KERKELIJKE RONDSCHOUW
De financieele band tusschen Staat en Kerk (19)
Het is bekend, hoe onze Gereformeerde Vaderen, in den bloeitijd, de Overheid nageloopen hebben om Staatssubsidie; om geld uit de Staatskas. Schier bij elk tekort in de Kerkekas, bij elke reparatie van kerkgebouw of pastorie, werd er een beroep gedaan op de Overheid, zelfs met verzoek, dat deze een plaatselijke belasting zoude uitschrijven om het lek te stoppen. Als de Synoden der Gereformeerde Kerken in 1574 —1581 de dringende verbetering der predikantstractementen bespreken, is het eerste en het eenige antwoord op de vraag: hoe de Kerken haar predikanten onderhouden zullen, geen ander dan dit: een request te stellen aan Zijn Excellentie of aan de Hoogmogende Staten.
Men kent de gevolgen! De Overheid nam hoe langer hoe meer alle macht over de Kerken in eigen handen; regelde alle kerkelijke zaken; schreef gebod en verbod naar eigen zin en lust; deed met de predikanten en kerkeraden en synoden wat zij wilde. Een waarschuwing in deze is dan ook nog altijd noodig. Waar de Overheid gunsten bewijst vraagt zij ook rechten en dikwijls wil zij o! zoo gaarne véél, telkens meer en eindelijk alles zelf regelen.
Op zichzelf ligt er geen kwaad in, dat de Overheid de Kerk helpt en steunt. Op zichzelf ligt er geen kwaad in dat de Kerk steun ontvangt van de Overheid. Maar de Kerk is een eigen stichting, de organisatie van een eigen Koninkrijk, en wel van het Ko n i n k r ij k der hemelen. Welk een vernedering als het ééne zelfstandige koninkrijk bij het andere om geldelijken steun zou moeten vragen! Hoeveel te meer dan niet waar het hier het Koninkrijk der koninkrijken geldt, het Koninkrijk Gods.
Nu kan men zeggen: laat het koninkrijk der aarde (de Staat) voor de aardsche dingen der Kerk zorgen. Men krijgt dan een »Staatskerk«. Maar wie kan het eigenlijk van harte begeeren? Temeer, waar de Overheid geen kerkelijk gezag mag bezitten en er in het midden van een volk altijd en overal méér dan één kerkelijke gezindheid is. En daarom is tenslotte het meest te begeeren, wat besloten ligt in de leuze: de vrije Kerk in den vrijen Staat.
Het geven van subsidiën is voor de Overheid zoo moeilijk en het is voor de Kerken zoo gevaarlijk. Staat de Overheid op het standpunt van artikel 172 van de Grondwet en beschouwt zij den godsdienst als een maatschappelijk belang, dan moet zij alle Kerken helpen en bijstaan in het belang van land en volk. En dat brengt de Overheid voor moeilijkheden, die niet te overkomen zijn en voor de schatkist ook te bezwarend konden worden. We moeten niet den weg op met Christus' Kerk van Staatshulp en Staatsbemoeienis! Dat kan ook op een gegeven oogenblik voor de Kerk de ondergang worden, als de Staatshulp plotseling zou worden ingetrokken. Daarom liever een oplossing in de andere richting. Zoo is b.v. in Ierland in 1869 aan de Staatskerk een jaarlijksche flinke vergoeding gegeven door de Overheid met bepaling, dat deze subsidie uit de schatkist elk jaar minder zou worden, om zoo geleidelijk en langzaam geheel op te houden en te verdwijnen. Zoo zou men ook ten onzent kunnen doen.
Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman heeft altijd gezegd: »Een Kerk die subsidiën behoeft, heeft geen reden van bestaan meer. Niet de aard van den Staat, maar het wezen van godsdienst en zedelijkheid verbieden het ondersteunen der Kerkgenootschappen door de Overheid«. (Zie o.m. zijn rede in de Tweede Kamer 11 Mei 1887. Handel. 1887, p. 1630 enz.).
Waarom sprak jhr. Lohman zóó?
Hij zegt het zelf. Want hij liet er op volgen: »Het komt mij voor, dat een Kerk, die pretendeert in het bezit te zijn van zoo groote geestelijke schatten als de Christelijke Kerk, het moest verachten, om gevoed en gesteund te worden door hare bestrijders«.
Zoo sprak ook b.v. de heer de Geer van Jutfaas, die met den heer Lohman, als leden der Staatscommissie van advies voor de herziening der Grondwet een nota in dien zin bij het rapport der Commissie hebben gevoegd. (Mr. J. H. Carpentier Alting. De Staat en de Kerkelijke Financiën. Hoorn, 1886, blz. 153).
We zijn het hiermee hartelijk eens, hoewel deze zaak ook nog wel van een anderen kant kan worden bezien en voor hei welwezen van de Kerk soms hulp van de Overheid heel nuttig en noodig kan zijn. De Kerk in wezen behoeft voor haar bestaan niets meer dan de hulp van haar Hoofd Jezus Christus, Die gezegd heeft: »Ik ben met ulieden, tot aan de voleinding der wereld«. De Kerk mag het immers gelooven: »mij zal niets ontbreken!«
En daarom gelooven we, dat het beste zou wezen, indien de Overheid zoo goed mogelijk ter beschikking van de Kerken stelde in kapitaal wat zij nu in den vorm van subsidiën uitbetaalt. De »bona vacantia«, de bezittingen die indertijd »vacant« geworden zijn en toen door den Staat genaast zijn, zouden op een of andere manier aan de Kerken ten goede kunnen komen, door aan de Kerken b.v. een inschrijving op het Grootboek te verzekeren naar den maatstaf van de rijkssubsidiën, en dan moet de Overheid ophouden om verder uit de schatkist allerlei bijdragen te geven. Misschien dat ook in den vorm van studiebeurzen door de Overheid iets kon worden gedaan ten goede, maar dan natuurlijk naar het beginsel van de Grondwet (art. 168; dat ieder, van wat religie, als burger gelijk is, met gelijke rechten).
Want dat die »bona vacantia« rechtens aan den Staat zijn gekomen vroeger, moet worden betwist. (Zie o.a. Rede bij de aanvaarding van het hoogleeraarschap aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, uitgesproken door jhr. mr. D. G. Rengers Hora Siccama). Met Voetius is prof. Siccama van meening, dat deze goederen die eenmaal »ten dienste der Christelijke Kerk Gode geheiligd waren«, door die bestemming gebonden bleven, behoudens het recht en den plicht der Overheid deze aan te passen aan de wijziging die de Kerk onderging; en in buitengewone gevallen, als het Land in gevaar was, over de goederen te beschikken ten publieken nutte, opdat met den Staat niet tevens de Kerk ten gronde ging«. (Rede, pag. 39, 40, 49).
Voetius' stelling was: dat er ondanks de Reformatie continuïteit was in het recht omtrent de geestelijke goederen. De goederen, Gode gewijd, moeten dus voor de Kerk b l ij v e n. Ze waren voor een heilig doel gegeven en bestemd (ad pios usus), dat moest zoo blijven. En de Overheid moest (en moet) zorg dragen, dat de geestelijke goederen geestelijke goederen bleven (blijven). Voetius geloofde niet, dat er «bona vacantia« waren, die als zoodanig aan den Staat konden vervallen.
Dat hier dus wat valt goed te maken door den Staat aan de Kerken, gelooven wij met velen, die het goed meenen met de Kerk en die het goed meenen met den Staat. Tot een goede afrekening moet het komen; goed en royaal. En dan niet de banden strenger en enger aanhalen tusschen Staat en Kerk. Integendeel: de vrije Kerk in den vrijen Staat.
Daarmee verlangen we volstrekt niet, dat de Overheid godsdienstloos zal wezen. Maar wel, dat de Overheid de Kerk vrij late op eigen terrein, op het terrein waar Christus haar Hoofd en haar Verzorger is. Terwijl de Overheid intusschen op eigen terrein doen moet wat zij als dienaresse Gods op haar, door den Heere haar toegewezen terrein, te doen heeft.
Want ja, het klinkt misschien wel wat vreemd, maar de Staat zal er wèl bij varen als er een kerkelijk leven is, dat krachtig is in zich zelve en dat niet op de been behoeft gehouden te worden door Staatshulp; en daarom is het ook voor den Staat tot nadeel, als hij de Kerk financieel het hopfd boven water houdt.
De Overheid heeft trouwens geen bevoegdheid en geen kennis om in zaken van geloof te beslissen, te steunen of steun te ontnemen; evenmin als de Overheid strafrechterlijk mag optreden inzake het geloof. De Overheid bestelle het recht. Zij moet dat doen als Gods dienaresse. Niet onverschillig en godsdienstloos, maar in gehoorzaamheid aan den Koning der Koningen, Hem ook daarin eerend, dat zij aan 's Konings Kerk een vrije plaats gunne en haar vrij doe leven uit 's Heeren hand.
Overheidsroeping is in deze: de Kerk des Heeren vrij te laten, opdat zij vrij groeie naar haar aard, onder haar Hoofd Jezus Christus.
(Wordt voortgezet).
De samenstelling van de Synode.
Verleden week was het ons nog niet bekend wie als predikant zou worden afgevaardigd naar de Synode door het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland. Zitting had de moderne dominee Eilerts de Haan, een bekende figuur in de Synodevergaderingen. Zou hij herkozen worden? Niemand wist het. Het vermoeden was, dat een orthodoxe dominee voor hem in de plaats zou komen. Maar zeker was 't niet. Nu is evenwel gepubliceerd hoe de zaken staan en het blijkt, dat de rechtzinnige ds. Van Paassen, den vrijzinnigen predikant van Heilo zal vervangen. De verhouding wordt hierdoor voor de orthodoxen nog gunstiger als het al reeds 't geval was; het wordt nu 14 rechts en 5 links. Gunstiger kan het al niet onder de huidige omstandigheden.
Zij het in 's Heeren gunst tot zegen voor de Kerk en moge het als vrucht achterlaten, dat de Herv. (Geref.) Kerk hoe langer hoe meer terug keere tot het Evangelie van Jezus Christus, naar de Schriften!
Doel en Streven.
Wij hebben geen hekel aan een spons. Integendeel, 's Morgens voor de waschtafel vinden we het heerlijk een spons te gebruiken. Maar het valt ons altijd op, dat, wanneer even in een natte spons, breed uitgedijd, geknepen wordt, er veel water uit wegloopt, waardoor de spons in een oogenblikje veel lichter is geworden.
We hebben ten opzichte van onzen Gereformeerden Bond van het begin af aan gedacht aan de spons met haar singuliere eigenschappen: spoedig water opslurpend, om zich breed uit te zetten, maar vlug het water verliezend, als er even in geknepen wordt, zijnde dan veel minder in omvang en in gewicht geworden!
Van onzen Bond hebben we nooit een Spons-Bond willen maken, door vlug ieder op te nemen en alles bij elkaar te scharrelen wat er maar aan »gereformeerd« te vinden was in ons Vaderland. Veel liever hebben we wat minder leden, maar dan ook allen, die het met doel en streven van den Gereformeerden Bond hartelijk eens zijn.
Hierin heeft onze Gereformeerde Bond een geschiedenis. Eerst kon hij als Bond tot vrijmaking der Ned. Herv. Kerken niet op gang komen. We gingen dan ook spoedig ter begrafenis samen op naar Utrecht. Maar we gingen niet naar huis van een begrafenisplechtigheid ..... We keerden naar onze woning terug van een geboortefeest. De Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk was geboren. (8 Febr. 1906).
Deze spruit is nu ruim 21 jaar en, al zeggen we het zelf, het kind mag er zijn; 't Js een flinke jongen geworden.
In het Statuut van den Gereformeerden Bond tot verbreiding enz. is Grondslag en doel in artikel 4 omschreven. Daar lezen we: »De Vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, laatstelijk vastgesteld op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618—1619 gehouden, te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619«.
Er waren natuurlijk hier en daar, ook wel Gereformeerden in de Ned. Hervormde Kerk, die zulke dingen »onzin« noemden in 1906 en het nog met »onzin« betitelen. Nu, zulke menschen, ook al zijn ze gereformeerd, moeten we natuurlijk niet hebben. Als er een schaakclub opgericht wordt, moeten natuurlijk degenen, die van voetbalspel houden en schaken onzin vinden, niet als lid toetreden; dat is zoo klaar als een klontje.
Het doel en streven van den Gereformeerden Bond tot verbreiding enz., is altijd geweest, dat menschen die in de Hervormde Kerk in 1870 of 1900 of 1905 geboren zijn, in 1906 of 1926 of 1930 zouden willen mee doen in het midden van die Herv. (Geref.) Kerk de Waarheid naar Schrift en belijdenis te verbreiden en verdedigen, opdat die Herv. (Geref.) Kerk, die in 1906 allesbehalve als een pilaar en vastigheid der Waarheid stond in het midden van ons land en volk, misschien, onder Gods zegen, in 1930 of 1940 daar méér gelijkenis mee mocht hebben, gefundeerd als Herv. (Geref.) Kerk op den granietbodem van Gods Woord, zich openbarend naar de beginselen van de belijdenis en de beginselen van de Dordtsche Kerkorde.
Dat is het doel van den Gereformeerden Bond; dat moet ons aller streven zijn. Niet de Hervormde Kerk verlaten als de valsche Kerk en niet zich voegen bij een andere Kerkgemeenschap. Ook niet probeeren, om er — zooals de matrozen van het schip, waarop Paulus zich bevond, wilden doen — met een groep van Gereformeerden straks van door te gaan en de Ned. Hervormde Kerk als een rotte appel achter te laten, zelf zich als een nieuwe Gereformeerde Kerk institueerend.
Niets daarvan!
Doel en streven van den Gereformeerden Bond is om in de Hervormde Kerk zijnde, in de Hervormde Kerk te blijven en niet ons groepje veilig te stellen op een afzonderlijke plaats, maar mee door ons blijven en door ons werken, door de verbreiding en verdediging der Waarheid, de Ned. Hervormde Kerk in haar geheel te dienen en haar in Gods kracht en in 's Heeren Naam, naar Gods Woord, terug te roepen tot de oude paden, welke zij in den loop der jaren, mee door de zondige nalatigheid van onze Gereformeerde Vaderen, schandelijk verlaten heeft.
Nu zullen er velen zijn, die zeggen: dat is »onzin«. Welnu, die moeten zich dan natuurlijk niet blameeren door lid van onzen Gereformeerden Bond te worden of te blijven. Er zijn er, die het anders en beter weten. Welnu, die moeten dan natuurlijk zelfstandig zich organiseeren en het maar toonen, dat ze het anders en ook beter weten te doen.
Er zijn er, die zeggen: de Gereformeerde Bond is dan Confessioneel, en daarom moesten de Geref. Bonders maar bij de Confessioneele Vereeniging zich aansluiten.
Welnu, dezen lieden antwoorden wij: ja, wij zijn Confessioneel, omdat we ons stellen op den bodem van Schrift en belijdenis; maar we sluiten ons niet aan bij de Confessioneele Vereeniging, omdat we wel de Hervormde Kerk opeischen voor den Heere en Zijn dienst, naar uitwijzen van Zijn Woord en naar de beginselen van de Dordtsche Kerkorde, maar, om maar één ding te noemen, inzake de leuze »Volkskerk« verschillen we. En omdat er hier zoo ontzaglijk veel misverstand heerscht, loopen we daar niet overheen. En ook het streven voor Overheidstaak, Overheidshulp en Overheids bemoeiing inzake Kerk en religie, kan ons allerminst bekoren, zooals de Confessioneele Vereeniging à la ds. Lingbeek c.s. dat drijft en voorstaat. Daarbij voelen we ons te midden van al die drijverij inzake den Gezangenbundel in het midden van de Confessioneelen, waarvan de meesten zeggen, dat wij den Christus niet verkondigen, omdat we geen »gezang« laten zingen, ons allerminst thuis.
We hebben ons dan ook afzonderlijk georganiseerd èn in den Gereformeerden Zendingsbond én in den Gereformeerden Bond èn in den Jongelingsbond én in den Meisjesbond èn in den Knapenbond — allerminst om met een groep naast of tegenover de Ned. Hervormde Kerk te gaan staan, maar om, rondom Schrift, belijdenis, Kerkorde en liturgie, de Gereformeerde Waarheid te verbreiden en te verdedigen en zoo in te werken op de Herv. (Geref.) Kerk, opdat deze — de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, waarin wij leven en waarin wij blijven willen, dus — mede daardoor mag komen tot oprichting uit haar diepen val en weder verkrijgen mag hare plaats in ihet midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen.
Zijn er nu, die dit met »onzin« willen betitelen en dit het werk van een groep »stommelingen« noemen? Welnu, wij zullen er ons hartelijk in verblijden, als zulke menschen zelf aan 't werk gaan en het anders en beter doen. Maar dan moeten ze den moed hebben om het ook zelf aan te pakken en te doen naar eigen program.
Wij blijven met ónzen Gereformeerden Bond dan intusschen doorwerken naar de beginselen van ons Statuut, die bij eerlijke menschen om eerlijke toepassing vragen. Tot nog toe hebben we geen spijt van de oprichting van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging enz. Door alle moeilijkheden heeft de Heere ons heerlijk heengeholpen en voor onze Herv. (Geref.) Kerk is onze Gereformeerde Bond ook nog wel tot een zegen gesteld geworden, naar we gelooven.
Daarom gaan we moedig voort. En we houden de Ned. Herv. (Geref.) Kerk in het oog, om haar terug te roepen tot »Schrift en belijdenis«. Waarbij natuurlijk de moeilijkheden niet ontbreken en ook in de toekomst niet zullen ontbreken.
Maar dan hebben we als ontrouwe kinderen van ontrouwe vaders eerlijk te erkennen en te belijden, dat de moeilijkheden er niet zijn om het Kerkverband te verbreken en de Ned. Herv. (Geref.) Kerk aan zich zelve over te laten. Maar dat de moeilijkheden er zijn, om. ook óns te boodschappen, dat wij, evengoed als anderen, de treurige gevolgen zullen moeten dragen, om intusschen saam het goede te zoeken voor de Herv. (Geref.) Kerk, naar de beginselen van de Heilige Schrift, van de belijdenis en van de Dordtsche Kerkorde. Wat honderd jaar en langer verwaarloosd is, laat zich nooit in één oogenblik herstellen.
En dan moeten we kiezen: of wegloopen met een mond vol verwijten? aan het adres van de Kerk en de Synode, of blijven, maar dan mee de gevolgen dragen en werken voor het doel van Kerkherstel, zooals dat in artikel 4 van ons Statuut omschreven is. Wij hebben geen recht ons afzonderlijk te stellen, alsof wij beter zijn dan anderen en alsof wij vrij zouden komen van de gevolgen der zonde. Dagelijks zullen wij de ellende met smart moeten gevoelen en intusschen het goede zoeken voor de Kerk onzer Vaderen. Wij willen dus ook geen cent voor onzen Gereformeerden Bond ontvangen, als het niet gegeven wordt voor dat doel. Wij willen geen gymnasiasten of studenten helpen, dan alleen met dat doel voor oogen.
Hierin heeft de Heere ons nu 21 jaar gezegend. In dezen weg wenschen wij ook voort te gaan; volhardende bij ons ideaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's