FEUILLETON
SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
22)
Douwe van der Zijp, zooals hij werkelijk heette, was turfschipper geweest, had goed zijn brood verdiend, maar was aan den drank geraakt, zoodat na eenige jaren »het schip in den schipper was verdronken«. Aan lager wal geraakt, was hij een negotie begonnen in lompen, vellen, oud roest en allerlei rommel, dien men aan hem verkoopen wilde. En ofschoon hij ook daar mee nog genoeg verdiende om zijn huisgezin te onderhouden, de verdienste werd grootendeels in drank omgezet, zoodat zijn vrouw en kinderen gebrek leden.
Maar onverwachts had Douwe een erfenis gekregen; er was juist een herberg te koop (zij stond aan het kanaal, niet ver van de brug af) en deze werd door Douwe gekocht. »Nu kon hij nog beter drinken«, zeide de een; »hij zal een beste klant voor zichzelven worden«, meende een ander, en dat leek eerst ook zoo. Maar de geldduivel won het bij hem van den drankduivel. Hoe meer er kwamen drinken en hun geld verteren bij Douwe Schipper, des te minder dronk hij zelf, zette des daags zijn handel voort, zelfs op grooter schaal dan tevoren, en 's avonds bediende hij zijn klanten en verdiende soms nog meer dan des daags.
Netjes was het er niet in »de witte haas«, vol en vuil meestal de zoogenaamde gelagkamer; ook vol rook en dranklucht, zoodat men bij het weinige licht dat de petroleumlamp, die midden in de kamer hing, gaf, de gasten nauwelijks kon zien, die de kamer ook vol rumoer maakten.
»Wat denken die heeren wel van de Grijsdorpers, dat wij hen bestolen hebben«, riep er een, »zoo slecht zijn wij hier nog niet; dieven hebben wij hier nooit gehad«. »Nou, dat weet ik nog niet, Kees«, zei een ander, »maar 't kan wel dat jij ze niet gezien hebt«. Een algemeen gelach ontstond, want Kees de Beer kon zeer slecht zien, zoodat hij ook niet werken kon, van de gemeente onderhouden werd en alleen Douwe soms in het een of ander nog wat hielp.
»Ze mogen om mij zooveel hazen schieten als ze willen; daar kunnen wij toch niet aankomen, en met die klopjachten wordt nog wat verdiend«. »Dat mag ook wel, Klaas; de heeren willen wel hazen schieten, maar er niet ver om loopen; wij moeten hun de beestjes toejagen«.
»Nou, jij bent ook geen hardlooper, Broekema«. »Dat zeg je goed. Klaas, je weet wel, hardloopers zijn doodloopers; ik zeg maar, die heeren zullen heel wel weten waar het geld van den ouden baron gebleven is; daar moeten ze ons niet mee aankomen«.
»Het gaat niet over geld, Broekema, zij zoeken naar juweelen die weg zijn, heb ik gehoord«.
»Juweelen«, zeg je. »Die zal niemand hier stelen; wat zou hij er mee?«
»Verkoopen, Dirk, wat anders?«
»Dat gaat zoo glad niet; het liep dadelijk bij de politie in de gaten, Kees. Zou jij ze willen koopen, Douwe?«
»Liever velletjes, Dirk, dat is voorzichtiger; maar er zijn in de stad voor dergelijke dingetjes opkoopers genoeg«.
»Zij zijn al verkocht, te Amsterdam, heb ik gehoord«, beweerde Klaas.
»Al verkocht? Wat malen zij er hier dan nog over? Laten die rijke lui hun eigen zaken opknappen; als zij ons maar goed wat laten verdienen; daar zijn ze voor. Dan kan er 's avonds ook nog een borrel op staan. Geef je me er nog een, Douwe?«
»Zeker, de Boer, asjeblieft«.
»Je kondt ook wel een rondje geven Dirk?«
»Dank je. Klaas, denk je dat ik gek ben?«
»Daar hoef je niet gek voor te wezen, een ander doet het ook wel«.
»Nou, ik vanavond niet, doe jij 't maar«.
Zoo ging dat den ganschen avond door; soms was er ruzie, werd er gevloekt en dreigde de een den ander, zóó, dat de kroeg baas veel moeite had er voor te zorgen dat er geen gevecht ontstond, en ze hem den boel niet kort en klein sloegen. Dikwerf ook moest er de politie aan te pas komen en bij het sluitingsuur was er dan vrij wat te doen, vóór dergelijke mannen, die in de kroeg hunne verdiensten zoek brachten en hunne huisgezinnen verwaarloosden, half of heel dronken in hun woningen waren aangeland.
Dien avond inzonderheid; het was zeer donker en er viel dikke sneeuw. Kees zou stellig in het kanaal geloopen zijn, als de veldwachter hem niet in den arm had genomen en thuis gebracht. »Je moest je schamen, kerel, je verdient haast niks en dan nog in de kroeg zitten ook«.
»Ik ben niet dronken, Van der Veen«.
»Dat zie ik wel; anders bracht ik je ook in den bak, maar denk er om, een volgenden keer moet je maar zien wat er van komt«.
Kees ging brommend in huis, zonder zijn leidsman voor zijn hulp te danken.
Het sneeuwde dien ganschen nacht door. 's Morgens was het alles sneeuw wat men zag, ook op den Beukenhof. Dat troffen de heeren slecht; want zij moesten er reeds vroeg door. Er was vrij wat drukte voor zij weg waren, ieder moest een handje helpen. En er was heel wat in en om huis op ruimen, toen zij vertrokken waren. Nu, daar was tijd voor, en haast maakten de meesten niet.
Van Leeuwen en Gerrit echter wel, want zij wilden gaarne vroeg naar huis. Rika toch zou dien dag thuis komen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's