De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

6 minuten leestijd

Ik beveel u voor God, die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft: Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus. 1 Tim. 6 vers 13 en 14.

1 Timotheüs (92)
De verschijning van onzen Heere Jezus Christus. De apostel wijst in deze zijne plechtige vermaning Timotheüs naar de wederkomst des Heeren. Het »gebod« (d.i. de gansche leer der zaligheid) moest door Timotheüs bewaard worden zóó dat hij, als ambtsdrager, een onberispelijk leven daaraan paarde. Hierin moest hij getrouw zijn tot dat hij van zijn post zou worden afgelost, door de verschijning van den Heere Jezus Christus. De apostel verwacht dus dat Timotheüs de wederkomst des Heeren nog beleven zal. Dit moest voor hem een krachtige aansporing zijn. De Heere der gemeente zou dan dezen Zijnen dienstknecht bezig vinden, onberispelijk en getrouw, arbeidende in Zijn Koninkrijk. Waarlijk, zalig zou die dienstknecht zijn, dien zijn Heer aldus zou vinden! — Nu is menigeen dadelijk met zijn oordeel klaar door te spreken van des apostels vergissing, ook met het oog op 1 Corinthen 15 vers 51 enz. en 1 Thess. 4 vers 15 enz. Paulus zou zich dan deerlijk vergist hebben. Christus zou komen op de wolken des hemels en Hij kwam niet. De apostel zou zich niet in het feit der wederkomst vergist hebben, maar wèl in den datum. Laat ons echter voorzichtig zijn en niet meegaan met hen die zoo grif van des apostels vergissing spreken. Wij zelf zouden daardoor onze geestelijke armoede aan den dag brengen en toonen dat wij niets verstaan van de kracht der verwachting, waarmede de gemeente des Heeren de komst van haren Koning verbeidde. Als de apostel zioh vergist heeft, dan is het te hopen dat ook wij in dien zelfden zin ons vergist hadden, als wij eens op onze stervenssponde liggen. De wederkomst van onzen Heiland zou ons dan geen versteende belijdenis zijn, maar een levensstuk van onze ziel. In het Haarlems Predikbeurtenblad van 12 Maart j.l. schreef ds. v. P.(aassen) hierover o.a. dit: »Ik wilde alleen maar herinneren aan wat prof. Van Dijk ons geleerd heeft. »Die oudste christenen konden zich ten minste vergissen«. Er zijn tegenwoordig christenen (zijn ze het eigenlijk wel?) die niet eens in staat zijn om zich in dezen opzichte te vergissen. Hun christendom is veel te wereldsch en veel te laag bij den grond dan dat zij tot eene vergissing zouden kunnen komen, als waaraan die oudste christenen zich dan hebben schuldig gemaakt. Hoe staat het met ons christendom? Leven wij in de verwachting van de openbaarwording van het koningschap Gods? Is ons geloof ook hoop? Zien wij uit niet naar den dood, maar naar Christus, die gekomen is en komt en komen zal?« — Tot zoover deze aanhaling. Dat dus Paulus zich vergist zou hebben, zooals men hem dan verwijten wil, is een noodzakelijk bestanddeel van zijn vaststaande overtuiging dat de Heere Jezus elken dag kon wederkomen. Het »Maranatha«, »de Heere komt«, was eene hem steeds bezielende gedachte.
Wij doen dus beter het woord »vergissing« maar niet te gebruiken. Immers de apostel is niet bedrogen uitgekomen, en heeft zich niet verrekend, waarop het woord »vergissen« dan toch duiden wil. Hij heeft geen berekening gemaakt, zooals in den loop der eeuwen er telkens menschen en groepen van menschen zijn opgestaan die meenden het tijdstip of het jaar met juistheid te kunnen bepalen, waarop de bazuin van den grooten dag zou klinken. Zulke berekeningen zullen, zooals gebleken is, teleurstelling baren en op vergissingen uitloopen. Maar lees nauwkeurig al wat de apostel over de toekomst des Heeren aan de gemeenten schreef, en gij zult zien dat hij geen voet op den weg van dergelijke berekeningen gezet heeft. Integendeel, hij is de gemeente van alle tijden voorgegaan in de wakker houdende gedachte, dat de Zoon des Menschen zal komen als een dief in den nacht. Zooals de Heiland Zelf er van sprak: zoo waakt dan, want gij weet niet den dag, noch de ure in welken de Zoon des Menschen komen zal — Ja maar, zal iemand mij antwoorden, de apostel heeft het zich toch stellig zoo voorgesteld dat »wij wel niet allen zullen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin«. (1 Cor. 15 vers 51 en 52). Zoo spreekt hij ook in 1 Thess. 4 vers 17. Maar let er dan toch op hoe hij die heilsgedachte inkleedt. Hij spreekt in 1 Cor. 15 van een verborgenheid. Zijn spreken gaat daar over in een heilig fluisteren. Het is dus niet een zaak die hij met dezelfde kracht verkondigde als de opstanding van Jezus Christus, in datzelfde hoofdstuk. Daar is nog al verschil waarop hij het een en het ander predikt. Als de apostel even stellig en vast van zijn niet-zullen-sterven gesproken had als van de opstanding van Christus, ja, dan zou de apostel zich vergist hebben. Welk 'n poovere figuur zou hij dan gemaakt hebben doordat hij in zijn tweeden brief aan diezelfde gemeente van de mogelijkheid van zijn sterven schreef. Immers dit laatste doet hij in 2 Cor. 5 vers 1. »Want wij weten, dat, zoo (d.w.z. indien) ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, enz.« Neen, wij behoeven geen tegenstrijdigheid te zien tusschen 1 Cor. 15 vers 51 en 2 Cor. 5 vers 1. De mogelijkheid dat de apostel en zijn lezers sterven zouden vóór des Heeren wederkomst, heeft bij hem steeds vast gestaan, hoewel, bij het klimmen zijner jaren, die mogelijkheid steeds sterker hem voor den geest kwam te staan. Wij moeten hiervoor den brief aan de Filippensen maar eens lezen, met zijn bekende woord van : "het leven is mij Christus en het sterven mij gewin". — Wij haalden ook 1 Thess. 4 vers 17 aan. Daarvan wil ik alleen nog dit zeggen dat het daar gaat over de vraag, die blijkbaar aan Paulus is gedaan, over hen die ontslapen waren. Zij zullen, voor zoover zij in Christus ontsliepen, er niet slechter aan toe zijn bij 's Heeren wederkomst dan zij, die levend overgebleven zijn. Daarmede moesten de geloovigen elkander troosten bij hun droefheid over de ontslapenen. Het andere (n.l. dat »wij nog levend overgebleven zullen zijn«) is een bijkomstige gedachte, die niet op den voorgrond staat. Maar dat neemt niet weg dat die heilsgedachten van de toekomst des Heeren zóó in het middelpunt stonden bij Paulus en bij hen aan wie hij schreef, dat zij elken dag de wederkomst des Heeren verwachtten! Dat was het echte geloofsleven. Zij waren steeds met die verwachting bezig. Zij waren als een bruid die met blijdschap de komst van haren bruidegom tegemoet zag. God geve dat er ook in onze dagen zulk eene verwachting van 's Heeren wederkomst mocht leven in de gemeente dat ook wij ons kunnen »vergissen«.
Zulk een »vergissen« is voor Gods kind geen schande. In ieder geval zou die »schande« onze eer zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's