De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

4 minuten leestijd

1 Timotheüs. Ik beveel u voor God, die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft; Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus. 1 Tim. 6 vers 13 en 14.

1 Timotheüs
1 Tim. 6 vers 13 en 14.  O n b e v l e k t  e n  o n b e r i s p e l ij k. Met het »gebod«, waarvan in dit veertiende vers sprake is, is dus het Evangelie bedoeld, de geheele leer der zaligheid. In het vorige stukje toonde ik aan dat de verkondiging van 's Heeren onmetelijke liefde in Christus Jezus steeds in den vorm van een gebod tot ons komt. De apostel had dus evengoed kunnen schrijven: »dat gij dit Evangelie houdt«. Dat hij het woord »gebod« gebruikte, spoort ons aan den »gebiedenden vorm«, waarin de Heere de Blijde Boodschap kleedt, niet te verwaarloozen.
Timotheüs moet nu het Evangelie van den Heere Jezus Christus »onbevlekt en onberispelijk« houden, bewaren. Dit doelt niet op het Evangelie op zichzelf, alsof Timotheüs er voor moest zorg dragen dat de gansche leer der zaligheid zuiver bleve. Ik stem u toe dat het woord »onbevlekt« zulk eene opvatting wel zou toelaten. Het zou dan kunnen beteekenen dat de prediking zoo moest zijn dat het Evangelie rein, zonder eenige bijvoeging, verkondigd en voorgesteld werd. Op die wijze zou Timotheüs iet Evangelie onbevlekt houden.
Bij deze verklaring echter brengt het woord »onberispelijk« ons in groote verlegenheid, wijl dit alleen kan duiden op het gedrag van een mensch. De uitdrukking »het Evangelie onberispelijk houden« kan alleen beteekenen dat de brenger van de tijding niet te berispen is, hetzij om wijze waarop hij het Evangelie brengt, hetzij om heel zijn gedrag. 
In hun samenvoeging kunnen dus beide woorden slechts bedoeld zijn voor den persoon van Timotheüs, wat betreft zijn leeraarsambt. Hij moest in zijn leeraarsambt onbevlekt en onberispelijk zijn en alzoo het gebod, het Evangelie houden.
Wij hebben ook hier dus weer eene van die vaderlijke vermaningen, zooals wij wel meer in dezen brief ontmoet hebben. Paulus  vond het noodig dit aan zijn geestelijken zoon te schrijven, in het slot van dezen brief. Er waren menschen die het Evangelie gebruikten uit winstbejag, om er een zaakje van te maken. Als Timotheüs b.v. iets dergelijks zou doen, dan zou hij zijn ambt zeer bevlekken en verre van onberispelijk zijn. Daarom heeft de apostel zijn geliefden Timotheüs nog eens plechtig vermaand het gebod onbevlekt en onberispelijk te houden.
Niets stuit ook onder ons zoo zeer tegen de borst dan wanneer een ambtsdrager de heiligheid van zijn ambt vergeet. Een ieder heeft daarvoor wel te waken. Als onze Catechismus zegt dat door onzen godzaligen wandel onze naasten voor Christus gewonnen worden, dan geldt dit in het bijzonder van hen die in het ambt zijn. Als bij deze laatsten geen meeleven met het leed van anderen gevonden wordt, en zij van elken vriendelijken omgang met hun medemensch zich hooghartig onthouden, laat het dan waar zijn dat zij het Evangelie zuiver prediken en voor de zuiverheid daarvan ijveren, hun wandel stuit af: zij tóónen niets van de groote, nederbuigende liefde Gods in Christus Jezus, waarvan zij in hunne woorden spreken. Zoo houdt men wel het Evangelie, maar het geschiedt niet onbevlekt en onberispelijk. Let er maar op, van leeraars die getrouw waren in hun herderlijken arbeid, die weezen en weduwen bezochten in hunne verdrukking en zichzelven onbesmet bewaarden van de wereld, wordt gedurende vele geslachten de zegenende gedachtenis bewaard, in den kring waarin zij hun heerlijk werk deden, terwijl anderen, die alleen des Zondags preekten en voorts het aangezicht hunner schapen niet zagen, al zeer spoedig vergeten werden. Het is opvallend hoe zij, die als herders der gemeente een godzaligen wandel toonen, de conscienties der menschen voor zich winnen, ook al zou men de prediking iets meer belijnd en iets minder »algemeen« wenschen. Hieruit blijkt dat men niet anders verwacht dan dat het ambt versierd worde met eene gedurige toewijding aan het werk, waartoe een ambtsdrager geroepen is. De couranten hebben ons kort geleden medegedeeld dat een orthodoxe kerkeraad zijn vrijzinnigen leeraar aanklaagde, wijl deze in de gemeente niets deed, zijn catechisaties niet hield, van alle huis-en ziekenbezoek zich onttrok. Wij zouden verwachten dat zoo'n kerkeraad er in stilte zich over verheugen zou als zulk een dwaalleeraar maar rustig thuis bleef. Des te minder onkruid zaaide hij. Maar neen! Alle theorie en alle beschouwing gingen hierbij overboord; Men wilde dat ook die leeraar zijn ambt zou toonen in zijn leven. Hoeveel temeer zal dit het geval zijn bij iederen leeraar die het Evangelie predikt. Paulus waarschuwde voor het kwaad. Het tegenovergestelde van dit kwaad is, dat een leeraar niets anders weten wil dan Jezus Christus en Dien gekruist en dit Evangelie versiert met een onbesproken levenswandel, waarin hij zelfs den schijn van het kwaad mijdt, en met een ijver in zijn werk, die in overeenstemming is met den ernst waarmede hij het Woord des Heeren bedient.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's