De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

De Vrijmetselarij (3)
»Dat de geschiedenis van het Vrijmetselaarsverbond tot de eerste tijden opklimt, is door niets bewezen« zegt J.G. F i n d e I  in zijn uitgebreid werk: G e s c h i e d e n i s  d e r  V r ij m e t s e l a r ij (Zutphen. P. Plantinga. 1875) blz. 51. Maar toch begint elk boek, dat over de V r ij m e t s e l a r ij  handelt, om de eerste sporen der beweging te vinden in de oudste tijden, waarbij Findel zelf spreekt van de dagen vóór den zondvloed! 't Is dan ten slotte maar een soort sage of legende, maar intusschen wordt het toch uitvoerig verhaald, om zoo toch te laten zien: zóó oud is onze Vrijmetselaarsgeschiedenis!
Dat men daarbij eigenaardige combinaties maakt, valt direct in 't oog. Men begint over metselaars, over bouwkunst, over werkliedenvereenigingen te spreken — en dan moet daar de bakermat van de Vrijmetselarij liggen!
Zoo gaat  F i n d e l  terug tot vóór den zondvloed; toen waren er metselaars, en daar ziet men dan de eerste beginselen van de tegenwoordige Vrijmetselaarsorganisatie! Hij noemt in dit verband Jabal, Lamech's zoon; verder Nimrod; ook Abraham; dan David en Salomo, in verband met den tempelbouw. »Bij den bouw van den toren van Babel werd voor 't eerst van de metselarij veel ophef gemaakt en Koning Nimrod was zlef een metselaar en beminde de wetenschap zeer. En toen de stad Ninevé gebouwd zou worden en andere steden in het Oosten, zond Nimrod 30 metselaars derwaarts en gaf hun een plicht van den volgenden inhoud: »zij zouden getrouw jegens elkander en elkaar wederkeerig trouw beminnen en hunnen bouwheer getrouwelijk dienen, zóó dat de meester en allen eere mogen verwerven.
Alles heel interessant, maar wat dat nu met de Vrijmetselarij te maken heeft, begrijpen we niet. Er kan uit blijken, dat er toen metselaars waren, ook dat die metselaars er allerlei ideëele beginselen op na hielden en met plichten, afspraken, ordeningen werkten. Maar — wat heeft dat in den grond van de zaak met de Orde van de Vrijmetselaars te maken?
Naar het grijs verleden gaan ze intusschen zoo gaarne terug, om daar hun oude geschiedenis op te diepen; om daar hun oude papieren te vinden!
Zoo verhaalt  F i n d e l ook van een leerling van Abraham, die ook tot het metselaarsvak behoorend, de volgende grondwet tot plicht heeft gegeven: »Men zou als eerste plicht hebben den Koning getrouw te zijn en het land, waartoe men behoorde. Men zou elkander liefhebben en elkaar trouw zijn. De een zou den ander kameraad of ook broeder noemen en niet knecht noch met een schimpnaam. Den wijste onder hen zou men tot meester van het werk aanstellen en noch uit liefde, noch wegens hooge geboorte, noch wegens rijkdom zou men iemand die minder verstand had meester van het werk mogen maken. Men zou een eed zweren, dat men deze plichten getrouw zou nakomen«. David en Salomo hebben — zegt Findel — deze plichten en gebruiken bevestigd en bekrachtigd en de wetenschap der metselarij is bevestigd in het land te Jeruzalem en vele andere Koninkrijken.
V r ij m e t s e l a a r s  gaan gewoonlijk tot deze oudste tijden terug, omdat ze zoo willen bewijzen, dat zij met de metselaarsgilden veel gemeen hebben en hun mooie plichten en gebruiken hebben overgenomen. Met trost wijzen zij op al de bouwwerken die door de metselaarsgilden in 't leven geroepen zijn en zooals die metselaars voor schoonheid en harmonie van lijn voelden, zoo willen zij geestelijk bouwen aan den geestelijken tempel der menschheid in het midden van alle landen en volken.
Ook Emmanuel Rebold doet een poging in zijn boek »Algemeene Geschiedenis der Vrijmetselarij, ontleend aan de oudste documenten« (G.B. van Goor, Gouda) om den oorsprong der Vrijmetselaarsbeweging in de oudste tijden te vinden en hij zegt, dat in 295 de naam vrijmetselaar voor 't eerst in Engeland voortkwam. Op eigenaardige wijze wil hij dan de metselaarsvereenigingen verbinden met het eerste zendingswerk in Engeland, Nederland, Frankrijk en Duitschland. Hij zegt b.v. »Uit den schoot der eerste Christengemeenten, bij welke de liefdevolle leer van Christus in het leven van hare leden zichtbaar was, kwamen de eerste apostelen van het Evangelie naar Brittanje en sloten zich bij de metselaarsgilden aan«. »Het gezellige leven der loges geleek reeds sedert lang op de eerste christen-vereenigingen. Zoo maakten dan dan die eerste apostelen van 't Evangelie het loge-leven nog voortreffelijker, inniger. Maar ook het bespiegelende en lijdelijke leven der eerste Christenen kreeg in deze loges de aanwinst eener kloeke, mannelijke krac.ht«. (blz. 29).
De Evangelie-predikers en de metselaars gaan dan hand aanland en helpen aan den nieuwbouw in het midden der menschheid. »Overal verrezen christenkerken, waartoe de hulp der metselaars-gilden werd ingeroepen«. (blz. 30). »Voor den adel werden kasteelen, voor de geestelijkheid kloosters en kerken opgetrokken en de bouwkundigen werden met de grootste voorkomendheid behandeld en de grooten des lands sloten zich bij hen aan«.
In Engeland schijnen de metselaars-gilden bizonder in eere te zijn geweest en Rebold zegt »zij bestonden niet meer enkel en alleen uit bouwkunstgezellen, maar de vermogende en beschaafde mannen begonnen als  V r ij e  metselaars een deel dier loges uit te maken«.
Hier zoekt Rebold dan het aanknoopingspunt tusschen de metselaarsgilden en de Vrijmetselaars (in Engeland free-magons, in Frankrijk frères-mafons of franc-magons geheeten).
Alle kathedralen, domkerken, monumenten, zuilen der oudheid zijn aan de metselaarsgilden te danken en omdat ze één groot genootschap vormden, dragen de kerken overal één zelfde type. »De werkmeesters van alle godsdienstgebouwen der latijnsche Kerk«, zegt Rebold, »hadden hunne wetenschap uit één-en-dezelfde centrale school geput en zij gingen in hun bouwwerk, onder strenge discipline, naar dezelfde grondbeginselen te werk. De vrije-metselaars waren verplicht, zich aan het algemeene plan te houden, dat men eenmaal voor de godsdienstgestichten had aangenomen; zij hadden tot het volgen van hunne eigene begrippen en inspraak geen ander recht dan voor zooverre dit de bijkomende sieraden en kleinigheden betrof«.
In deze metselaarsgilden nu, met dien »band der broederschap tusschen den meester, den gezel en den leerling« zien de Vrijmetselaars hun vóórtype. Dat zijn hun »voorouders«. Ze zijn van dat geslacht, van die familie! De Vrijmetselaars zijn als 't ware uit deze metselaarsvereenigingen uitgegroeid. Van de metselarij als gewoon werk (en 't was prachtwerk !) kwam het tot de geestelijke metselarij«, om te bevorderen de vrije ontwikkeling van den mensch, waar bij dezelfde indeeling van meester, gezel en leerling werd overgenomen, met de metselaars attributen troffel, passer, enz.
Het is te begrijpen, dat de bouwers in de wereld der gedachte, werden aangegrepen door de bouwers van de daad; dat de Vrijmetselaarsbewegimg zich aansloot aan de metselaarsgilden en de symbolieke attributen van de bouwkunst ovengenomen en bewaard heeft. Er was van huis uit geestverwantschap. Beide groepen wilden van den ruwen steen een zuiver behouwen steen maken, de een stoffelijk, de ander geestelijk; de een in den opbouw van kerken, kloosters, zuilen, monumenten, de ander in den opbouw van den onvolmaakten mensch door hem om te scheppen in een geestelijk en zedelijk hóóger staanden mensch. Beide groepen wilden opbouwen, verheffen, verfraaien, zoowel daadwerkelijk als geestelijk, en daaruit is het te verklaren, dat er altijd verband gelegd is tusschen de metselaars, die kunstwerken tot stand brachten vol harmonie en schoonheid, en hen die in geestelijken zin wilden bouwen aan een Tempel der menschheid, willende de onderlinge verhoudingen der menschen brengen tot hooger peil en tot meer volmaaktheid en voortreffelijkheid.
»Een muziek van lijnen, als een steenen symphonie« ziet en hoort men in de kathedralen en monumenten. En »van den geweldigen indruk der schoonheid bevangen, trilt het gemoed«, zegt Br. Vosmaer in zijn werk »De Amazone«, daaruit verklarend, dat de Vrijmetselaars daar hun bezieling en kracht zochten en vonden voor hun werk, om den ontwikkelingsgang der beschaving van de menschheid geestelijk te leiden en te bevorderen.
Toch moet men, bij nuchtere beschouwing der feiten, telkens weer constateeren, dat de eigenlijke Organisatie der Vrijmetselaars begint in Engeland 24 Juni 1717, den dag van St. Jan, den beschermheilige der Vrijmetselaars.
(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's