FEUILLETON
door JEKA
DE SMID VAN GRIJSDORP
24)
Maar Rika kon dadelijk niet gaan zitten, zij had wel wat anders te doen. Albert was nu aan de beurt. Hij hielp eerst wat een en ander uit het rijtuig aan te pakken, maar van Leeuwen zei: „Ga maar in huis, Albert, wij knappen dat hier wel op".
„Dag Riek", en Albert deed wat zij haar grootmoeder gedaan had, hij omhelsde en kuste haar, en nu kwamen er tranen van vreugde uit jonge oogen die vol liefde hem aanzagen.
Hoe gelukkig waren allen nu weldra in de gezellige achterkamer bijeen. Riek moest al maar rondzien van het een op het ander, van den een op den ander. Alles nog hetzelfde, alsof zij slechts een dag weggeweest was; en toch niet hetzelfde, want toen zij ging, was de kamer vol zorgen en nu vol blijdschap. En daar, vlak over haar, zat Albert haar al maar aan te kijken en toe te knikken, en, zooals zijn vader gezegd had, hij zag dat de fleur er niet uit was; ook de kleur was er bij haar nu wel op.
Allemaal oude bekenden, de schilderij van „Luther op den Rijksdag te Worms" boven den schoorsteenmantel en daaronder porceleinen kommetjes en beeldjes, in de vensterbanken de goed verzorgde kamerplanten, achter Albert, het kabinet, omoe's kabinet, dat zij bij haar trouwen van de barones had gekregen; hoe glom het mahoniehout en de koperen hengsels aan de laden; boven de deur de tortelduifkooi en de duif scheen haar te zien en stond al maar te buigen en „roekoe" te roepen; daartegenover het kleine commodekastje, waarop het beste servies stond, door een gehaakt kleedje overdekt; op den vloer de fijne matten en het roode karpet er over. Wat had grootmoeder het toch alles netjes in orde gehouden!
Vader zat reeds weer bij de kachel en had zijn pijp aangestoken. Gerrit, die veel aan zijn zuster had te vragen, aan den anderen kant. Grootmoeder, naast haar, schonk koffie uit den welbekenden koffiepot, en gaf er een flink stuk koek bij. „Ge moet nu eerst wat eten, Riek, ge zult wel honger hebben, vader zal even bidden".
En van Leeuwen deed 't. Hij dankte God hartelijk voor de behouden thuiskomst van zijn kind, „en dat Hij het ook bij de andere kinderen zoo wèl had gemaakt". „Wij loven Uwe goedertierenheid, o Heere! Blijf verder met ons en zegen ons in Christus, met vergeving van onze zonden in Zijn bloed, om Uws Naams wil".
Het stond alles klaar voor Rika; omoe had een paar eieren gekookt, rookvleesch gesneden en brood in overvloed. Maar er kwam niet veel van. Riek was te gelukkig om te eten. En er was ook zooveel te vertellen en te vragen.
Zoo vloog de tijd om; de klok zou weldra elf uur slaan. Voor een oogenblik ging er een schaduw door de kamer, toen Riek vroeg: „Hoe gaat het met smids Anna? " en de tuinman antwoorden moest: „Slecht, kind, zij is in de laatste weken hard achteruit gegaan. Zij zal het niet lang meer maken".
„Och heden! Dat doet me leed", zei Rika, en haar gezicht was ernstig, toen zij een vergelijking maakte tusschen Anna en zichzelve. Waarom mocht het haar zoo mee loopen en Anna zoo tegen? Zij volop blijdschap en Anna sterven?
„'k Zal er morgen heengaan", zei ze.
„Maar eerst kom ik je halen. Riek, moeder verwacht je", zei Albert.
„'t Zal beide wel kunnen, Albert, ik wil gaarne An nog eens zien".
„Dat is goed. Riek", zei vader, ,,omoe zal het morgen nog wel redden; gij moet dan nog een dag hebben om uit te rusten van de reis en kunt dan meteen eens in de smederij en bij Brongers gaan zien; maar nu moeten wij naar bed".
't Was weer laat geworden, evenals dien avond toen Hein's brief was gekomen en zij naar Den Haag zou gaan, maar welk een verschil! Toen had zij het raam van haar kamertje geopend, lang in den stillen nacht uitgezien, zonder toch iets te zien, en hoe lang duurde het voor de slaap kwam! Nu kon het raam niet open, 't was te koud, maar innerlijk was Rika warm. Haar hart was overvol van vreugde en dank, van verwachting en liefde. Het ging omhoog tot Hem, die haar zoo goed had geleid en wonderlijk verblijd.
Was het dan in het tuinhuis, zooals de bewoners 't maar wenschen konden, gansch anders was het in de smederij. Anna was weer ingestort, had nogmaals bloed opgegeven en was daardoor zeer zwak geworden. Hare laatste levenskrachten schenen met het bloed weggevloeid.
„'t Loopt nu mis, Zeelman", had de dokter tot den smid onder vier oogen gezegd. „zij komt hier niet weer van boven op.Ge zult ze, vrees ik, niet lang meer hebben. Als er nog weer zooiets komt, is 't afgeloopen. Denk er om, dat gij bij haar waakt, en wees voorzichtig; de minste stoornis brengt het bloed weer naar boven". Zeelman had er nog van gesproken, een professor te laten komen. „Dat kunt ge doen, Zeelman, maar 't helpt niet, ze is niet meer te redden".
Toch bleef men in de smederij nog hopen vooral toen Anna zoo rustig was, de koorts een weinig verminderde en de zieke zelf nog al moed scheen te hebben.
(Wordt vervolgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's