STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Weinig verheffend.
Bij de behandeling van de begrooting van Curacao, welke onlangs in de Tweede Kamer plaats had, is zeer terloops de vraag aan de orde geweest, of de maatstaf, waarnaar de ambtenaren bezoldigd worden, moet zijn de arbeid die verricht wordt, dan wel of bij de salariëering gerekend moet worden met de behoefte, welke de ambtenaar heeft.
Van de laatste meening was ds. Lingbeek, die het maar niet goed kon vinden, dat de financiëele gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs in Curacao zou tot stand komen, omdat het bijzonder onderwijs op dat eiland in West-Indië in handen is van de Roomsche missie (ander bijzonder onderwijs is er op Curacao niet). En het gaat, naar het oordeel van dien afgevaardigde, toch niet aan om gehuwde en ongehuwde onderwijzers over één kam te scheren.
Van precies tegenovergesteld gevoelen was ds. Kersten, die er niets van wilde weten, dat kloosterlingen en ordebroeders, die het onderwijs dienen, lager zouden bezoldigd worden dan Protestantsche onderwijzers. Zijn standpunt was, dat salariëering moet plaats hebben naar den arbeid, die wordt verricht.
En zoo kregen de beide afgevaardigden het met elkander in de Tweede Kamer danig aan den stok, waarbij ds. Kersten niet weinig glunderde, toen de Minister van Koloniën verklaarde dichter te staan bij het standpunt van ds. Kersten, dat arbeid betaald wordt, naar hetgeen hij waard is, dan bij 't standpunt van ds. Lingbeek, dat rekening wil houden met de maatschappelijke omstandigheden van dengene, die de arbeid verricht.
Dat de leider van de Staatkundig Gereformeerden niet heel vriendelijk tegenover ds. Lingbeek optrad, bleek wel uit het verwijt, dat laatstgenoemde van ds. Kersten te slikken kreeg, n.l. dat de woordvoerder van de Herv. (Geref.) Staatspartij niet handelt overeenkomstig Artikel 36 van de Geloofsbelijdenis, want deed hij dit wèl en handelde ds. Lingbeek consequent, dan moest hij voorstellen, dat Rome voortaan geen cent meer voor zijn onderwijzers uit 's Rijks kas zou ontvangen. Ds. Kersten vreest dan ook, dat de politiek van ds. Lingbeek is anti-Roomsch, maar los van het onwrikbaar fundament, dat de Gereformeerde Vaderen hebben gelegd.
Zooals te verwachten was, is ds. Lingbeek het antwoord aan ds. Kersten niet schuldig gebleven. In »Staat en Kerk« wordt het zelfs een ware scheldpartij tegen »de voorganger der Ledeboeriaansche-Afgescheiden gemeente«, die nu eenmaal d e m a n in Nederland wil worden en die in zijn oefenaars-politiek een knabbel-politiek voert, die ten slotte de Roomschen machtig steunt. En zoo wordt het eene verwijt op het andere verwijt gestapeld. Ontrouw aan Artikel 36 en heulen met Rome.
Voorzeker, als de beide heeren met elkander aan het polemiseeren gaan, raakt het fatsoen wel wat zoek. Een toon, als thans de kleine partijtjes aanslaan, om elkander een vlieg af te vangen en bij de kiezers in het gevlei te komen, is gelukkig bij de oudere grootere partijen nimmer vernomen.
Weinig afdoende.
In nummer 22 van ons blad vestigden wij de aandacht op het bedenkelijk streven van den Minister van Binnenlandsche Zaken om aan de benoembaarheid van vrouwen tot openbare ambten uitbreiding te geven. Het ging hier om een wijziging in de Provinciale Wet, waarbij ook de vrouw benoembaar zal zijn in het ambt van griffier van de Staten der provincie.
Nu was in de afdeelingen der Tweede Kamer de vraag gesteld, of, en zoo ja, in welke provincie het voorschrift, dat alleen een mannelijk candidaat tot griffier benoembaar is, ten gevolge heeft gehad, dat een minder bekwaam of geschikt persoon in die functie is aangesteld.
Op deze vraag heeft de Minister thans een antwoord gegeven, dat ons intusschen weinig afdoende voorkomt. Mr. Kan, die den naam der provincie verzwijgt, zegt, dat van een der Commissarissen der Koningin de aandrang is gekomen om de wijziging in de Wet aan te brengen. Deze commissaris beeft n.l. de gelegenheid gehad een vrouwelijke hoofdambtenaar in hare werkzaamheid en optreden gade te slaan, die naar zijn meening het griffierambt met algeheele beheersching van de stof en met waardigheid zou kunnen bekleeden.
Natuurlijk trekken wij de mededeeling van den ongenoemden Commissaris der Koningin niet in twijfel, zelfs willen wij aannemen, dat de bedoelde vrouwelijke hoofdambtenaar aan alle eischen voldoet, welke aan een griffier van de Staten zijn te stellen, maar daarmede lijkt ons de vraag, die in de Kamer gesteld werd, niet beantwoord. Immers in het antwoord wordt in geenen deele ontkend, dat er onder de mannelijke juristen in 't land geen alleszins bekwame personen worden gevonden, die op uitstekende wijze het ambt van griffier zullen vervullen. En zoolang daaraan niet wordt getwijfeld, is er voor verandering in de Provinciale Wet geen aanleiding. De Minister, die verder in zijn antwoord de opmerking uit de afdeelingen van antifeministischen aard noemt, heeft, dunkt ons, door zijn voorstel van wijziging der Wet, blijk gegeven, dat hem het feminisme (streven naar gelijkstelling van de vrouw met den man) niet onsympathiek is. En daarmede staat hij als vrijzinnig man op hetzelfde standpunt als door zijn geestverwanten wordt ingenomen. Ook met de politiek van mr. Kan zal daarom duchtig rekening moeten worden gehouden en zal »oppassen« de boodschap zijn. Er wordt toch al genoeg aan het beginsel van de emancipatie der vrouw geofferd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's