FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
25)
„'t Lijkt nu toch wat beter, niet waar dokter ? " vroeg vrouw Zeelman een paar dagen later, maar de dokter gaf haar slechts ten antwoord: „Afwachten, vrouw Zeelman, rustig houden en goed om haar denken. Ge moet ze niet alleen laten."
Nu dat deden ze dan ook niet. Er was altijd een bij de zieke, en vooral deed hare moeder wat ze kon om haar te verplegen.
Rika zou hare vriendin niet wederzien. Een paar uur nadat zij zoo gelukkig en dankbaar was gaan slapen, stierf Anna. Rika had hare reis uit den Haag volbracht en was in het ouderlijk huis teruggekeerd, Anna ondernam even daarna de groote reis naar het Vaderhuis omhoog, waar zij zou uitrusten van moeite en leed. Zij reisde niet alleen; de Heere was haar Leidsman door de Jordaan des doods.
Haar sterven was, zooals dikwerf in dergelijke gevallen, nog onverwachts. Zij was juist des daags vooraf vlug en opgewekt geweest. Niemand in de smederij dacht dat het de laatste dag van haar leven zou zijn, ofschoon zij zelf wist wel, dat zij zeer nabij den dood was.
's Morgens, toen hij uit school kwam, was Kobus, haar broertje, nog bij haar geweest. Hij deed dat gaarne en zat dan gewoonlijk zeer stil bij haar bed, naar haar te luisteren, die meestal wat wist te vertellen dat Kobus gaarne hoorde. Maar dien morgen had hij het woord gehad en levendig verteld van zijn pret in de sneeuw vóór schooltijd, en hoe meester Wielenga „zoo mooi had verteld van de sneeuw in den Bijbel". Van de sneeuw op Hermon en den Libanon, en van Davids gebed: „Wasch mij geheel, zoo zal ik witter wezen, dan sneeuw, die versch op 't aardrijk nederviel." Hoe ook der kinderen harten gereinigd moesten worden door Jezus' bloed om eens in den hemel een engelen-en heiligenkleed te dragen, als sneeuw zoo wit, en „dat nooit vuil meer zou worden". Dat Jezus op den berg Thabor, toen hij met Elia en Mozes sprak, zulk een kleed droeg en de engelen ook, die bij zijn geopend graf zaten in Jozefs hof.
Mina was ook in de kamer geweest om, zoolang moeder voor het middageten zorgde, bij Anna te zijn. Zij begon al aardig in Anna's plaats een huishoudstertje tot hulp van moeder te worden, maar zij moest nu wel evengoed als Kobus luisteren, toen Anna zeide: „Ik hoop ook spoedig zulk een sneeuwwit kleed te krijgen, Kobus. Hoe heerlijk zal dat zijn!"
Kobus zweeg, die toepassing had hij niet verwacht. Dat Anna weldra zou sterven wilde er niet bij hem in. Zij was wel ziek, maar de Heere kon haar toch genezen, gelijk hij ook reeds zoo dikwijls gebeden had. Hij wilde zijn zuster, van wie hij zooveel hield, niet missen.
„Ge moet veel om een rein hart bidden, Kobus, en Mien ook, wil je me dat beloven? "
Kobus zei: „ja An, maar ....."
„En moeder en vader geen verdriet aandoen, maar gehoorzaam zijn", ging de zieke door; „zóó wil de Heere het hebben en dan gaat het goed. Hij leert en geeft het."
„Ik mag niet veel praten, zegt de dokter; ga nu naar onderen, Kobus, het eten zal wel klaar zijn."
„O An! je moet bij ons blijven", riep Mina schreiend uit.
„Dat kan niet. Mien, ik ga naar Jezus. Schrei zoo niet, dat kan ik niet hebben. Gij zult mij niet vergeten. Mien, maar vooral, vergeet Jezus niet; dan brengt Hij ons eenmaal weer bij elkander, en moeder en vader, en Kobus en allen die Hem liefhebben."
Mina bleef schreien toen Kobus was weggegaan, maar hoorde toch dat Anna zacht zei: „Witter dan sneeuw, witter dan sneeuw".
Na het eten, toen moeder weer bij haar was, voor de zieke wat lekkers had klaar gemaakt en haar herhaaldelijk aanspoorde er wat van te gebruiken, hoorde zij ook, dat haar zieke dochter fluisterde: „witter dan sneeuw".
Van 't eten kwam niet, Anna gebruikte bijna niets meer. „Een beetje melk, moe, en dan, mag ik even in den stoel zitten, voor 't raam ? "
„In den stoel, An? Ge moet in 't bed blijven, kind."
,,Even maar, moe, je kunt dan 't bed eens opschudden, en vader kan mij wel zacht in den stoel zetten."
„'k Weet niet kind, of het wel goed is, we zullen het morgen dokter vragen."
„Och moe, toe maar, 'k wil zoo graag de sneeuw eens zien."
Moeder had toegegeven. Voorzictig droeg Zeelman de zieke van 't ledikant in den grooten leuningstoel voor 't raam.
Daar zat ze dan in een deken gewikkeld in den stoel. Hoe mager en wit was ze als een doode. Maar toch, ze leefde nog en met blij schitterende oogen zag zij naar buiten: alles wit van sneeuw, het platte dak van de keuken, de takken van den lindeboom, de gansche tuin, niets dan sneeuw, ook de duiventil met sneeuw bedekt.
Maar de duiven waren er niet. Duiven en kippen houden niet van sneeuw. De smid zorgde dat zijn duiven een winterhok hadden, boven op zolder, rondom den schoorsteen; daar was het niet koud. Anna hoorde soms het getrippel wel, en hoe ze korrels oppikten, als ze gevoed werden. Als er sneeuw lag, dan kwamen zij er niet uit.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's