FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
23)
„Riek treft het ook niet, vader", zei Gerrit.
»Het kan in Den Haag wel ander weer wezen, en als er vandaag maar geen dik pak nog bijkomt, kan de trein er wel door. Wij zullen afwachten, Gerrit, en het beste er van hopen. Jansen heeft mij beloofd haar vanavond te zullen halen met het rijtuig, dan behoeft ze in alle geval niet in 't donker het laatste eind te loopen. Wij zullen met ons beiden meegaan, als omoe 't zoolang alleen schikken kan«.
»Omoe verlangt zeer, vader«.
»Jij dan niet, jongen «, vroeg van Leeuwen lachend.
»Nou, of ik, vader, Rick zal heel wat te vertellen hebben. Zou Albert van avond ook mee kunnen om haar af te halen?«
„Nee, Gerrit, dat geeft nog geen pas. Albert moet dan zoolang maar bij omoe blijven«.
»ZaI ik hem dat zeggen, vader?«
„Dat kan wel, jongen, maar daar is vanmiddag nog tijd genoeg voor. De trein kan er eerst half negen wezen«.
Des namiddags had de tuinman dan eindelijk gelegenheid naar huis te gaan. Gerrit ging naar Albert en omoe zat te rusten. Zij kon niet meer. Wat was zij bezig geweest den ganschen morgen! Riek moest alles netjes in orde vinden. Dat er die sneeuwboel nu ook nog bij moest komen en die drukte op den hof! Maar nu was het dan toch in het tuinhuis goed in orde. Het mocht gezien worden. Alles blonk in de achterkamer, zelfs stonden er hier en daar vaasjes met bloemen. Gerrit had nog wel wat gevonden in de kassen. Riek hield er zoo van, en bij Hein in Den Haag zullen ze wel geen bloemen hebben.
»Alles in orde, omoe? Op Riek's kamertje ook?«
»Ja, Jan, het spande er wel om, maar ze kan nu komen!«
»Anders toch ook wel, zeker?«
»AIs ze onverwachts kwam, Jan, maar wij weten het immers al lang? O, hoe verlang ik haar weer te zien. Soms dacht ik, misschien zie ik ze niet weer«.
»Dat is dan best tot hiertoe gegaan, moeder«.
„Ja, jongen, de Heere heeft alles wel gemaakt, Hij is een Hoorder der gebeden«.
Hoe dikwerf had zij gebeden: »Heere, bewaar haar en breng ze in gezondheid weer bij ons«. Dien ganschen dag was dat haar gebed; zij kon haast nergens anders aan denken.
Ja toch, een oogenblik spraken moeder en zoon nog over de teleurstelling op den hof, dat de heeren toch maar niets hadden kunnen ontdekken, dat alles verdwenen scheen, zonder dat iemand kon zeggen hoe. »lk kan niet gelooven, Jan, dat de oude baron al die kostbaarheden verkocht zou hebben, zonder zijn kinderen er iets van te zeggen; zoo was hij niet. En die dingen waren toch eigenlijk voor de freules?«
»Ik weet er niet van, moeder, en wij kun nen er ons ook niet meer mee bemoeien«.
»Dat schijnt zoo, Jan, de Heere weet alle dingen. Wat verborgen is, kan Hij aan het licht brengen«.
En voor oude Geertje was ook dit iets dat zij in haar bidden niet vergat, al ging het haar dien dag wel uit de gedachte.
Het werd later, maar het ging langzaam, o zoo langzaam. Van Leeuwen en Gerrit waren met den koetsier vertrokken. Albert zat bij omoe, of liever hij liep uit en in, telkens ging hij weer naar buiten om uit te zien, ofschoon hij toch zoo goed als niets zien kon. 't Was zoo donker in de beukenlaan.
»Wij moeten wat geduld hebben, Albert; ze kunnen er nog lang niet zijn«.
»Ja, vrouw van Leeuwen«.
»Zeg jij ook maar »omoe«, Albert; zoo zal het toch worden, hé?«
»Dat hoop ik, vrouw ..... ..... omoe dan!«
Albert ging in zijn ongeduld telkens uitzien; hij kon niet, als oude Geertje, rustig blijven zitten. Maar al glimlachte zij toen Albert al weer van haar weg liep, omoe verlangde toch ook zeer Rlka goed en wel weer thuis te hebben.
De groote Friesche hangklok achter haar sloeg met forsche slagen juist negen uur toen Albert binnen kwam stuiven en zei:• »Daar zijn ze, vrouw van Leeuwen (o nee, omoe!), ik zag de lantaarn flikkeren, met een paar minuten zijn ze hier«.
»'k Blijf maar even wat uit den weg; Riek moet toch eerst jou goedendag zeggen, hé?«
»Flink zoo, Albert, laat de ouden voorgaan, zoo behoort het«, zei grootmoeder, die nu toch ook niet meer in haar leuningstoel kon blijven zitten, haar breikous op tafel legde en eens buiten ging zien: ja, daar kwam het rijtuig reeds de beukenlaan in. Nog eenige oogenblikken en daar vloog Rika het rijtuig uit en het tuinhuis inom omoe te omhidizen en te kussen: »Dag beste omoe, daar ben ik weer!« .
»Dag kind, 'k ben blij, dat ge weer thuis zijt, o zoo blij« ; en waarlijk uit de oude oogen van omoe kwamen een paar vreugdetranen, die zij haastig afveegde, toen zij zei: »Ga maar gauw zitten, Riek, gij zult wel moe wezen van die lange reis. Heb je geen koude voeten, hier staat een warme stoof!«
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's