MEDITATIE
Pinksterfeest / Pinksteren te Efeze
En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Handelingen 2 vers 4a.Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is. Handelingen XIX : 1—7.
Pinksterfeest.
Als een koning zijn troon bestijgt of zijn intocht in zijn rijk doet, gaat zoo'n eerste daad saam met groote statie en eerbewijizen. Zoo ging de inwoning des Geestes gepaard met buitengewone teekenen: een geluid als van eenen geweldigen wind, verdeelde tongen die op de hoofden der discipelen gezien werden, hun spreken met andere talen. Teekenen, die getuigenis aflegden van het groote werk Gods, dat daar geschiedde. Dit alles was buitengewoon. Maar het gewone was — ach, was het meer gewoon! — dat menschen vervuld werden met den Heiligen Geest.
Die heerlijke mogelijkheid is er nóg.
Daar waren honderd en twintig menschen in eene der opperzalen van Jeruzalem's tempel aanwezig. Een schare van bewéldadigden! Dat was een samenkomst, zooals zeker wel nooit daarna geweest is, wijl allen tegelijk in de ruimte des geloofs verkeerden. Van te voren waren zij geen vreemdelingen in de genade, maar toch waren zij nog niet tot de kennis der liefde Gods gekomen in al haar overweldigende en gelukkigmakende volheid. De Heiland had immers vroeger nog vele dingen tot hen te zeggen, maar zij hadden toen de draagkracht daartoe niet. Nu wél! In de waarheid van Gods onmetelijk-groote liefde werden zij nu ingeleid, rondgeleid. Allen. Niemand uitgezonderd. Zij verheugden zich in Christus Jezus, hunnen Heiland, zoodat niemand hunmer in droefheid of in twijfel en onzekerheid verkeerde, en niemand koud en traag van hart was. Allen waren vervuld, vol van den Geest. En vol van den Geest te zijn wil zeggen »vol zijn van Christus«. Zij werden geheel en al in beslag genomen, in al hun begeerten, in hun verstand en wil, door den Zaligmaker hunner zielen. Zooals een bruid vervuld is van haren bruidegom, en zij zou kunnen zeggen: »ik moet altijd maar aan hem denken«, zoo ook móésten zij allen aan hunnen Borg en Zaligmaker denken, met blijdschap en aanbidding. Zooals iemand zich baadt in het licht der zon en haar warmte en tegelijkertijd dat lichit kent, zoo ook stonden zij geestelijk midden in het licht van het Evangelie en zóó kenden zij het. Zij waren vervuld van Christus; zij waren in Hem ondergegaan; vernieuwd uit Zijne volheid verrezen. Zij waren vervuld van de liefde des Vaders. In de grazige weide van Christus en al Zijn weldaden verkeerde deze kudde des Heeren.
Zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Dit is het gewone werk des Geestes, in tegenstelling met de buitengewone teekenen die er tegelijkertijd waren.
Het ware te wenschen dat dit in onze dagen meer gewoon was, nl. dat een zondig mensch, door het geloof, vervuld ware van onzen Heere Jezus Christus. Het Christendom moest veel meer een Christus-dienst zijn, het zou er met het Christendom van onze dagen wel beter uit zien. 'k Hoorde kort geleden iemand zeggen: Er is zoo weinig verzekerdheid des geloofs, wijl het met de Kerk zoo droevig gesteld is«. 'k Wilde dat die prediker het andersom gezegd had, n.l.: het is met de Kerk des Heeren zoo treurig gesteld, wijl er zoo weinig verzekerdheid des geloofs is. In dit laatste geval ligt de schuld bij óns. En wij moesten eens gaan ophouden met de schuld altijd maar van ons zelf af te werpen. Al dat klagen over »treurige toestanden« voert ons zelf op een hoog standpunt, het standpunt van den Farizeër in de gelijkenis. Maar een ieder die in den tempel des Heeren in en uitgaat als de Tollenaar in dezelfde gelijkenis, zal door zulk een klacht uit de diepte meer tot zegen zijn voor heel den Tempel des Heeren dan duizend Farizeërs, die de schuld altijd maar op de Kerk werpen Ja, was er maar meer ontwikkeling en voortgang van het leven des Geestes, gij zoudt eens zien hoe er ook nog in onze dagen een geestelijk Jeruzalem verrees als een stad op een berg.
Ieder zoeke het gebrek bij zich zelf. Hij roepe Gods genade in over zijn eigen ziel. Hij zal door het geloof gerechtvaardigd worden. En die gerechtvaardigden zullen het welzijn van de Kerk uitmaken. Zij zullen de gemeente van onze dagen nog een Pinkstergemeente doen zijn. Versta wél, dit zou zoo zijn als onze Heere Jezus Christus onze ziel vervulde, m.a.w. als wij vervuld werden met den Heiligen Geest. Veel meer dan wij weten zijn wij dikwijls vervuld van deugdzaamheid en deugdbeschouwingen, zoodat wij ons moe peinzen over de vraag wat wij doen en laten moeten, terwijl wat Christus voor ons deed aan den buitenkant van ons leven schijnt te staan. En 't moest in het middelpunt zijn. Dan alleen zijn wij echt geestelijk.
't Gebeurt ook wel dat wij ons in allerlei gevoelsbeschouwingen verliezen. Als wij dan maar gevoelig zijn aangedaan, ja zelfs tot tranen zijn bewogen, dan is het ons al meer dan genoeg, in plaats dat het ons ging om het geloof in den Heere Jezus Christus, opdat wij daarnaar weenend zouden verlangen, opdat wij er ons ook met geheel ons hart in zouden verblijden.
't Kan ook zijn dat wij zóó vervuld zijn van de leeruiteenzetting en de beschouwingen over de Waarheid, dat Hij, Die de Waarheid in Zich Zelf is, daardoor geheel op den achtergrond komt. Hij Zelf staat er blijkbaar buiten. Hij, Die opgestaan is uit de dooden en leeft om voor ons te bidden.
Dit sta voor alles vast: als ook heden Christus meer in het middelpunt kwam te staan, zou veel meer het Christendom en de Kerk van Christus aan hun verheven namen beantwoorden. Immers bij alles wat wij daar veroordeelden, is de mensch nog vervuld van zichzelf.
De mensch vervuld van zichzelf! Dit is het tegenovergestelde van wat er staat: en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Immers, als de Geest ons vervult, zijn wij in eigen oogen niet anders dan verloren zondaren en is de levende Christus, zooals de Schrift Hem ons openbaart, ons de eenige grond onzer zaligheid geworden.
Dan is er een roemen in den Zaligmaker, terwijl als vanzelf een deugdzaam leven ons siert. Dan is er een zich verheugen in de genade Gods, terwijl wij ons het zuivere Evangelie in woord en wandel niet schamen. Dan is er een heerlijke verzekerdheid des geloofs, die ons bezielt en ons gevoelsleven doortintelt. Dan wordt de gansche mensch met al zijn door God hem geschonken vermogens in beslag genomen door onzen volzaligen Christus. Zoo wordt alles in ons vervuld met den Heiligen Geest.
Misschien houdt de vraag u bezig hoe ook gij vervuld wordt met dien Geest, die zijn blijvenden intrek nam in de gemeente des Heeren. Het is hiermede zóó gesteld, dat elke ware geestelijke werking naar meer vraagt. Zelfs zij die door den Geest vervuld worden, begeeren in het danken nog naar meerdere zegening van dien zelfden Geest. Dit is omdat de vervulling des Geestes saam gaat met de veroordeeling van al wat des vleesches is. Het is dus reeds van belang als de vraag u bezig houdt: hoe zal ik goed Pinksterfeest vieren? Dit vragen is een teeken van het klagen over zichzelf. Maar hiermede is u het begeerde antwoord nog niet gegeven.
't Eenige antwoord is: God Zelf moet het doen. Verwacht alles van Hem alleen. Er ging toch aan de vervulling met den Geest bij de discipelen iets vooraf, dat er ook bij u, bij ons allen moet zijn. Zij waren n.l. eendrachtiglijk bijeen, volhardende in het bidden en smeeken. Dit is iets voor de huidige gemeente des Heeren in haar geheel, en voor elk harer leden afzonderlijk. De eendracht in het smeeken bij allen en de volharding daarin bij een ieder.
Ach, ware er ook heden zulk eene voorbereiding.
Konden wij van af heden alle kleinzielige kibbelarij over bijzaken eens uit ons midden bannen, zoodat het een eendrachtig bidden werd om den Geest! De Pinksterzegen zou als een milde stroom vloeien, zooals een bron zich uitstort op de velden Maar dan moet gij zelf hiermede beginnen en voortgaan. In het bidden om den Heiligen Geest vallen alle beuzelachtige kwesties inéén als een kaartenhuis voor den storm, en dan gaat het u om hetgeen dat waarlijk groot is, n.l. om de kennis van den eenigen waarachtigen God en den Heere Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft. Is er zulk een smeeken, volhardend, smeeken om het eenig geestelijk bezit, dan stort het hart zich uit voor den Heere; dan spreekt het al z'n armoede en verlegenheid uit al de strikken waarin het is verward, al de bezwaren die het drukken, al de vragen, die ons zoo pijnlijk kunnen vermoeien. Het zou een heerlijk Pinksterfeest voor u kunnen zijn, als ook gij uw ziel ontledigdet voor den Heere. Draag uw ledige vaten maar vóór Hem. Hij zal ze allen vullen met de olie des Heiligen Geestes.
Het volhardend gebed is de voorbereiding van het Pinksterfeest. Op zulk een gebed komt de geweldige Geest, de troostende Geest, de Geest die in al de waarheid leidt, de Geest, die door verbreking op verbreking voert en die heenleidt naar de kennis van het kindschap Gods.
Het Pinksterfeest is het feest van de volheid en van het danklied en van het gebed der gemeente:
Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft
Laat ons, verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, Die ons blijdschap geeft.
Och Heer', geef thans uw zegeningen
Och Heer, geef heil op dezen dag.
Och, dat men op deez' eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag.
Kr. v.d. S.
Pinksteren te Efeze.
Apollos, welsprekend en machtig in de Schriften, had naarstig de zaken des Heeren geleerd in Efeze. Maar hij kende alleen den doop van Johannes. Aquila en Priscilla, uit Corinthe te Efeze gekomen, leiden hem echter den weg Gods bescheidenlijker uit. Toen had Apollos nog tot rijker zegen voor Efeze kunnen zijn, maar hij vertrok naar Corinthe. De Heere liet echter de gemeente van Efeze niet aan haar lot over. Spoedig kwam Paulus, die Klein Azië doorreisde, binnen hare muren. En zoo ontmoet deze Godsgezant eenige discipelen, waarover onze tekstwoorden handelen.
»Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt?«, zoo vraagt Paulus hun, waarschijnlijk doelende op de buitengewone Geestesgaven van vreemde talen, profetie of gezondmaking, gelijk die in de eerste Christelijke Kerk veelvuldig openbaar kwamen. Maar dan krijgt Paulus het ontnuchterende antwoord: »Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is«.
»Waarin zijt gij dan gedoopt? «, zoo vraagt Paulus nader onderzoekend. En zij antwoorden: »In den doop van Johannes«. Daardoor maken zij hun geestelijken toestand iets duidelijker kenbaar. Zij zijn dus menschen, die onder het gehoor geweest zijn van Johannes den Dooper of van een zijner discipelen. Onder die prediking hebben zij oog gekregen voor Gods heiligheid en gerechtigheid, werden zij ontdekt aan eigen zonde, bederf en verlorenheid. In ontroering der ziel is het ook voor hen een hoofdvraag geworden: Hoe zal ik ontvlieden den toekomenden toorn Gods? Wie zal mij breken de banden des doods en der hel, die mij omvangen? Hun ziel is ook uitgegaan naar den Messias, den Beloofde der Vaderen, Wiens komst en Koninkrijk Johannes had aangekondigd. Hebben zij den Dooper ook hooren zeggen : »Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt?«. Zij zijn in alle gevallen gedoopt door Johannes of een zijner leerlingen. En toen zijn zij waarschijnlijk het Joodsche land uitgegaan. Wie weet, welke omzwervingen zij gemaakt hebben, eer zij hier in Efeze kwamen wonen. Maar blijkbaar is hun hart blijven uitgaan naar het Evangelie des Koninkrijks, want ze hebben zich ook hier geschaard onder de discipelen des Heeren. En als het gerucht door de stad gaat, dat de apostel der heidenen, Paulus, in Efeze gekomen is, zijn zij onder de eersten, die zijn onderwijs zoeken.
Het kan oók zijn, dat zij hun eerste onderricht hebben gehad van Apollos, dat diens vurige prediking geheiligd werd aan hun hart, zoodat zij leerden zoeken naar genade en verzoening. Die vurige Apollos wist immers eerst ook maar alleen den doop van Johannes. En toen hij nader onderricht was door Aquila en Priscilla, had hij spoedig Efeze verlaten.
Paulus was een dienstknecht van dien God, waarvan de Psalmist reeds zong: »De Heere is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijnen weg leeren«. (Ps. 25: 8 en 9). Diens Geest bezielde Paulus, toen hij deze oprechte, maar onkundige discipelen nader ging onderrichten. Hij nam zijn uitgangspunt in den doop der bekeering van Johannes den Dooper. Daar was hun zieleleven niet vreemd van. Maar nu wees hij hen er op, dat deze Dooper het volk toch steeds vermaand had, te gelooven in Dengene, die na hem kwam, dat is in Jezus Christus. Wat zal Paulus, dunkt me, met bezieling gesproken hebben van het Lam Gods, dat ter slachting werd geleid op Golgotha tot verzoening der zonde. Maar ook hoe Hij opstond tot onze rechtvaardigmaking, ten hemel voer en de Heilige Geest, van den Vader en den Zoon uitgegaan, uitgestort is op Zijn gemeente. In den diepsten zin genomen, had Johannes de Dooper gedoopt in den naam van dien Christus, dien Paulus hun nu in Zijn rijkdom verkondigde. Wat zullen die onkundige zoekende discipelen, voor wie het Evangelie zoo langen tijd blijikbaar bedekt was geweest, met heilbegeerte en geloof des harten geluisterd hebben. En het werd als 't ware een persoonlijk Pinksterfeest in Efeze voor die twaalf mannen. Want toen Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. (Handel. 19 vs. 6).
Buitengewone gaven des Geestes ontvingen zij dus, maar ook de bijzondere gave van inwoning en verlichting des Heiligen Geestes. Zij smaakten het zoet van de vergeving der zonden door Christus' bloed en de vrede Gods daalde in hunne ziel neder. Geheiligde kennis van den weg des heils werd hun deel en, in alle waarheid geleid, genoten zij van den eenigen troost in leven en in sterven.
Het waren maar eenvoudige, onkundige menschen, die twaalf discipelen te Efeze, die niet eens gehoord hadden of er een Heilige Geest was, en velen onzer meenen, dat zij hen ver vooruit zijn. Maar »hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt?« Dien twaalf mannen deerde 't niet, dat Paulus hun zoo'n persoonlijke vraag deed, ook al kwamen zij daardoor in hun armoede aan het licht. Zij begeerden niet groot voor de menschen te schijnen, maar zij dorstten naar vrede met God en de dingen der eeuwigheid. Menigeen onzer heeft een afkeer van die persoonlijke vragen, van die vragen op den man af, omdat men tevreden is met z'n Schriftuurlijke opvoeding en geloofsbelijdenis. Men schaart zich onder de geloovigen, ijvert misschien veel voor de ontplooiing van het Gereformeerde beginsel op allerlei terrein des levens. Maar werd het reeds Pinksteren in uw zieleleven? »Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt?«.
Vele zoogenaamde »geloovigen« gelooven eigenlijk niet in een drieëenig God. Goed onderzocht, hebben zij genoeg aan het geloof in God den Vader. Als hun broodkast maar gevuld wordt door God, dan vragen zij niet meer. Verschrikt of verongelijkt zegt gij misschien: neen, ik weet heel goed, dat ik meer noodig heb, want mijn geweten getuigt van zonde en schuld. Daarom hoort gij gaarne van Jezus, die voor zondaren stierf. En bij dat hooren stelt gij u weer gerust. Omdat gij aan een geschiedkundig of aandoenlijk tijdgeloof genoeg hebt. Gij gelooft dus in een tweeëenig God. Den Heiliigen Geest schijnt gij niet noodig te hebben.
Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen tot het oprechte geloof? De Heilige Geest is uitgestort om woning te maken in de harten der discipelen. Welke geest woont in u? Van nature woont in ons een geest des Satans, der wereld en van ons eigen ik, die vijandig staat tegen God en de heerschappij Zijner vrije genade.
Wij hebben God den Heiligen Geest in ons noodig, om te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel; maar ook om dien afkeer, weerzin en tegenstand tegen Gods genadewerk in ons te breken en te overwinnen. De Geest van Christus, zoo genoemd, omdat Christus Hem verwierf en mededeelt, moet plaats krijgen in ons hart en leven. Daarin is het merkteeken gegeven dat wij Zijn eigendom zijn. »Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn«. En: »die den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe«. Kent gij in uw persoonlijk zieleleven den Heiligen Geest als den Geest des geloofs, die u bekommerd maakt vanwege uw zonde, u in droefheid naar God toevlucht doet nemen tot den Heere Jezus en Zijn kruisverdienste?
Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen?
De geest der wereld, die naar het verderf voert, doet den onverschillige lachen om die vraag. Menig onkundige antwoord spoedig met ja, meenende, dat eenige overtuigingen, indrukken of bijzondere toestanden grond voor de eeuwigheid zijn. Of de goedkeuring van anderen, die even onkundig als zij in de wegen des Heeren zijn, stelt hen spoedig gerust.
Het Koninkrijk Gods bestaat echter niet in woorden, maar in kracht. Bij wie den Heiligen Geest ontvangen heeft, zullen de werkingen en vruchten des Geestes openbaar komen. In Galaten V staat: »de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid«. En bij de twaalf discipelen uit onzen tekst kwamen de werkingen des Geestes openbaar in een andere taal, een ander hart, een ander leven. In- en uitwendig herboren, zien zij met een ander oog en loven met een andere tong, leven in een hoogere sfeer. Levensbeginsel, taak en doel, hebben bij wie den Heiligen Geest ontvangen een nieuwen doop, een hoogere wijding dan bij de kinderen der wereld.
Zij kennen eigen verdorven aard, belijden eigen schuld, bij hen is droefheid en zielsbegeerte naar Gods heil, nauwlettendheid op Gods Waarheid, liefde tot 's Heeren inzettingen en volk. Zij zijn niet hoog van hart, maar verootmoedigende kennis van eigen toestand en Gods gerechtigheid drijft naar Christus, om door het geloof in Zijn Naam, gereahtigheid, vrede en blijdschap te smaken. Daar is de liefde Gods uitgestort in het hart door den Heiligen Geest.
't Moet Pinksteren in ons zieleleven worden, gelijk het Pinksteren werd in Efeze.
U. B. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's