KERKELIJKE RONDSCHOUW
Kerk en Zending.
Na ons uitvoerig verslag van de buitengewone Classicale Vergadering van Rotterdam, waar speciaal gehandeld is over de aangelegenheid van Kerk en Zending, willen we nu nog, volledigheidshalve, meedeelen wat het Bestuur van onzen Geref. Zendingsbond aan de Commissie inzake het Ontwerp-Reglement geantwoord heeft. Om dat antwoord zoo goed mogelijk te stellen is er een Commissie uit het Bestuur van den G.Z.B. benoemd om de zaak in haar geheel te overzien. Die Commissie bestond uit de bestuursleden: dr. J.D. de Lind van Wijngaarden, ds. F. Kijftenbelt, ds. W. Bieshaar, Zendingsdirector en ds. S. van Dorp. Het antwoord dat door deze Commissie is opgesteld en door het Bestuur goedgekeurd, overgenomen en verzonden, luidt als volgt:
»De commissie, door het bestuur benoemd om nader te overwegen het ontwerp van reglement omtrent het verband tusschen Kerk en Zending, bestaande uit de b.b. dr. de Lind van Wijngaarden, ds. F. Kijftenbelt en den Zendingsdirector, heeft Zaterdag 7 Mei j.l. vergaderd en werd daarbij bijgestaan door ds. S. van Dorp. Met den inhoud van het vroeger door den director opgestelde en namens het bestuur verzonden schrijven kon de commissie bij nadere overweging zich in ieder opzicht nog vereenigen. Het bleek haar hierbij toch duidelijk, dat inderdaad bij aanneming van dit ontwerp de Zending slechts de signatuur der Kerk zou dragen. Door de getrapte verkiezing van de leden der Algem. Zendingscommissie en door het recht der Algemeene Synode, die al zelf niet geacht kan worden de Kerk te vertegenwoordigen, om leden in die commissie te benoemen zelfs tot een getal van twintig, vertegenwoordigt die Algemeene Zendingscommissie de Kerk nog minder. Hierbij komt het groote bezwaar, dat volgens Artikel 13 van het ontwerp het moderamen dezer Algemeene Zendingscommissie gevormd wordt door den voorzitter, vice-voorzitter, den penningmeester met de Zendingsdirectoren, welken laatsten concludeerende stem wordt gegeven. De Zendingsdirectoren vormen met hun vijven of zessen de meerderheid, zoodat de leiding van het Zendingswerk zoo goed als geheel in hun handen wordt gelegd. Heel de Kerk wordt gemobiliseerd voor en door dezen staf. De Zending krijgt hierdoor niets meer dan een kerkelijk cachet. De duidelijk uitgesproken bedoeling om de Zending kerkelijk te doen zijn, wordt hierdoor geenszins bereikt.
Wat het beginsel betreft, wordt niet de minste waarborg gegeven, (en de commissie stemt toe, dat deze in de bestaande omstandigheden ook niet gegeven kan worden) dat bij het overnemen van den Zendingsarbeid van den G.Z.B, die arbeid voort gezet wordt volgens de beginselen, welke tot de oprichting van deze Zendingscorporatie gedrongen en tot haren Zendingsarbeid gebracht hebben. De commissie twijfelt geen oogenblik aan den goeden wil van de voorstellers van dit ontwerp, maar, waar uit den aard der zaak het bestuur van den G.Z.B. weinig stem zou verkrijgen in het kapittel om op te kunnen komen voor Zendingsarbeid overeenkomstig de belijdenisschriften onzer Kerk, moet toch een andere waarborg gegeven worden dan in die vooronderstelde welwillendheid aanwezig kan worden geacht. Toen de Pharao, die Jozef nog gekend had, gestorven was, begon de verdrukking van Israël eerst recht.
Door hetzelfde bezwaar wordt ook gedrukt de regeling van het onderwijs ter opleiding van Zendelingen.
Wanneer de gemeenten, die den arbeid van den Gereformeerden Zendingsbond steunen, geen vertrouwen meer hebben in de handhaving en toepassing der beginselen, zooals deze neergelegd zijn in de belijdenisschriften onzer Kerk ook voor den Zendingsarbeid, zullen hare gaven trager gaan vloeien en zal deze bron straks geheel ophouden te geven. Bij een proef van tien jaar zou dit wel duidelijik zijn geworden en bij verlenging van dien proeftijd tot twintig jaar zou het bestuur al niet meer bij machte zijn de vroegere taak weer op zich te nemen om die voort te zetten als tevoren.
Redenen genoeg, waarom de commissie adviseert, dat het bestuur zich beslist verklare tegen aanneming van het ontwerp van reglement, zooals het aan de Kerk ter beoordeeling is aangetooden«.
Men bemerkt uit dit schrijven dus wel, hoe onze Gereformeerde Zendingsbond tegenover dit Ontwerp-Reglement staat. Men kan onmogelijk meegaan in dezen weg. Hoe wel de G.Z.B. nadrukkelijk verklaart en onderstreept niet tegen kerkelijke Zending te zijn. De Zending moet van de Kerk uitgaan. De Heiland Zelf heeft dat te duidelijk gezegd, toen Hij in Zijn discipelen aan Zijn Kerk het bevel gaf: Ga heen en predik het Evangelie allen creaturen. De K e r k is de draagster van het Woord, de schatbewaarster van het Evangelie. En de Kerk moet er naar staan, dat de Kerk wordt uitgeplant onder de niet-christelijke volkeren.
Daarom mogen we het, als gereformeerden in de Herv. (Geref.) Kerk, hierbij niet laten, om te zeggen: non possumus, wij kunnen niet. We moeten naar den weg zoeken, dat het wèl kan. Naar dien weg moeten we zoeken, omdat het moet kunnen. Als de Kerk geen Zending kan drijven, dan gaat de Kerk dood. En omdat de fout zit in de Kerk zelve, dat het niet veilig bij haar is dit werk in handen te krijgen, moeten we ernstig zoeken, om het mogelijk te maken.
En het zal m o g e l ij k worden, als de Kerk zelve, hier te lande, niet anders wil weten dan het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften. Dan kunnen we plaatselijk, classicaal, provinciaal aan het werk wat de kerkelijke Zending betreft. Dan zal het voor de Kerk hier ten zegen en tot genezing zijn en zij zal ook, als Kerk, een zegen kunnen brengen onder de niet-christelijke volkeren, met name in de Indien, die God, naar Zijn voorzienig bestel, zoo nauw met ons Vaderland en dus ook met de Herv. (Geref.) Kerk kwam verbinden.
We mogen niet stilzitten, waar die verschrikkelijke zaak er ligt, dat andere Kerken, als Kerk, wel Zending kunnen drijven, en het ook doen — terwijl ónze Kerk, onze Hervormde Kerk het niet doet en het ook niet doen kan op het oogenblik. Waar die fout zit, weten we allen. En mee door ons moet gezocht worden naar genezing in den weg van Gods Woord. Willen we de handen ineen slaan, in Gods kracht?
De Walen.
Het laat zich aanzien, dat alles wat vrijzinnig is in de Ned. Hervormde Kerk, in 't geweer zal komen, om, zoo mogelijk, te verhinderen, dat de Walen van hun buitengewoon bevoorrechte positie teruggebracht worden tot een Classicaal ressort, met recht van eigen examinatie en visitatie (wat de Hervormde classes zóó niet hebben).
De modernen spreken van snoode plannen, van lage politiek, van partij-bij-oogmerken enz., terwijl de eenvoudige waarheid en de zuivere situatie is, dat een handjevol Walen, van verdwijnende beteekenis voor onze Hervormde Kerk, al jaren en jaren een veel te groote plaats innemen in onze bestuursorganisatie. Waarom noemt men recht in deze niet r e c h t? En waarom helpt men niet mee, om mee recht te doen, of zwijgt althans, wanneer gepoogd wordt, iets dat al lang scheef staat, recht te zetten? Voor de beteekenisvolle plaats der Hervormden heeft men blijkbaar minder oog dan voor de onbeduidende beteekenis van de Waalsche Kerken, wat onze Hervormde Kerk betreft. Zouden wij, indien we in de plaats van de Walen waren, ook niet eerlijk moeten zeggen: „ze hebben gelijk, die ons terug willen zetten; recht is recht"? En waarom doen de Walen 't dan nu niet?
Het is goed, dat in dit verband ds. Van Leeuwen van Hilversum de aandacht vestigt op een artikel van mr. E.J. Voute, regent van het Wale-weeshuis te Amsterdam, opgenomen in de Nov.-aflevering van d e S t e m m e n d e s T ij d s. Die wijst daar op het schoon verleden van de Walen, op den goeden invloed, in vroeger eeuwen door Wale-predikers op onze Kerk en op ons volk uitgeoefend, noemt in dit verband Guido de Brés en de Ned. Geloofsbelijdenis uit het Zuiden ons geworden. Dan zegt hij, dat het Wale-weeshuis in Amsterdam, met 20 kinderen en 23 inwonende oude dames van zoo'n bizondere werkzaamheid der Walen getuigt en hij vindt het vreeselijk ondankbaar, dat nu in de Hervormde Kerk de Waalsche Kerken tot een classicaal ressort worden gedegradeerd.
Met alle respect voor den geleerden en warm-voor de Walen voelenden schrijver, meenen we toch te mogen zeggen, moet men nu met Guido de Brés en met het Wale-weeshuis van Amsterdam bewijzen, dat men in 1927 onrecht — ja, onrecht — doet aan de weinig talrijke, weinig beteekenende Waalsche Kerken, als men de onevenredig groote plaats in de bestuursorganisatie van onze Nederlandsche Hervormde Kerk, welke zij innemen, gaat terugbrengen tot een classicaal ressort met eigen voorrechten nog? Dr. G.J. Vos Azn. schreef in 1906, in zijn adres over de reorganisatie der Kerk aan de Synode, over de Walen als „gasten, aan wie de gastvrijheid onzer hervormde natie een onevenredig grooten invloed in het bestuur der Kerk gaf". Ds. Van Leeuwen schrijft daarom in „de Geref. Kerk" vrijmoedig het volgende:
»De Kerk voelt, dat eindelijk een eind moet gemaakt aan een toestand, die door de veranderde omstandigheden en verhoudingen een onrecht geworden is. Laten we nu eens nuchter de feiten bezien. Graag willen we erkennen, dat de Walen in den tijd der vele vluchtelingen een taak hebben gehad en die trouw vervuld. Graag ook dat ze, als dank voor genoten gastvrijheid, voor de Nederlandsche Kerk ten zegen zijn geweest. Maar geeft dat aan het tegenwoordige handjevol Walen, kunstmatig bij elkaar gehouden door extra Fransche les, ook het recht om zoo onevenredig veel meer macht te hebben in de Kerk als de Nederlanders zelf? Er zijn 16 Waalsche gemeenten, waarvan zes met nog geen 100 leden.
Het totaal zielental bedraagt 7986. Ter vergelijking deel ik mede, dat een classis gemiddeld ruim 30 gemeenten telt; de kleine provincie Drenthe 54, Utrecht 68 en de gemeente Katwijk a. Zee 9600 leden heeft. Dan is het toch al te dol, dat aan die kleine groep, kleiner dan één flinke Nederlandsche gemeente, een invloed wordt gelaten als van een geheele provincie.
Het gaat er niet om in dit geval of de Walen nog een bestaansrecht hebben. Dat is een heel andere kwestie. Daar kan men verschillend over denken. Wijlen prof. Daubanton, zelf van huis uit Waalsch en oorspronkelijk Waalsch predikant, achtte b.v. de taak afgeloopen en het in stand houden van een kerk, waar in het Fransch gepreekt werd voor Nederlanders, een overbodigheid. Zoo niet een ongerijmdheid. Maar als de heer Voute die stelling wil verdedigen, heeft hij op 't oogenblik een gemakkelijke taak. Die wordt heelemaal niet aangevallen. Wij gunnen den Walen hun plaats onder de zon, alleen, ze moeten zich niet breeder maken als ze zijn en zoo een ander de zon benemen.
En van een degradatie der Walen door de Kerk is geen sprake. De tijd, de geschiedenis heeft ze gedegradeerd van een belangrijke groep tot een kleine rest. Dat dan ook de verhoudingen zich daaraan aanpassen.
Is daarin nu eenige minder edele aanslag te bespeuren? Is dat vergeten van de geschiedenis en snoode ondankbaarheid? David heeft aan Mephiboseth, den zoon van zijn vriend Jonathan, dankbaar een eereplaats in zijn paleis gegeven, maar hij heeft hem niet tot rijkskanselier gemaakt. De Nederlandsche Kerk geeft aan de Walen, de zonen van hun oude Waalsche vrienden, een eereplaats. Maar zet ze niet op de wip«.
Wij zijn het in deze hartelijk eens met collega Van Leeuwen van Hilversum (spoedig te Haarlem). Wij hopen dan ook, dat men noch op de Classicale Vergaderingen, noch in de Synode zich door groote woorden zal laten beetnemen. En waar de Synode van 1926 met 12 tegen 6 stemmen tot de verandering van plaats in de regeermacht der Hervormde Kerk besloten heeft, verwachten we, dat de Synode van 1927 de nu voorloopig aangenomen wijziging zal vaststellen. Waarop dan de eindstemming van de Provinciale Kerkbesturen nog volgen moet — waarop mr. Voute blijkbaar nog een hoopje heeft!
Nu — 't is waar, de Provinciale Kerkbesturen met hun veto-recht kunnen wonderlijke verrassingen geven (daarom moet er acht gegeven worden wie tot lid van een Provinciaal Kerkbestuur gekozen wordt!) en de Walen zelf zullen natuurlijk ook ijverig in de weer zijn dan (zooals bij de verwerping van het voorstel van de Groote Synode, dat tweemaal door de Synode, in 1923 met 11 tegen 8 stemmen, was aangenomen, en door de Kerk in hare Classicale Vergaderingen eveneens) maar we hebben toch goede hoop, dat de rechtzinnige leden van de Provinciale Kerkbesturen niet geneigd zijn zóó'n breede geste naar den kant van de modernen te maken, dat zij bij dit buitengewoon billijke en nuttige voorstel, tegen zullen stemmen. Kome het onze Hervormde Kerk als belijdende Kerk in het midden van het Nederlandsche volk ten goede!
Buurtgemeenten.
Reeds lang bestaat er een Synodaal Regl. op het vormen van buurtgemeenten. Maar nergens zijn in de steden nog buurtgemeenten gevormd. Of — dat is te sterk gesproken. In Heerlen (Limburg) wel. Maar Heerlen is een nieuwe gemeente. Daar zit geen geschiedenis nog aan die gemeente. Daar heeft men lijnen kunnen trekken en in buurtgemeenten kunnen inrichten, wat pas in wording was en kwam. Maar overal waar een gemeente, een stadsgemeente is, met een geschiedenis, zijn de buurtgemeenten weggebleven. Men voelde er niets voor. 't Kon niet. Men begon er niet aan. Door wijkverdeeling en wijkarbeid heeft men getracht te doen wat er gedaan kon worden, maar dan was en bleef het één gemeente, met één kerkeraad, met één ministerie van predikanten, met één predikbeurtenlijst, enz. enz. De beginselkwestie, de richtingskwestie, de geloofskwestie, de belijdeniskwestie zit daaraan vast en zit er onder en ligt er boven op. Eerst moet de belijdeniskwestie in onze Hervormde Kerk, die dikwijls met heel de stad vastgegroeid zit, in zooverre opgelost zijn, dat de Kerk als zoodanig een belijdende, positief christelijk belijdende Kerk is. Dan komt er eenige vastigheid, regel, orde. Dan kan er nog genoeg verscheidenheid zijn, maar dan komt er een betrouwbaar fundament in Jezus Christus, den van God gegeven Zaligmaker, door Wiens bloed alleen vergeving der zonde en ingang in de hemelsche zaligheid is.
Nu wil echter de Synode een reglement geven, waarin de steden gedwongen zullen worden tot vorming van buurtgemeenten over te gaan. Ja — wel kan er weer dispensatie geschonken worden; niet eens, maar telkens. Doch het beginsel is toch dwang, door de Synode aan de gemeenten opgelegd. Als de gemeenten zeggen: we doen het niet, wil de Synode nu zeggen: gij moet.
We voelen, dat is verkeerd.
Net als met de gezangen indertijd. De predikanten moesten gezangen laten zingen, maar met Gods Woord, met den Catechismus, met de formulieren van Doop en Avondmaal was men heel ruim en heel vrijgevig. De gezangen moesten ook dienen tot verbroedering van de onderscheiden Kerkgenootschappen en de verschillende stroomingen — terwijl de Catechismus en de formulieren dat immers in den weg stonden!
Dwang is verkeerd in deze. Niet, dat er geen orde moet zijn in de Kerk. Zeker! Er is nu een ordeloosheid die schier wanhopig maakt. Ieder doet, wat goed is in z'n eigen oogen. Maar als er orde en regel gesteld wordt in het midden van Gods Kerk, dan moet 't in den Schriftuurlijken weg. Zoo moet ieder predikant in een welgeordende Kerk het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften prediken en de belijdenis der Kerk eerbiedigen en handhaven, anders is de Kerk geroepen tusschen beide te komen, toezicht houdend en tucht oefenend; in den weg, die aan het wezen van de Kerk beantwoordt en het welwezen der Kerk bevordert. Maar dwang als nu van de Synode in zake het vormen van buurtgemeenten is onaannemelijk.
Terwijl aan den anderen kant het verleenen van dispensatie voor de echte Synodalen weer een doorn in 't oog is. En zoo is het reglement voor rechts en voor links eigenlijk onaannemelijk.
Ds. D. Boer, de Secretaris van den Bond van Predikanten, schrijft in het Vrijz. Week blad „Kerk en Volk" dan ook: „Hiermee is het voorstel in het hart getroffen. Als er geen verplichting overblijft, blijft er niets over, want vrijwillig kunnen alle gemeenten het nu al doen". Verder schrijft hij: „Het allermeest blijft echter het ontwerp beneden peil, doordat de parochies geen echte parochies worden, maar eigenlijk wijken blijven. De buurtgemeenten worden geen echte gemeenten met echte kerkeraden, bevoegd om binnen eigen buurtgemeente te doen alles wat des kerkeraads is" enz. Zoo doende blijft er dus voor niemand — noch rechts noch links — iets begeerlijks in dit reglement en kunnen we het dus samen begraven straks. Maar dan dient ook gedaan te worden wat voor de Kerk als Kerk van Christus het eerste is.
„Blijft in Mij en Ik in u", zegt de Heiland.
Buitengewoon scherp.
Buitengewoon scherp is ds. D. Boer secretaris van den Bond van Predikanten, tegen het Reglement op de Buurtgemeenten gekant. Vooral in zijn derde artikel in „Kerk en Volk" komt dat uit. Hij zegt o.a. „parochiestelsel of geen parochiestelsel, maar In geen geval zoo iets halfslachtigs" ; als de groote steden er nog niet rijp voor zijn, laten ze dan nog maar wat voorttobben".
Hij zegt verder, dat en passant, zonder acht te geven op Artikel 23 A.R. het Kies» college op zij gezet wordt. „Ziehier het groote-stads-imperialisme, dat als een in het nauw zittende kat rare sprongen doet". Dan de Financiëele Commissie, waartegen het Maandblad der Vereeniging van Kerkvoogden reeds gewaarschuwd heeft. Aan de buurtgemeenten worden door de Synode maar even eigen vermogensrechten gegeven! Maar dat wordt niet uitgemaakt door de Synode, maar door den burgerlijken rechter. Ds. Boer is van oordeel, dat buurtgemeenten geen Financiëele Commissie kunnen benoemen. 't Behoort tot de beheerszaken „waarover de Synode niet bevoegd is". „Wel wonderlijk, dat na zoovele jaren van strijd over de beheerskwestie, de Synode, als een kind zoo naïef, iets zeggen kan, alsof zij nooit van kwesties daarover had gehoord. Voor het prestige der bestuursorganen zou het toch wel beter zijn als dit maar werd uitgevlakt". „Tenslote zouden wij" — zoo vervolgt ds. Boer, overgaande tot een ander onderwerp — „willen adviseeren om die sub-classicale Commissies nog maar wat op te bergen. Zoolang nog nergens een eerste poging is gedaan tot samenwerking tusschen „genabuurde" gemeenten, is de tijd nog niet gekomen iets dergelijks reglementair vast te leggen. En in ieder geval moet dat niet gebeuren zooals dat nu gedaan is". Tegen „burgerlijke" gemeente wordt ook bezwaar gemaakt. Honderden gemeenten, zegt ds. Boer, zouden dispensatie moeten vragen, omdat het geen zin zou hebben een sub-classicale Commissie te benoemen. Waarom zou — zoo wordt ook nog opgemerkt - Loosduinen wèl met Den Haag en b.v, Rijswijk en Voorburg daarmede geen Commissie moeten vormen? Alleen om die „burgerlijke" gemeente?
Alleen als het Reglement zoodanig wordt gewijzigd, dat het eenigszins op een Reglement voor buurtgemeenten gaat gelijken, zou ds. Boer vóór willen adviseeren! Heel vriendelijk is dit oordeel dus niet!
Vóór-vergaderingen.
Woensdag 29 Juni (de kalender wijst dan Petrus en Paulus-dag) zullen de Classicale Vergaderingen overal gehouden worden.
Dat is en blijft een van de voornaamste kerkelijke vergaderingen die we nog hebben en daarom mogen we niet onverschillig staan tegenover die Classicale samenkomsten, als we tenminste nog het goede willen zoeken voor de Hervormde Kerk als belijdende Kerk des Heeren in dezen lande. Och, we weten het ook wel, dat aan die vergaderingen veel ontbreekt. Kan het ook wel anders na een misèregeschiedenis van langer dan 100 jaar?
Maar daar ontmoeten de kerkeraden elkander en daar kan en mag nog gesproken worden over de hoogste belangen van de Kerk des Heeren op aarde. Daar moet het dan zooveel mogelijk gaan om Gods Woord. Zooveel mogelijk om de belijdenis van den Naam van Christus. Zooveel mogelijk om Zijn Koningschap. Zoo veel mogelijk om de rechten van 's Heeren Kerk, haar door haar Hoofd geschonken. Zooveel mogelijk over roeping en plicht van Gods Kerk op aarde.
Zooveel mogelijk.
Want laten we ons maar niet grooter houden dan we zijn. Er ontbreekt zooveel, zoo héél veel bij ons (of andere Kerken zich grooter voordoen dan ze zijn en of die spreken en schrijven alsof er ongeveer niets aan ontbreekt, beoordeelen we nu niet; hebben het nu over onszelf, over onze eigen Kerk, over de Ned. Hervormde Kerk zooals zij daar staat, waarin wij geboren zijn en waarin wij leven en werken).
Maar zooveel mogelijk is, moet toch het getuigenis uitgaan van degenen, die eerbied mogen hebben voor Gods Woord en liefde tot Zijnen dienst. Laten we er ook op aandringen, dat de Hervormde Kerk, als de Kerk van Christus in dezen lande, Christus belijde naar de Schriften! En als er gestemd moet worden voor leden van de kerkelijke besturen, dan moet 't niet een baantjes-jagerij, ook niet een uitsmijterij worden (we kunnen soms zoo eigenwijs-hoogmoedig en opgeblazen-wreed zijn en daarvoor hebben wij allen te waken, om er tegen te strijden), maar wel moeten we bij het uitbrengen van onze stem lucht geven of iemand bekwaam is tot het werk waartoe hij geroepen zal worden (een bestuursfunctie is geen cadeautje, dat we voor ons kosteloos aan iemand uit vriendschap toeschuiven, bah!) en óók (en dat is het voornaamste!) of iemand voelt voor de Hervormde Kerk als belijdende Kerk en bij de huidige organisatie zooveel mogelijk wil meewerken, dat de Ned. Hervormde Kerk hoe langer hoe meer naar de rede des geloofs zal gaan leven, met belijdenis van den Christus der Schriften, voor Nederland en voor de Indien tot zegen.
Wat de kerkrechtelijke beginselen van iemand zijn, mogen we dus wel weten te voren en we moeten er van verzekerd zijn, dat hij wil meewerken, dat de Hervormde Kerk zich als Gereformeerd-Protestantsche meer en meer openbare in het midden des volks.
En om deze oorzaak bevelen we altijd vóór-vergaderingen aan. Niet om iemand te oordeelen, nog minder te veroordeelen, nog minder uit te smijten of leed te doen — maar om eerlijk met elkaar te praten over den weg en de middelen, waarin en waardoor onze Kerk vooruit geholpen kan worden en om saam eens te spreken over de kerkrechtelijke beginselen en beschouwingen die men er op nahoudt. Want als iemand, ook al is hij rechtzinnig, als 't er op aankomt altijd verkeerd stemt, dan moeten we zoo iemand niet hebben.
Ook kan het geen kwaad, dat, in goede harmonie, degenen die nu al zoo lang gezeten hebben eens opstaan voor een ander; hoewel we daarmee volstrekt niet willen beweren, dat steeds veranderen het beste middel is om vooruit te komen. De verstandige kent tijd en plaats. Dat moeten we betrachten, als we geroepen worden onze stem uit te brengen. Dat moeten ook betrachten de zittende leden. Soms is het jammer, als iemand heengaat. Soms is het ook heel goed, dat iemand opstaat voor een ander. De wijze en de verstandige kent tijd en plaats!
Onverdraagzame verdraagzaamheid.
Dat is niet met elkaar te vereenigen, zult gij zeggen: verdraagzaam te zijn en onverdraagzaam te wezen. Net zoo min als liberaal te zijn en niets te dulden dan wat men zelf voorstaat en gelooft. 't Is ook niet te vereenigen. En toch de geschiedenis bewijst, dat het telkens voorkomt die wondere ziekte van onverdraagzame verdraagzaamheid. De heer Oosterlee, voorzitter van de Christelijke Onderwijzersvereeniging, deed ons Dinsdag in de groote zaal van de Diergaarde te 's-Gravenhage weer denken aan dit merkwaardige verschijnsel, dat in het midden van het Nederlandsche volk — en daar niet alleen — telkens voorkomt.
Die pittige onderwijs-man zei, zoo bij zijn neus weg, in zijn openingsrede, waarbij tal van hooge autoriteiten tegenwoordig waren en een duizendtal christelijke onderwijzers en onderwijzeressen, deze merkwaardige woorden: „Als in de laatste maanden de gansch zeer verdraagzamen, die allen kunnen verdragen, alleen ons, onverdraagzamen, niet enz."
Dus ook: gansch zeer verdraagzamen, die niet kunnen verdragen ..... ..... . Hoe zou 't toch komen, dat er zulke verdraagzamen zijn, die zoo onverdraagzaam zich betoonen? Laat de geschiedenis maar spreken.
D o n k e r C u r t i u s, die in de eerste Synode, 1816, als een voorbeeld van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid gold, was later de man, die niet de minste toegeeflijkheid had voor het optreden der eerste Afgescheidenen en zelfs den Koning raadde hun werk door dragonades — soldaten en Paardenvolk — te onderdrukken.
De verdraagzame liberalist dus weer onverdraagzaam Maar is die verdraagzaamheid dan wel verdraagzaamheid? Want verdraagzaamheid is toch de gave te bezitten anderen, die niet denken en zijn zooals wij, te kunnen verdragen; toegeeflijk zijn ten opzichte van andersdenkenden inzake godsdienstige overtuiging. En ziet, dat zijn die z.g.n. verdraagzamen niet. Die zijn alleen inschikkelijk voor links, en hatelijk voor rechts. En men is dan inschikkelijk omdat men aan leerverschil niet hecht en het best kan hebben, dat iemand naar links afwijkt.
Maar men heeft dan van verdraagzaamheid, van echte verdraagzaamheid, geen besef. Tegenovergestelde godsdienstige overtuigingen (naar rechts) kan men niet eerbiedigen noch daarin zien een eerlijk streven om de goddelijke waa±eid te erkennen. En dan wordt men onverdraagzaam ook al noemt men zich verdraagzaam.
Het goddelijke erkent men niet; alleen zich zelf. Die het nu met God en Zijn Woord houdt, haat men en men gunt denzulken geen vrijheid.
Men gunt alleen zichzelf vrijheid en die het zoo ongeveer met hen eens is; die mogen dan ook vrijheid hebben, maar over de anderen moet verdrukking en vervolging komen; ze moeten uitgeroeid worden, dat fijn gebroed!
Zou ook hier de kwestie van vrijheid en gebondenheid, van gezag en vrijheid niet aan de orde zijn? Die kent alleen gezag, die God kent. Die kent alleen vrijheid, die God dient. God bindt en God laat vrij. In God ligt de synthese van gezag en vrijheid. Overal elders is menschvergoding en onverdraagzaamheid, tyrannie, haat en nijd, omdat de mensch regeeren wil; de mensch, die God haat en z'n naaste haat; alleen in het kwade gaarne vriendschap sluit; maar 't goede tegenstaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's