MEDITATIE
DE HEMELSCHE BRUIDEGOM EN DE AARDSCHE BRUID.
Hoor, o dochter, en zie en neig uw oor, en vergeet uw volk en uws vaders huis. Zoo zal de koning lust hebben aan uwe schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zoo buig u voor Hem neder. Psalm 45 vers 11 en 12.
Langs dezelfde wegen waarlangs de zonde zich een toegang wiSt te banen — Satan sprak tot Eva, en hij liet haar de vrucht ter verlokking zien — langs diezelfde wegen komt de Heere nu tot de Zijnen. „Ik wil u niet alleen de blijken van Mijn gunst doen hooren, maar ook doen aanschouwen". En hoevele zouden dit niet zijn? Zou hun aantal wel zijn te bepalen? Gij zegt: meer dan het aantal uren in mijn leven. Elke polsslag is er één. In elken ademtocht treedt de Heere mij tegen, zeggende: Ziet gij het wel. Ik heb nog lust tot uw behoud.
In onze inleiding troffen we een lijn van vergelijking tusschen Rebekka en des Heeren gekenden. Ziet, zooals Rebekka van haren aanstaanden Bruidegom reeds iets vooruit kreeg in de armbanden en voorhoofdversierselen, iets, wat ze kon tasten en zien, zoo geeft de Heere ook aan Zijn geestelijke Bruid, aan Zijne kinderen reeds hier vaak de zichtbare blijken van Zijne liefde. Zij kunnen het zien: Hij mint mij als Zijn oogappel zoo teeder. Hij vergeet me niet één moment.
Wat moet hierop volgen? Wat is hiervan dan ook de logische, de vlak voor de hand liggende gevolgtrekking? Deze M.L., vergeet gij dan ook uw volk en uws vaders huis.
Het is in het geestelijk huwelijk, zooals het is in het natuurlijke. Wanneer twee geliefden samenstemmen, wanneer hunne harten worden vereend, zoo kunnen zij niet blijven wonen een ieder in eigen huis, elk onder zijn eigen dak, waar men tot nu met de zijnen samenwoonde. Het huwelijk, zooals wij het kennen, is niet anders dan een afschaduwing van het eenheidsleven tusschen den hemelschen Bruidegom en Zijn Bruid, den Heere Christus en de Zijnen. Gelijk de man zijn vader en moeder verlaat, wordt aan de bruid geen andere weg open gelaten: verlaat uw volk en uws vaders huis.
Vergeet ze — nog krachtiger dus — uw volk en uws vaders huis. 't Is niet onduidelijk, wat hiermede bedoeld wordt. Haar volk; zij kwam uit Egypteland. Haars vaders huis was het paleis van Farao. Dat moest zij vergeten; die banden moesten losgerafeld.
Of dat niet een moeilijke eisch is? Voor een menschenkind onmogelijk om te volvoeren. Denkt u dat nu maar eens in. Als een jonge vrouw zich dezen eisch zag gesteld op den eersten huwelijksdag, zoo zou zij wegloopen. Mijn vader vergeten en mijn volk loslaten, nooit. Nu zegt ge: hoe verklaart gij dit dan? Zou God soms een eisch stellen, dien Hij bij het schepsel ziende met eigen hand zou straffen? 'k Wed, dat ge den draad zelf reeds hebt gevonden. Wij hebben in dezen zulke kostelijke voorbeelden in de Heilige Schrift. Als Ruth zich met geestelijke banden verbonden weet aan Naomi, zoo houdt zij het in Moab niet meer. Er mogen nog wel banden liggen, ongetwijfeld, doch de sterkste liggen over de grens. Zij moet met Naomi mee.
Rebecca eveneens was een echt kind iharer ouders, zij heeft zeker gevoel voor haar volk, doch als haar de vraag wordt gedaan: „Zult gij met dezen man trekken?", klinkt het zonder eenige aarzeling: „Ik zal trekken".
Ziet, zoo vraagt nu de geestelijke Bruidegom voor zich op het bezit, het volle bezit van Zijne Bruid. Wij zullen straks zien, hoe dit in dit leven nooit is te verwerkelijken. Gelijk bij de vrouw van Lot, is er telkens nog een omzien, maar toch is dit, wat de Heere van de Zijnen wil. Hij wil ze liefhebben met eene volkomene liefde.
Vergeet alles voor Mij.
Zou dit niet iets heerlijks wezen, kinderen des Heeren, als ge dit eens bewerkstelligen kondet: dat heel dit diensthuis, waaruit de Heere u uittrok, u eens ontviel; dat alle band met den Vorst der duisternis werd verbroken. Dat ge als een volkomen vrije bruid uw hemelschen Bruidegom geheel kondet toebehooren? Dezelfde Apostel, die eenmaal uitriep: „Ik acht ook alle dingen schade om de uitnemendheid der kennisse van Jezus Christus, mijn Heere, om Wiens wille ik alle die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus mocht gewinnen", diezelfde Apostel zucht op een andere plaats: „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen; wie doet de banden afvallen?"
Gode zij dank, hij weet de oplossing. Het zal straks zijn, als Christus Jezus mij geheel heeft vrijgemaakt. Als deze tabernakel, deze woonstede der zonde is uiteengevallen, dan wordt het werkelijkheid:
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.
Psalm 73 vers 12.
Is dit niet iets wonder-heerlijks, dat de machtige Gebieder dingt naar de hand van de dochter Farao's? Met de allerzachtste bewoordingen treedt Hij haar tegemoet: „Hoor, o dochter, en zie en neig uw oor",
't Is iets onbegrijpelijks, voor de toeschouwers zoowel als voor degenen, die het aangaat. Als de Heere omziet naar een zondaar en Zijne trekkende liefde laat merken, zoodat er roering komt van binnen en een opstaan gelijk bij den zoon uit de gelijkenis niet kan uitblijven, dan zijn er twee, die vragen; de wereld: wat moet deze? verbeeldt die zich ook al iets? — én de persoon die getrokken wordt: wat zou die rijke Hemelkoning aan mij, armen, doodarmen zondaar, toch voor bekoorlijks kunnen vinden? Het kan haast niet waar zijn. Ik heb niets dan zonden, niets dan ongerechtigheden. Wat zou Hij willen?
Wat Hij wil? Dat ge u zoudt overgeven, net zooals ge zijt. Dat ge maar alleen op Zijn Woord zoudt letten en de sieradiën, welke Hij uitreikt, niet versmaden. O, het is toch zoo wonderlijk, hoe de zonde heel ons zijn heeft vergiftigd; wij wantrouwen alles wat van Zijne zijde komt. Als de Heere spreekt, zoo stelt de mensch een vraagteeken. Zou het wel waar zijn? Zou de Heere het ten opziohte van mij wel meenen?
Alles wat wij zien van 's Heeren zijde wordt gewantrouwd, terwijl wij, van menschelijken kant telkens bedrogen, het altijd maar weer opnieuw wagen. De Heere wil ons met het Zijne gansch vervullen, vandaar ook de schijnbaar moeilijke eisch: vergeet uw volk en uws vaders huis. We noemden dit een eisch, schijnbaar moeilijk. Of is dit niet waar? Zijn de herinneringen aan en het leven zelf te midden van de zonde dan zoo zoet, dat men er waarlijk niet buiten kan?
Ge zegt: juist omgekeerd.
De Heere lokt om ons van alle banden te bevrijden, die zoo schrikkelijk knellen. Hij wil het echte, volle, vrije leven weer schenken. Wat in een Paradijs thuis hoort, kan zich in het diensthuis der zonde niet thuis voelen; het moet in de schaduw van den levensboom zich weer legeren.
Vergeet uw volk en uws vaders huis, is de eisch der liefde: Ik wil u alles geven: mijn naam, mijn goed, mijn huis, mijn heele zijn. Kan het ooit grooter? Daarvoor moet zij het hare prijsgeven. Haar naam is niet meer dan „zondares" en het hare niet anders dan zonde. Zou zij het niet gaarne wisselen?
Het moest zoo zijn!
Te meer, wat er op volgt: „Zoo zal de koning lust hebben aan uwe schoonheid".
Wat is dat? zegt ge. Versta ik dit wel: schoonheid? Ja, M.L. Daar is een inwendig schoon, waarin de koning zich kan vermeien. Sedert Hij haar met Zijne liefde heeft begiftigd, is daar een trek in de ziel, waarin de Heere Zich oprechtelijk kan verblijden. En nu moet ge goed opletten: de Heere spreekt hier van „u w e schoonheid". Hij kon 't ook anders hebben gesteld; zóó: de schoonheid, waarmede Ik u heb begiftigd. Ziet, het kind des Heeren heeft in zichzelf nooit iets waarover een heilig Hemelkoning kan verblijd zijn; vandaar ook de eisch: „vergeet uw volk en uws vaders huis".
Dit is inderdaad voor Hem iets wat afschuw moet wekken. Voor dat afzichtelijke geeft Hij het Zijne in de plaats. Zoo verstaat ge het ook, nietwaar, hoe meer zij van het Zijne mag aannemen, hoe meer zij van het Zijne verkrijgt, hoe schooner zij is.
Laat u dit tot vertroosting wezen, gij, die zoo vaak al geschrokken zijt voor uw eigen beeltenis. Gij zegt: „dit woord kan onmogelijk mij gelden. Wanneer ik daar lees: de koning zal lust hebben aan uwe schoonheid, zoo moet dit noodwendig slaan op iemand anders, op menschenkinderen, dien men het van het aangezicht afleest, dat zij hun voet van zondige wegen verre hielden. Op mij kan het nooit slaan. Ik heb geen schoonheid".
Welk antwoord moet hierop worden gegeven? Dit: gij staat aan den verkeerden kant. De Koning heeft alleen een behagen in wat volmaakt schoon is; met andere woorden: Hij moet in u iets of iemand anders zien, die den naam „schoon" met eere draagt. Wie is dat nu? Wie mag onder de menschenkinderen den naam „schoon" dragen? Toch niet één. Ja, toch één. Ik lees in denzelfden Psalm: „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen".
Wie zou dat zijn? Dat is Christus, M.L., niemand anders. Hij is de Eenige, de Volmaakte, de Schoone.
Wanneer ge onder Diens liefdevleugelen moogt wegschuilen, op niets anders dan op het Zijne het wagend, wanneer ge vernieuwd moogt worden naar Zijn beeld dan ziet de Heilige in den hemel in u niets meer van het uwe, enkel wat van Hem Zelf is, dan zijt ge in Hem „schoon". Doch dan zal omgekeerd in uwe oogen deze Christus ook de schoonste zijn, de eenig-schoone.
Wat is dit iets groots. De koning zal lust hebben in uwe schoonheid. O, wat wordt alles naar Hem toegeleid. Als ik het mijne vergeet, en het Zijne alleen overblijft, dan is Zijn lust wakker.
Hoort ge dat wel? gij kleinen, die maar altijd bij uzelven wilt blijven. Ge zoekt door dit na te laten en daarop volijverig acht te geven uzelven beminnelijk te maken. En dat is zoo goed te verstaan, ge kunt het niet begrijpen — of ge moet van Hem uit beginnen — dat Hij lust kan hebben in het uwe. Ge zoekt iets aan te brengen, al is het nog zoo weinig maar. En nu zegt de Heere: och, vergeet het uwe; laat u maar volmaken met het Mijne. Ik ben een Koning.
'k Heb eens deze vergelijking gelezen, ge weet waar, dat de Zoon des Konings zich een bruiloft zag bereid van de allerarmsten, van enkel gebrekkigen. En daar werd Hij geëerd. Verstaat ge het nu, waarlijk bekommerden. Hij heeft alleen lust aan wat Zijn hand aan u kwijt kan.
Vergeet dan al het uwe en begeer enkel het Zijne.
Moet het slotwoord er nog aan toegevoegd? 't Wordt schier overbodig, maar toch mag het niet ontbreken. Voor de kinderen van het Komnkrijk is de grondregel deze: dewijl Hij uw Heere is, zoo buig u voor Hem neder. Daar zijn overzettingen, die het laatste aldus lezen: zoo aanbidt Hem. Het kan hier gevoegelijk tezaam gevat. Het buigen voor en het aanbidden van valt hier saam. Israels Koning is zulk een wonderheerlijk Gebieder. Wie der vorsten ziet naar zulke onderdanen om? Wie der rijken en machtigen begeert zulk een bruid?
Hij, de heerlijkste en de grootste van allen begeerde de armste en de onaanzienlijkste bruid. Daar was en is aan haar geen enkele trek van schoonheid te vinden. Zij heeft niets dan schuld. Haar volk mag gerust worden vergeten, 't Was enkel Zijne keuze, Zijne liefdelokkingen, waardoor zij wordt en verkrijgt wat zij is en hebben zal.
In den hemel der heerlijkheid komt niet anders dan wat vergeten heeft eigen volk en eigen huis. Die zich rijk lieten maken, die geheel arm werden, maar wie met Zijne rijkssieradiën werden omhangen en tenslotte den schoonen bruidsschat in ontvangst mochten nemen.
Is het nu iets wat buiten de lijn zich toeweegt uwer verwachtingen? Deze Koning richt tot de Zijnen eene vraag: waar gij uw levenspad moogt afwandelen naast Mij en alles spreekt van het Mijne, dat ge Mij erkent als uw eenige Behouder, dat ge Mij eert als uw Vorst en Koning. Buigt u voor Hem neder en aanbidt Hem, zoo luidt de eisch van den Allerhoogste tot de Zijnen. Spelt eens dezen zoeten klank „uw Heere" uzelven eens heel langzaam voor. De Hemelgebieder is mijn Heere. Die Bruidegom mijn Geliefde.
Wordt u het hart niet week onder zooveel goedheid? Zingt het den dichter eens na: „En onze Koning is van Isrels God gegeven". Zij daarom uw levenspad voor de dagen, elke de Heere u hier nog wil laten, in reinheid voor Zijn aangezicht. Laat veel uw smeekingen rijzen. Bedenkt, dat des Konings heerlijkheid hierin bestaat, dat Hij geven kan, dat Zijn onderdanen Hem eeren, door voor Hem te buigen. Des Konings lust is in een volk, dat het eigen vergeet, maar in Hem zich verliest.
Bedenkt, de bruiloftszaal is wachtende. Daar zal het overredend vermogen niet meer zoo krachtig behoeven te zijn. Als Hij, de Hemelsche Bruidegom, Zijn machtigen liefdearm legt om haar schouder, zoo zal het zijn om haar te doen hooren: Zie hier, mijn Geliefde, wat Ik voor u heb toebereid. Uit het diensthuis der zonde heb Ik u uiteleid, door er zelf de hardste plaats te kiezen. Ik heb Mij tot eene vervloeking laten stellen; den dood als van een vloekeling liet Ik aan Mij voltrekken, opdat gij het leven zoudt hebben, het eeuwige leven hier.
Zie en aanschouw nu eens, wat ge op de aarde beneden u nauwelijks hebt kunnen voorstellen. Aanschouw het nu, dat is alles voor u. Wat zal dat een heerlijkheid zijn, als de Hemelsche Bruidegom enkel lust zal hebben in de schoonheid van Zijn Bruid. Dat al de zonde en onreinheid voor eeuwig is weggedaan. Dat alles spreekt van het Zijne. Zie, dat is de hemel voor Hem, dat is de hemel voor de Zijnen: enkel lust, enkel behagen. Gods eeuwige liefde in Christus tot de Zijnen wordt hier aanschouwd en geproefd. Geve de Heere, dat ge zeggen moogt: dat is ook mij wachtende, en daarom vergeet ik het mijne en wacht op het Zijne. Amen.
U t r. J. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's