SCHRIFTVERKLARING
Ik beveel u voor God, die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft: Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus.1 Tim. 6 vers 13 en 14.
1 Timotheüs.
93
De v e r s c h ij n i n g v a n o n z e n H e e r e J e z u s C h r i s t u s. Het berust dus niet op een „vergissing" van den apostel, als hij hier schrijft over de verschijning des Heeren en hij Timotheüs aanspoort tot die wederkomst van Christus in zijn werk getrouw te zijn. Dit hing saam met de krachtige verwachting, waarmede hij de komst van zijn Koning verbeidde. Hij (en velen met hem) geloofde werkelijk dat Christus elken dag kon komen. Zoo moest het ook bij ons zijn. Wij zouden er dan niet aan denken om eenigszins meewarig op de misrekening van de eerste Christenen neer te zien.
'k Meen, dat het mede tot de kenmerken van het zoutelooze Christendom van onzen tijd behoort dat de wederkomst van Christus tot een koud leerstuk behoort, waarmede men geen rekening houdt. Er wordt natuurlijk wel over gepreekt als Zondag 19 van onzen Catechismus aan de beurt is en menige prediker zal naar aanleiding van een Schriftwoord er de gemeente wél op wijzen, maar de zaak lééft niet in de harten van Gods kinderen. Zij roepen het elkander in woord en levenswandel niet toe: Maranatha, de Heere komt. En juist hierin is de gemeente des Heeren van onze dagen van haar Schriftuurlijk standpunt afgegleden. Immers gaat de Heilige Schrift haar wel anders voor! Zoodat Paulus maar heel gewoon aan Timotheüs schrijft dat hij zijn ambtswerk getrouw moest waarnemen tot de verschijning van onzen Heere Jezus Christus en hij zelfs de mogelijkheid niet noemt dat Timotheüs voor dien tijd gestorven zou zijn.
Het behoort mede tot de verdiensten van „Het Zoeklicht" dat het menigeen in onze dagen uit zijn slaap wakker schudt en dat de roepstem van week tot week daaruit beluisterd wordt: „De Bruidegom komt! Is er olie in uwe lampen?" Wij behoeven het niet eens te zijn met de beschouwing van de redactie over het „duizendjarig rijk". Deze beschouwing is ook waarlijk niet de hoofdzaak van „Het Zoeklicht". Het gaat daarin bovenal om hét „Maranatha" en om eene krachtige aansporing om te letten op de teekenen der tijden. Zijn er onder ons die „Het Zoeklicht" willen bestrijden, ik zou zeggen, zij kunnen het niet beter doen dan door de Heilige Schrift te laten spreken over de verschijning van onzen Heere Jezus Christus. Van dat „bestrijden" zal dan wel niet veel terecht komen! Zooveel te beter, want het is broodnoodig dat wij in onze dagen vasthouden aan „hetgeen geschreven staat" en onze belijdenis aangaande de wederkomst van Christus niet verdoezelen.
Trouwens niet alleen „Het Zoeklicht" herinnert de gemeente aan de „laatste ure" waarin wij leven. Ook anderen doen, Gode zij dank, hun wekstem hooren. 'k Wil slechts noemen het boek van ds. A.M. Berkhoff, predikant der Christ. Geref. Kerk van Amsterdam, getiteld „De Wederkomst van Christus". Met instemming worden groote stukken uit dit zeer lezenswaardig werk in „Het Zoeklicht" overgenomen. Een korte aanhaling mag zeker wel ook hier een plaats hebben, om te laten zien in welken geest dit boek geschreven is. Als er gehandeld wordt over den eersten Zendbrief van den apostel Johannes, lezen wij: „Zoo ook hier bij Johannes: reeds zijn er anti-christen; ze stonden op uit de Gemeente zelve, maar keerden zich, bij alle schoonklinkende met Bijbelsche woorden en gedachten doorvlochten leuzen, af van den hoeksteen van het Christelijk geloof: de vleeschwording van den Zone Gods. Dit toch moet hier de beteekenis zijn van het „loochenen van den Zoon". Want deze dwaalleeraars spraken juist veel over Christus, noemden zich naar Hem en beriepen zich op Zijn woorden. Doch zij loochenden de Godheid en het Zoonschap en in verband daarmee het plaatsbekleedend leven, lijden en sterven van Christus. En dat was Johannes genoeg, om ze te zien als openbaringen van den anti-christ. In ieder van die valsche leeraars, die velen verleidden, zag hij als een lid van het groote lichaam van den antichrist; en dit zou zoo doorgaan, totdat straks ook het hoofd, dé anti-christ, „de mensch der zonde", te voorschijn zou komen En nu voegt de Apostel deze teekenen van het einde en het einde zelf zóó samen, dat hij uitroept: „nu weten wij, dat het de laatste ure is". Als Johannes dit — en dan door den Heiligen Geest! — nu bijna 20 eeuwen geleden neerschreef, dan mag de Gemeente des Heeren het nu zeker wel ter harte nemen. Want hoe sterk en driest zien wij in onze bewogen tijden den geest van den anti-christ worden! Hoe rijzen als van „de vier winden des aardrijks" gestalten en figuren op, in welke het door Geest en Woord gescherpte oog onmiddellijk de trekken van den komenden antichrist ontwaart. Ze komen dadelijk betuigen, dat zij voor den Profeet uit Galiléa een diepen eerbied koesteren en bij voorkeur verbinden zij hunne theorieën aan den Christusnaam. Doch spreek hun niet van Jezus' Bloed en Kruis, als voldoening aan Gods recht en daardoor nu als verzoening met God. Dan worden opeens die fluweelen tongen als een „geslepen scheermes", en „het addervenijn blijkt onder hunne lippen" te schuilen. Zij prediken het evangelie der zelfverlossing, waarbij Jezus als prikkel mag dienen, doch de mensch zelf overwinnaar is in den strijd. Duidelijker en duidelijker zien wij uit de volkerenzee de reusachtige gestalte van den anti-christ met zijn rechterhand, den valschen profeet, verschijnen. Daarom „kinderkens! het is de laatste ure". Waakt en bidt!" — Tot zoover deze aanhaling uit het boek van ds. Berkhoff. Vele zijn in onzen tijd de teekenen die de komst des Heeren aankondigen. Onder hen niet het minst de groote afval van het Evangelie der genade, die ook het gevolg is van de jammeriijke onkunde die er bij duizenden z.g.n. Christenen bestaat aangaande de eerste beginselen van het Christendom. En zoo is er een geslacht opgegroeid dat totaal vervreemd is van de zegeningen van het Verbond der genade. Geen wonder dat de menschen dan ook onmiddellijk worden ingepalmd door schoonklinkende leuzen van verschillende „geestelijke stroomingen", die geheel buiten het terrein van het Christendom liggen. Niet „de groote afval", is daarom het meest waarschuwende teeken van de komst van Christus, maar veel meer de kracht en brutaliteit waarmede de heidensche geesten zich aan ons opdringen. Dit is voorheen niet zoo geweest. Dit is iets uit den laatsten tijd. Het bestek van mijn „Schriftverklaring" laat niet toe hierover uit te weiden, maar ik wil slechts noemen „De Orde van de Ster in het Oosten". Is het niet droevig dat zulk eene heidensche beweging een van hare hoofdzetels in ons door God zoo rijk gezegend, protestantschchristelijk vaderland heeft verkregen, zoodat keer op keer vele duizenden samenkomen te Ommen, om den nieuwen wereldleeraar, Krischna-Murti, te vereeren? Die wereldleeraar zal de problemen oplossen! Hij zal de menschheid verlossen. Alle godsdiensten, ook het Christendom, zoo leert men, zullen dan verdwijnen. Alle natiën zullen Krischna-Murti erkennen als hun Messias. Hij zal de groote Christus zijn! „Alsdan", zoo heeft onze Heiland Zelf ons gewaarschuwd, „zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want daar zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden". (Matth. 24 vers 23 en 24). Moest dit alles ons niet drijven om met heel de gemeente des Heeren Gods genade over ons en ons land in te roepen? Veel wordt voor de Zending geofferd, maar helaas poot zich het heidendom vlak bij ons! En dan zijn er nog predikanten, die zelf veel voor de Zending werken, en die in deze beweging nog een „nieuw licht" begroeten! Zie, dit alles zegt ons dat wij „in het laatste der dagen" zijn! Laat een ieder die waken en bidden leerde, het nu doen met dubbele kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's