De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Een volslagen mislukking.
De Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw heeft onlangs op een paar vragen van eenige leden uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, betreffende de naleving van den stemplicht bij de in 1925 gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan dezen tak van de volksvertegenwoordiging belangrijke mededeelingen gedaan.
De eerste vraag liep over de aantallen kiezers, die, op de kiezerslijst voorkomende, hun stemplicht niet zijn nagekomen. Op deze vraag antwoordde de Minister, dat in de 18 kieskringen, waarin het Rijk is verdeeld, niet minder dan 284.820 personen van de stembus zijn weggebleven. Of om dit voor enkele kieskringen in een verhoudingscijfer duidelijk te maken, is gebleken, dat in de kieskringen Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage respectievelijk 12, 9 en 12 procent der kiezers zonder excuus zich aan den stemplicht hebben onttrokken.
Wat is er nu met deze 284.820 kiezers gebeurd? Daarop ziet de tweede vraag, die bedoelt te weten te komen, hoeveel van de kiezers, die hun stemplicht veronachtzaamden, van hun burgemeester een uitnoodiging hebben ontvangen om zich deswege te verantwoorden en hoeveel er onder dezen waren, die voor hun verzuim een geldige reden hebben aangevoerd.
Ten aanzien van deze vraag zegt de Minister, dat van de 284.820 weggebleven kiezers er 171.223 ter verantwoording zijn geroepen. Onder dezen waren er 141.142, die een geldige reden hadden, terwijl 25.545 personen voor den kantonrechterzijn gedaagd geworden.
Met deze laatste mededeeling komt de derde en laatste vraag aan de orde, welke luidt: hoe groot 't aantal personen was die voor den kantonrechter werden opgeroepen, veroordeeld, vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging, onderscheidenlijk buiten strafvervolging werden gesteld met vermelding hoevelen gebruik hebben gemaakt van de hun toegekende bevoegdheid, de strafvervolging te voorkomen, door vrijwillige betaling van een door den ambtenaar van het openbaar ministerie te bepalen geldsom.
Met betrekking tot deze vraag deelt de Minister mede, dat van de 25.545 personen, die voor den kantonrechter werden opgeroepen, er 16.681 zijn veroordeeld, 1533 werden vrijgesproken, aan 1135 geen straf werd opgelegd en 6114 strafvervolging voorkwamen, die door het betalen van de opgelegde boete werden afgekocht.
Wanneer wij deze cijfers, door den Minister verstrekt, en die dus officieel zijn, eens rustig bezien, dan blijkt al dadelijk uit het feit van het wegblijven van bijna drie maal honderdduizend kiezers van de stembus, dat het bekende argument voor het behoud van den stemplicht, omdat daardoor alleen een »zuiver beeld« is te verkrijgen van een evenredige vertegenwoordiging, van hoegenaamd geen beteekenis is.
Ook geven de cijfers 'n beeld van den papieren rompslomp bij de gemeentebesturen. Niet minder dan 171.000 brieven moesten worden geschreven en aan de diverse adressen worden bezorgd. Daarbij bleven nog meer dan honderd duizend kiezers, die aan den oproep, om te komen stemmen, geen gehoor gaven, ongemoeid rondloopen, terwijl een groote 4000 personen, die zich over hun wegblijven hadden te verantwoorden, niet eens opgeroepen werden om voor den kantonrechter te verschijnen.
Al deze dingen wijzen er op, dat de stemplicht een steeds grooter fiasco wordt, waar voor de Statenverkiezing van de vorige, maand weer een nieuw bewijs heeft geleverd.
Dat de eerbied voor de Wet door deze toestanden niet wordt verhoogd, is duidelijk. Evenals dat begrijpelijk is dat een massaveroordeeling van ruim 16.000 personen en een boetebetaling door 6000 mannen en vrouwen voor een zelfde overtreding opgelegd voor een volk niet opvoedend werkt.
Behalve de hierboven verstrekte Ministeriëele gegevens heeft mr. Kan ook nog een opgave verschaft van de kosten, die aan de zaak verbonden waren. Voor de gemeentebesturen moeten de uitgaven bedragen hebben ± ƒ75.000; dit bedrag, dat globaal is genomen, moet, naar de Minister meldt aan den lagen kant zijn. De bedragen, welke ten laste van het Rijk kwamen als gevolg van de oproeping voor den kantonrechter, de proceduren enz. waren, onder voorbehoud omtrent de juistheid dier cijfers, voor rekening van het Departement van Binnenlandsche Zaken en Landbouw ƒ 8200 en van het Departement van Justitie ƒ 200.000. Men ziet, dat behalve de moreele schade welke de stemplicht berokkent, ook de financiëele gevolgen van het onding voor de gemeentekas en voor het Rijk niet gering zijn. Wij hopen dan ook van harte, dat de stemplicht, die meer en meer een bespotting wordt van het kiesrecht, zoo spoedig mogelijk uit de Kieswet zal verdwijnen. Hij heeft zijn tijd verre overleefd.

De S.G.P. en artikel 36 Ned. Geloofsbelijdenis.
II
Over bijna het geheele Artikel 36 is onder ons geen verschil. Over het grondprincipe van Artikel 36 denken we allen hetzelfde. Maar over dat  m i d d e I s  t e  g e d e e l t e, waarin voorkomt, dat de Overheid »de hand moet houden aan den Heiligen Kerkedienst« is nog al wat verschil in opvatting, vooral als er dan komt, dat de Overheid »alle afgoderij en valschen godsdienst moet weren en uitroeien, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen«; en ook als er dan staat, dat de Overheid: »het Koninkrijk van Jezus Christus moet doen vorderen en het Woord des Evangelies overal moet doen prediken«.
Dat zijn kwesties, waarover al heel wat woorden gewisseld zijn: óf »de Overheid het Woord des Evangelies moet prediken« en h o e zij dat eventueel doen moet; óf »de Overheid de hand moet houden aan den Heiligen Kerkedienst« en h o e zij dat eventueel doen moet; óf »de Overheid alle afgoderij en valschen godsdienst moet  w e r e n  en moet u i t r o e i e n« en h o e  zij eventueel die twee dingen »afgoderij« en »valschen godsdienst« moet kennen en beoordeelen, en hoe zij die niet alleen moet  w e r e n, maar óók  u i t r o e i e n.
Vragen te over, onder alle Protestantsche politieke partijen en bij alle Kerkgemeenschappen. Ook de Staatkundig Gereformeerde Partij van ds. Kersten zit natuurlijk met deze dingen. Niet met het begin en niet met het slot van Artikel 36. Daar zitten zij niet mee en daar zitten wij ook niet mee! Maar met dat middelste gedeelte, waar het gaat over de verhouding van de Overheid tot 's Heeren Kerk, over de taak van de Overheid inzake kerkelijke en geestelijke aangelegenheden enz., daarmee zitten wij en daarmee zit ook de Staatkundig Gereformeerde Partij van ds. Kersten. Er was dan ook een Commissie benoemd om dat Artikel 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis eens te bestudeeren en dan straks rapport aan de Partij uit te brengen.
Maar wat is nu geschied? De Commissie is een en andermaal in gebreke gebleven een rapport uit te brengen; ook op de laatste jaarvergadering moest dat worden meegedeeld.
Men zat dus met de zaak in de moeite. Men had blijkbaar geen kans gezien de netelige en moeilijke kwestie behoorlijk op te lossen. Wat volstrekt geen schande is - als men het ook maar eerlijk zegt en erkent. En als men dan ook verder een beetje matig en voorzichtig is in critiek op anderen!
Maar er was geen rapport, omdat blijkbaar de taak wat zwaar en moeilijk was geweest. Evenwel is dat niet eerlijk bekend op de jaarvergadering. En men heeft nu heel de zaak van Artikel 36 in den doofpot gedaan, met de verklaring van ds. Kersten. dat er eigenlijk  n o c h  b ij  h e m, n o c h  b ij  d e  p a r t ij  m o e i l ij k h e d e n  o m t r e n t  A r t i k el  36  z ij n.
Dat is een leugen! En het is niet eerlijk, dat men z'n zwaKheid zóó wil maskeeren en verbergen. Waarom niet royaal gezegd: er liggen hier zooveel vragen en zooveel moeilijke kwesties, dat wij geen kans gezien hebben met een fatsoenlijk afdoend rapport voor den dag te komen — liever dan nu zoetelijk vroom te zeggen: we hebben geen Commissie en geen rapport noodig, want er bestaan voor ons geen moeilijkheden en wij zijn het altijd met Artikel 36 hartroerend eens geweest.
Dat is laf. Ook onwaar.
Wanneer ds. Kersten zegt: »wij hebben nooit een studie-commissie benoemd, omdat we aan Artikel 36 twijfelden. Steeds is het aloude artikel geheel, zonder eenig bezwaar omhelsd en ten grondslag van het program der S.G.P. gelegd« — dan verbloemt hij de zaak, om onder een schoonen schijn te verbergen de vele vragen en de vele moeilijkheden, die bij ds. Kersten en zijn Kerkmenschen en zijn partijgenooten wel degelijk bestaan. Heel dat benoemen van een studie-commissie zou dan ook zoo een paskwil worden! De Staatkundig Gereformeerde Partij van ds. Kersten en ds. Zandt is er dan ook niet af met deze geste.
Zij moeten eens duidelijk, onomwonden zeggen, wat zij theoretisch en practisch van oordeel zijn aangaande het ambt van de Overheid wat betreft:
1. de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst;
2. het weren en uitroeien (dat zijn twee) van alle afgoderij en valschen godsdienst; 
3. het te gronde werpen van het rijk van den antichrist;
4. het doen vorderen van het Konink­rijk van Jezus Christus;
5. het overal prediken van het Woord
Met of zonder studie-commissie moet hierop een antwoord komen. Want we zitten met deze dingen: En daarom hopen we ook dat het zal worden erkend, dat er moeilijkheden zijn en dat men moeite zal doen deze moeilijke kwesties mee te helpen oplossen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's