zoo schrikkelijk en schandelijk misbruikt wordt, is allerminst een bewijs dat zij niet waar is. Integendeel, welke waarheid wordt niet misbruikt? 
En dezulken vergeten één ding; namelijk dit: Dat onze zaligheid niet afhangt van ons willen en loopen, maar onze rampzaligheid, onze eeuwige ondergang, wèl. Deze hangt juist enkel en alleen af van ons loopen en willen. Geheel vrijwillig toch bewandelen wij, als God het niet verhoedt, ten einde toe den breeden weg, die uitloopt op het eeuwig verderf.
Maar maakt deze leer dan geen zorgelooze en goddelooze menschen? Men beweert het. Maar gij kent het antwoord van onzen Heidelbergschen Catechismus: Neen zij, want het is onmogelijk dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Volkomen terecht. Wie heeft van al de apostelen deze leer sterker voorgehouden dan Paulus? Was deze nu zorgeloos of goddeloos? Hij, die naar waarheid kon betuigen: Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen.
Die leer maakt liefdeloos, zegt men. Maar was Paulus dan liefdeloos? Van wien is het woord: Weenende zeg ik, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn? En dat andere: Ik zou wel wenschen verbannen te wezen om mijne broederen naar het vleesch? Is het niet van Paulus? En wie was het ook al weer, die verklaarde dat hij dag en nacht niet opgehouden had een iegelijk met tranen te vermanen? Was het al weer niet Paulus? En is dat liefdeloos? Daar leert men juist met Johannes belijden: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
Men zegt: Zij maakt hoogmoedig. Zoo? Was Paulus dan zoo hoogmoedig? Hij, die verklaarde: Door de genade Gods ben ik, dat ik ben? Die leer werpt juist alle menschelijke hoogten omver en alle trotsche gedachten terneer. Die doet met David juist bidden:
Weerhoud, o Heer! uw knecht.
Dat hij zijn hart niet hecht
Aan dwaze hoovaardij.
Maar, zegt men, dan zou God onrechtvaardig wezen. Zou het waar zijn? Mag de pottebakker met zijn leem niet doen wat hij wil? En mag dan de hooge God met Zijn eigen schuldig schepsel niet doen, wat Hem behaagt?
Indien iemand recht had om God in dezen aan te klagen, dan was het zeker wel Farao. De Heere toch zegt aangaande hem: Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijne kracht bewijzen zou, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gansche aarde. En Farao? Zegt hij : Het is de schuld van God, dat ik zoo ben? Immers, juist omgekeerd: De Heere is rechtvaardig, ik daarentegen, en mijn volk, zijn goddeloos. En dat zal eeuwig de taal in de hel zijn.
Wanneer wij deze leer recht mogen verstaan, Geliefden! dan belijden wij: God is niet verplicht om mij genade te bewijzen. Hij heeft alle recht om mij in de hel te werpen. Ja, dan betuigen wij in diepen ootmoed: Heere!  indien Gij alle menschen in den hemel opnaamt, en mij alleen neerstorttet in den eeuwigen afgrond, dan had ik nog niets in te brengen. Dan zou ik nog eeuwig moeten erkennen dat Gij rechtvaardig zijt en recht handelt. Ja, dat is juist de plek, waar God ons hebben wil.
Maar op die plek wordt dan ook ervaren dat hij, die zichzelven veroordeelt, door God niet veroordeeld zal worden.
Zoolang wij denken: Ik ben te goed voor de hel, zijn wij juist nog naar haar op weg; maar zoodra wij door genade mogen gevoelen: Ik heb de eeuwige rampzaligheid rechtvaardig verdiend, ik ben Gods eeuwigen toorn en den vloek ten volle waardig, staat de groote Ontfermer met uitgestrekte armen gereed om ons te grijpen en te redden. Dan wordt het ervaren, dat Christus kwam om het verlorene te zoeken en te zaligen, het reddelooze te redden, en hellewichten op te nemen in Zijn zaligen hemel.
En dan betuigen wij gaarne: Al was er geen hemel te wachten en geen hel te vreezen, dan zou ik nog niets vuriger begeeren dan Hem te dienen en in leven en in sterven Zijn eigendom te zijn. Langs dien weg, Geliefden, en langs dien weg alleen, worden zielen gezaligd en komt God tot Zijn eer. Dan ook mogen wij het Groenewegen met toepassing op ons zelven wel nazeggen :
Schoon d' aarde moog' verand'ren.
De hemel in malkand'ren
Eens rollen als een doek.
God zal hen, die ten leven
Door Hem zijn opgeschreven.
Nooit delgen uit Zijn Boek.
N e e r 1 a n g b r.                                                                    Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's