De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

De financieele band tusschen Staat en Kerk (21)
De zelfstandigheid der Kerk — moet voorop gaan. En dus in geen geval mag de Overheid de Kerk »administreeren, organiseeren, centraliseeren«, zooals b.v. in 1816 met de Gereformeerde Kerk geschied is. De Overheid moet hier de handen thuis houden. Zij mag de Kerk geenszins dwingen zich te schikken naar en te plooien in een vorm, aan het Staats- of maatschappelijk leven ontleend. Hier moet gescheiden zijn en blijven wat God Zelf gescheiden heeft. Evenmin als we mogen scheiden wat God vereenigde, evenmin mogen we vereenigen wat God gescheiden heeft.
Zóó is er dus wel degelijk  s c h e i d i n g  tusschen Staat en Kerk — maar we bedoelen dan verder een scheiding van Kerk en Staat in  c h r i s t e l ij k e n  en niet in anti-christelijken zin!
We willen geen scheiding van Staat en godsdienst. Wat we willen is : scheiding, onderscheiding van Staat en Kerk. ,
»De Christelijke Kerkgenootschappen« — zei Groen 17 Dec. 1849 in de Tweede Kamer — »die hier te lande bestaan en ook het Israëlietisch Kerkgenootschap, hebben niet alleen een grondwettig, maar een openbaar en historisch aanzijn. Wat moet dus nu alle gezindheden gelijk recht hebben, de Staat tegenover de Kerk doen? Waken voor eigen recht en ook voor de rechten der gezindheden onderling«.
Dat is de scheiding en tegelijk de saamhoorigheid.
Zoo wil ook b.v. de Antirevolutionaire Staatspartij volgens haar Program van 1878 geenszins scheiding tusschen Staat (Overheid) en godsdienst. De Overheid als Gods dienaresse is gehouden te regeeren naar Gods Woord. Maar dan moet er wel scheiding zijn tusschen Kerk en Staat, in den zin waarin de christen dat verstaat. In Artikel 20 van haar program drukt de A.R. Partij het aldus uit: noch voor het rijk van Europa, noch voor de Indien mag door de Overheid een Staatskerk, van wat vorm of naam ook, in stand worden gehouden of ingevoerd. Ook komt het den Staat niet toe zich met de inwendige aangelegenheden der Kerkgenootschappen in te laten.
Voor ieder die onbevooroordeeld hier leest is dus duidelijk, dat de A.R. Partij hier niets anders maar ook niets minder wil, dan scheiding van Staat en Kerk als onderscheiding tusschen deze beide, zooals God ze gescheiden heeft gegeven. De Staat moet natuurlijk wel waken voor de belangen der Kerk. Er mag bij de Overheid geen onverschilligheid zijn tegenover, geen algeheele negatie van de Kerk. (C a v o u r).
Maar er moet wel in het midden van het Staatsleven door de Overheid bevorderd worden, dat de Kerk vrij en zelfstandig is en blijft, met bescherming van hare rechten. Wederzijdsche onafhankelijkheid en vrijheid; dat ligt ook in de Grondwet. Want naar ons Nederlandsche Staatsrecht is in art. 169 van de Grondwet bepaald: »Aan alle Kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend«. Dat is dus volstrekt geen scheiding in anti-christelijken zin; geen onverschilligheid tegenover, geen algeheele negatie van de Kerk. (C a v o u r).
Maar wel is het in de Grondwet: vrijheid en onafhankelijkheid voor de Kerk. Want art. 168 zegt: »Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet«. Artikel 169: »Aan alle Kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend«. Art. 170: »De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen«. Dat is de geest van onze Grondwet: »allen, die zich op het grondgebied van het rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke bescherming van personen en goederen«. (Art. 3).
Maar dan komt er in art. 172 eigenlijk een uitzondering, want daarin staat, dat de Overheid uit 's Rijksschatkist aan een bepaalde categorie van kerkelijke gezindheden subsidie geeft — en dat er ook een categorie is aan welke geen financieele steun verleend wordt.
Die kerkelijke gezindheden, die het genoten bij het tot stand komen van dit bewuste artikel der Grondwet, blijven het genieten, waarin dan opgesloten ligt, dat nieuw geformeerde kerkelijke gemeenschappen niets krijgen, in elk geval aan de willekeur van de schatkist worden overgelaten en mitsdien dus achtergesteld worden bij de in 1815 bestaande gezindheden.
Er is dus scheiding van Kerk en Staat, ieder een eigen, zelfstandige positie innemend — maar dan is in art. 172 toch ook weer geen scheiding van Kerk en Staat. Er is daar een geldelijke verhouding, die natuurlijik samenhangt met het verleden, maar dan een bewaren van oude toestanden op willekeurige wijze en oorzaak zijnde tot allerlei onbillijkheden, waarbij ook de Overheid weer beslissingen gaat nemen inzake kerkformatie enz.
Politieke doeleinden zitten hier achter. Ook liggen hier historische rechten en verplichtingen.
Wat het tot een wespennest en een heet hangijzer maakt dat art. 172 van de Grondwet; maar dat mag ons niet verhinderen hier aan te dringen op een andere en betere regeling, die op recht en waarheid gegrond is en waarbij de verhouding van de Overheid tegenover de Kerken beter omschreven wordt, zooals het in ons vrije Nederland behoort te zijn.
Wat we te meer moeten trachten te bereiken, omdat aan de tegenwoordige regeling vroeg of laat toch een einde zal komen en het is de vraag, of, als we langer wachten, dan een regeling zal komen, die gegrond is op recht en billijkheid?
Juist omdat het ten slotte om het geld gaat — valt het te bezien of men, als men lang wacht, nog bereid zal zijn tot een behoorlijke en rechtvaardige afwikkeling in deze mee te werken? We moeten in ons land, dat »het klassieke land der godsdienstvrijheid« heet, niet een onrechtvaardig rooven van kerke-goed door den Staat krijgen. Historische rechten moeten blijven gelden.
Maar we moeten óók niet krijgen hier een bevoordeelen van de eene Kerk boven de andere Kerk, door de Overheid, die heeft te verstaan, dat Staat en Kerk elk een eigen, zelfstandig terrein hebben en de kerkelijke gezindten gelijke bescherming moeten ontvangen en gelijke rechten bezitten.
Daarom moet een rechtvaardige oplosslng van de oude financieele verhouding van Staat en Kerk komen en een rechtvaardige nieuwe verhouding moet geschapen worden, naar het beginsel: Staat en Kerk zijn onderscheiden en ieder leeft op eigen terrein, waarbij de Overheid niet onverschillig is voor de Kerk, maar recht en billijkheid tegenover de Kerken betracht.
We kunnen wel begrijpen, waarom men het oude het oude wil laten! Men wil liefst blijven bij de bestaande rechtsontwikkeling van art. 172, omdat hier zooveel voetangels en klemmen liggen.
Want art. 172, al. 2, zou wellicht de mogelijkheid in zich sluiten, om aan nieuw geformeerde kerkelijke gezindheden toch subsidie te geven uit 's Rijks schatkist. Prof. Buys meende althans, dat dit tweede deel wel terdege de gelegenheid openstelt »om subsidie toe te leggen aan gezindheden, welke deze tot nog toe niet ontvingen«. (Mr. J. T. .Buys, De Grondwet, Dl. 2, blz., 535). Maar de Regeering van 1869 verklaarde zich daartegen, doch meer op practische dan op principiëele gronden. Minister Van  Bosse verklaarde zich namens de Regeering tegen het verleenen van toelagen aan de afgescheidenen, »dewijl het ontstaan van godsdienstige secten daardoor aangemoedigd, de scheiding verwijd en voor de toekomst allerlei moeilijkheden en bezwaren, als bij voorbaat in het leven geroepen zouden worden«. (Memorie van Beantw. Begrooting 1869. Hoofdstuk 7).
(Wordt voortgezet).

Kerk en Zending.
II.
Na de inleiding van ds. Wagenaar, waardoor de vergadering een goed inzicht kreeg van het Ontwerp-Reglement en van de zaak waarom het gaat, n.l.  K e r k  en  Z e n d i n g  met elkaar in verband te brengen, volgde een geanimeerde discussie, waaruit bleek dat men zich voor deze dingen interesseert en daarom de zaak gaarne van alle kanten wil beschouwen. Goed geleid, had de voorzitter gezegd, kan het tot grooten zegen worden, verkeerd geleid, kan het groote schade brengen!
Een  a l g e m e e n e  opmerking was, dat het ontbreken van afdrukken van het Ontwerp-Reglement oorzaak was, dat men zich eigenlijk niet goed had kunnen voorbereiden. Men kwam nu veel te veel onwetend voor allerlei kwesties te staan. Maar daar was nu niets aan te doen en dus moest de zaak besproken worden zooals het nu aan de orde was gesteld door den inleider, die zoo zakelijk mogelijk den inhoud en het bedoelen van het voorstel der Commissie had voorgedragen.
Ds. Kijftenbelt spreekt als man van den Gereformeerden Zendingsbond; moet zich tegen verklaren; zou gaarne meegaan, maar kan niet. Niet omdat de Gereformeerde Zendingsbond tegen Kerkelijke Zending is. Princiep is daar: het Zendingsbevel is door Christus aan Zijn Kerk gegeven. Maar de toestand van onze Nederl. Hervormde Kerk maakt het voor den Gereformeerde, die leven wil uit het Woord, onmogelijk, om dit werk aan de Hervormde Kerk in haar tegenwoordigen toestand over te laten. Er is volstrekt geen zekerheid, dat 't werk dan geschieden zal naar het Woord Gods, met het Evangelie der Schriften. Wel doen we nu reeds zooveel mogelijk Kerkelijk. We hebben z.g.n. onze Classicale Zending in de Classis Harderwijk, — wat toch inderdaad weer geen Kerkelijke Zending is, hoewel het er op lijkt. De afvaardiging van de Zendelingen van den Gereformeerden Zendingsbond geschiedt van uit het midden van een gemeente onzer Hervormde Kerk, om het ook weer zoo nabij mogelijk te brengen aan de Kerk, die van Christus het bevel ontving Zijn Kerk uit te planten onder de heidenen. Maar dan moeten we voor ons Zendingswerk een grondslag hebben en houden, die aan het Woord ontleend is en in Christus ligt. Waar is nu bij de plannen van de Commissie die alleen betrouwbare grondslag? 'k Heb er niets van kunnen vinden. Wel wordt een oogenblik in de inleiding Artikel 11 van het Algem. Reglement genoemd, maar dat zal meer zijn om Kerk en Zending in combinatie te rechtvaardigen, dan te verwijzen naar of te fundeeren op de Gereformeerde belijdenis onzer Kerk. De belijdenis ontbreekt. Wat ook uitkomt in de proponentsformule, wat de band zal wezen, waaraan straks de naar de heidenen uitgezonden predikers zich gebonden zullen weten. Wat houdt dat in en welke zekerheid geeft dat? Er is geen éénheid van beginsel onder ons als Kerk, en dat is bij ons Zendingswerk onmisbaar, anders mogen we niet met elkander beginnen. Ook voor Indië is dat noodig, om de verwarring niet grooter te maken en om Christus' bevel gehoorzaam te zijn: Eén is onze Meester! Dat is ons beginsel-bezwaar. Daar hangen andere bezwaren mee samen, deels technische, deels ook weer principiëele bezwaren. Voor theorie en practijk van het Ontwerp-Reglement schrikken we terug, gezien den werkelijken toestand onzer Hervormde Kerk. Artikel 7 wordt als voorbeeld genoemd. De Classicale Vergaderingen en de Waalsche Reunie (die met een Classis gelijkgesteld wordt) zullen uit haar ressort één lid kiezen voor 5 jaar, uit een voordracht van de Classicale Zendingscommissie. Getrapte verkiezingen, waarbij telkens weer de vraag voor ons komt: wie zal gekozen worden en zal men rekening houden met wat voor ons het hoogste is, n.l. dat het werk zal geschieden naar Gods Woord en naar de belijdenis van Christus' Kerk, die wij als een schat willen bewaren? Dat krijgen we natuurlijk ook, als we naar de samenstelling van Commissies en van het Moderamen — Art. 13 — zien. Ook als we letten op de vaste secretarissen, hier en in Indië. Als men zelf, zooals de Gereformeerde Zendingsbond, om des beginsels wille een niet-Kerkeiijken weg heeft gekozen en het werk hier en in Indië naar eigen beginsel, overeenkomstig Schrift en belijdenis, heeft ingericht, welk werk de liefde van het Gereformeerde volk in onze Hervormde Kerk nog heeft, dan voelt men, dat we zóó maar niet ons werk kunnen en mogen loslaten, om het nu in de handen der Kerk te leggen Wat we 25 jaar geleden niet konden en niet mochten en niet wilden, kan dus nu ook niet, wanneer geen waarborgen geboden worden inzake hetgeen voor ons het voornaamste en voor ons onmisbaar is. Dat zeggen we ook met het oog op het werk in Indië; met het oog op plaatsen en verplaatsen van arbeiders daar. Nu is er wel sprake van een proeftijd voor de Zendingscorporaties van 10 jaar en nog eens 10 jaar waarbij men als Zendingsbond of - vereeniging weer kan terugkeeren op z'n weg, maar het is duidelijk, dat als men als Zendingsvereeniging er 10 of 20 jaar „uit" is, men er eigenlijk nooit meer „in" komt; dan kunnen we als Gereformeerde Zendingsbond lam geslagen zijn; dan kunnen we het werk, dat we loslieten, niet meer overnemen! Onze tijd is er, in het midden van onze Hervormde Kerk, nog niet rijp voor, We moeten als Kerk eerst wat beter weten, wat we zijn en wat we willen, om zulke dingen te gaan doen, als nu worden voorgesteld. Ons bezwaar is dan ook principieel, gedragen door de liefde voor de Zending. Daarom is een b e v e l, om aan Kerkelijke Zending te doen, een bevel, om het Classicaal en om het gemeentelijk te doen, ons aangenaam. Zullen we straks moeten en  g e d w o n g e n  worden volgens het Reglement? Zooals bij het Reglement op de predikantstractementen? En zal er dan een stok achter de deur gezet worden en zullen we gestraft worden, als we niet meedoen? Moet het dien kant uit, wanneer men principiëele bezwaren heeft en op andere manier, dan de Synode voorschrijft, het werk verricht overeenkomstig Schriftuurlijke Evangelie-waarheid? Dat we daar voor bewaard mogen worden!
Ds.  H e y e r  vult het woord van ds. Kijftenbelt aan en vraagt ook, wat de waarborgen zijn voor het werk dat men wil beginnen en den nieuwen koers, dien men wil inslaan. Zijn er b.v. niet tal van moderne Classes en hoe moet het bij de huidige kerkelijke constellatie, met menschen en beginselen, die principieel tegenover ons staan? Die kunnen niet met ons en wij kunnen niet met hen samenwerken. En daarom willen we zóó de Zending niet Kerkelijk maken; wat de Gereformeerde Zendingsbond van 't begin af aan heeft uitgesproken. Ook getuigend, dat men daar niet bij andere Zendingsvereenigingen, die van een ander beginsel uitgaan, aansluiting kon zoeken. In deze is niets veranderd.
Ds. Brunt vraagt, of de Zendingscorporaties zich moeten aansluiten, of dat het ook mogelijk is dat er Zendingsvereenigingen blijven voortwerken, zooals zij nu doen? Zoo het laatste het geval is, blijft het tweeslachtig.
Ds. Van Oosten aarzelt in zijn oordeel. De Kerk moest, zullen deze dingen mogelijk zijn en wel gelukken, op hooger peil staan. Hij betwijfelt of op deze manier de Kerk op hooger plan zal komen, ieder doet toch bij ons wat hij wil en niemand is gebonden, omdat de Kerk zelve ook niet gebonden is. De Kerk is ziek; ze is als een zieke moeder en het huisgezin is danig in de war. Zal nu de Zending zich bij die zieke moeder en in dat chaotisch huisgezin thuisvoelen, zal zij als kind in dat gezin tieren? Hij vreest. En verwacht van een dergelijke reglementeering weinig goeds. Ook wijst hij op moderne Classes als in Groningen en Noord-Holland.
Ds. Van Grieken zegt, waarom beginnen we, als belijders van den Christus der Schriften, niet aan het begin ten op zichte van onze Hervormde Kerk, en waarom moeten we de Zendingsvereenigingen die zulk prachtig werk verricht hebben toen de Kerk het liet zitten, in een Kerk brengen waar het eerste nog niet geregeld is? Wij hebben in onze Hervormde Kerk "verboden Christendom" en onze Kerk heeft dat in bepaalde predikanten ook al dikwijls naar Indië gezonden; dat mag niet. En als nu de mentaliteit was, dat men saam alles deed wat in Schriftuurlijken weg tot verbetering noodig is, dan zou het nog wat anders zijn, maar juist dat is niet het geval. Nu zal de Synode van zegge 19 leden een Zendingscommissie van 60 leden moeten kiezen. En wie op verandering van de Synodale organisatie aandringt, wordt niet zelden aangezien als iemand, die het met de Hervormde Kerk maar slecht meent! We hebben geen waarborgen, dat het Evangelie van Jezus Christus gepredikt zal worden. Men zegt vrij in onze Hervormde Kerk, dat Paulus zich totaal vergist heeft en dat het Evangelie van Jezus Christus, dat Hij Zelf gebracht heeft, principieel anders is dan het Evangelie der Schriften, het Evangelie van de Apostelen! Als we Christus' Kerk tot eere willen brengen en Christus' Kerk het werk willen laten doen, wat zij als orgaan van Christus in deze wereld moet doen, laten we dan met het begin beginnen en intusschen de Zendingsvereenigingen vrij laten en het niet Kerkelijk gaan reglementeeren. Wij zijn vóór Kerkelijke Zending, maar zóó niet.
Ouderling V o o r t m a n, van Rotterdam, zegt: het kompas van ds. Wagenaar is prachtig, maar is de koers goed? Hij betwijfelt het. Ds. Wagenaar is ook in deze te veel idealist. De Zendingsvereenigingen worden nu ook zoo dikwijls verrast en gesteund door menschen, die niet behooren tot onzen kerkelijken kring. Hij is bang om de Zendingsvereenigingen over te dragen aan de Kerk, die zelf zoo dikwijls niet weet wat ze wil of moet.
Ds. Wagenaar wordt door den voorzitter in de gelegenheid gesteld van antwoord te dienen — maar daarover in een volgend artikel.

Buurtgemeenten.
De groote steden, de stadskerken, trekken de aandacht. Gelukkig! Want daar zijn de centra's van het volksleven èn van het kerkelijk leven. De massale stadsgemeenten met twintig, dertig predikanten en zestig, honderd en meer kerkeraadsileden, stellen ons voor allerlei moeilijke vragen.
Hoe kan het geheel overzien worden? Hoe kan het geheel bewerkt worden? Hoe kan het geheel geregeerd worden? Wat baten onze massa-kerkeraadsvergaderingen? Wat komt er terecht van het door elkaar preeken van alle stadspredikanten in alle stadskerken, verspreid in alle deelen van de groote stadsgemeente? Hoe gaat het met den herder en z'n schapen, met den leeraar en z'n gemeente, met den catecheet en z'n leerlingen? Kris kras veelal door elkaar.
Daarom is reeds lang gesproken over het parochiestelsel, over zelfstandige buurtgemeenten enz. De Roomsche Kerk heeft haar parochies. De Gereformeerde Kerk van Den Haag is reeds verdeeld in vier onderscheiden Kerken: Den Haag-Oost, Den Haag-West, enz. Moet het ook in de Hervormde Kerk dien kant uit? Wij gelooven van wel. Maar dan zitten we weer met onze kerkelijke misère, met onze ongelukkige kerkelijke organisatie en met de onvastigheid in onze Herv. (Geref.) Kerk wat befreft de kerkelijke belijdenis.
Daarom zouden we ook hier zeggen, evenals bij de kwesti : Kerk en Zending, laat men het eerst ter hand nemen, wat het eerst noodig is. We moeten eerst den bouwgrond effenen vóór we aan het bouwen gaan. En er roept zooveel om »aanpakken«. Daarom is de belijdenis-kwestie in onze Hervormde Kerk ook van het grootste belang en dringt deze zich op den voorgrond.

De ondergang van Europa.
Bekend is het boek van  S p e n g l e r: De ondergang van het Westen (Unterjang des Abendlandes). Keurig gebonden in luxe uitgave presenteert zich dat boek, dat zegt, dat het met Europa gedaan is; dat alles tot den ondergang gedoemd is; dat straks hier alles tegen elkaar stoot en kapot valt, om in elkaar te storten als een uitgebrand huis!
Prof. de Zwaan wijst op dat boek in zijn studie "De  E f e z e n b r i e f  van  P a u l u s (keurig uitgegeven bij De Erven F. Bohn te Haarlem. 1927), in het 4de hoofdstuk onder den titel »Evangelie tegenover fafalisme«. En zegt daar dat Spengler's pessimisme ongeveer het volgende leert: »Cod is het niet, die regeert — of, als Hij regeert, dan ligt het leven der menscheid noch verre beneden het niveau waartoe Zijn wil haar leiding uitstrekt. Met Hem hebben we dus feitelijk niet te maken. Waar we wèl mee te maken hebben — meent dit pessimisme — is 't feit, dat de geest der menscheid bepaalde typische gesteldheden ontwikkelt, die dan gedurende een reeks van eeuwen zich in het leven van saamgegroepeerde volkeren uitwerken. En daarbij komt 't hierop aan, dat zulk een »cultuur« even­ als een diersoort of een plantenfamilie tenslotte uitgeput raakt. Onze »cultuur« verandert in dat stadium en dus is de »Ondergang van Europa« een feit, dat niet te keeren zal zijn. Het komt! Evenals de plesiosaurussen en de mammouths uitsterven moesten, toen hun tijd voorbij was, evenzoo gaat de tijd van het blanke ras en van het christendom voorbij.
En dan? Wat anders. Wat beters ? Waarom toch? Goed en beter zijn klein-menschelijke appreciaties. Straks vergaat ons zonnestelsel en is het heelemaal uit. Wat weten vvij van eenig doel? De natuur loopt in kringen: misschien dat ze, na vernietiging van het bestaande, weer begint op dezelfde of weer begint op een andere manier. Ze kan best nog veel saamgestelder zijn dan wij weten - voor het »occulte« wordt dan ruimte geboden - maar zinledige kringloop blijft haar laatste geheim. Daaraan houdt men vast en dat is, tenslotte, fatalisme.
Wanneer haar raderwerk den mensch verplettert of hem opheft, wanneer het volkeren en »culturen« doet opbloeien of vergaan, 't is alles »toeval« — iets wat met de gegeven schikking van de dingen nu juist zóó uitvallen moest. Wil of wijsheid schuilt er niet achter. De mensch is als een mot in een bontjas. De eene jas gaat den koelkelder in en de mot vriest dood, de andere naar een kleerkast op zolder en de mot verheugt zich in een talrijke nakomelingschap en wat dies meer zij. Hoe die gedachtenwereld in onze dagen op velen vat gekregen heeft, kunnen we eenigszins verstaan, omdat wij de 19e eeuw kennen en den oorlog hebben beleefd!«
Bij het pessimisme van Spengler is de mensch een ding, dat nergens toe dient, dat speelbal is, een atoom in een zinledig, in eeuwige kringen rondcirkelend proces. God wordt dan »de Onbekende«, alles gaat vanzelf, komt nergens vandaan en kan nergens toe dienen. Het groot geheel des levens heeft geen zin meer. 't Is alles uit het noodlot, door het noodlot en tot het noodlot. Een zinloos kringloopproces. Geen God der historie bestaat dan meer!
Gelukkig dat wij, bij het licht van Gods Woord, de dingen anders mogen zien. Want, om dit ééne slechts te noemen, tegenover het toeval, dat mechanisch werkt en als een machine het menschelijk stof doet verstuiven of vernietigt, spreekt Gods Woord altijd van Gods Raad en welbehagen, waarbij de Heere, als de Almachtige God, alles werkt naar Zijn wil. (Efeze 1 vers 11), zoodat het straks alles zal beantwoorden aan het groote en eeuwige doel door Hem Zelf gesteld. Daarbij Zich openbarend als de God van Zaligheid in Christus Jezus, om te zijn een eeuwige Vader van al Zijn volk.
Ook voor Europa geldt daarom: Zoek den Heere en leef!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's