De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

Naar de Classicale Vergadering
Dat is nog de eenige kerkelijke vergadering die we hebben — gezwegen nu over den kerkeraad. Op de Classicale Vergadering ontmoeten de Kerken, in één classis verbonden, elkander. En over kerkelijke aangelegenheden kan dus gesproken worden. Daarom verzuime niemand, predikant noch ouderling, er heen te gaan, indien zijn plaats daar Woensdag 29 Juni a.s. is.
Op de Classicale Agenda staan 7 Synodale voorstellen. No. I is het Reglement op de Buurtgemeenten; no. II het voorstel tot wetswijziging, dat betrekking heeft op de positie der Walen; no. Ill—VII betreffen wetswijzigingen, die van weinig of geen belang zijn. Over de voorstellen III—VII zal dan ook wel heel weinig gepraat behoeven te worden; omdat het goed is, dat de bevoegdheid der Algem. Synodale Commissie inzake de Weduwen-en Weezenbeurs en het Reglement op het Pensioenfonds nader wordt omschreven (voorstel III); omdat 't ook goed is, dat de kerkelijke hoogleeraren in de Academiestad wonen en niet in een andere gemeente, buiten (voorstel IV); omdat het ook niet kwaad is, wat in voorstel V staat inzake bezwaren, die in te brengen zijn tegen beslissingen van den Raad van Beheer; omdat (voorstel VI) secundi niet kwaad zijn voor den Raad van Beroep; omdat (voorstel VII)  v e r d u i d e I ij k i n g  in het Reglement op het Pensioenfonds van nut kan wezen. De voorstellen III tot VII kunnen dus zonder veel gepraat onder den hamer doorgaan!
Maar dan liggen daar de voorstellen I en II, die van grooter belang zijn, zooals we reeds vroeger hebben geschreven.
Wij zijn niet vóór voorstel I. Heel die kwestie van de buurtgemeenten is en blijft allerbelangrijkst; maar helaas! kunnen we ook dit weer niet principieel aanpakken, omdat de kerkelijke toestand zoo onzeker is in het midden van de Hervormde Kerk. Er moet eerst meer vastigheid komen — officieel — inzake de belijdenis van Jezus Christus, den Christus der Schriften. Tot nu toe heeft de Kerk niet aan de buurtgemeenten aangewild. Er is al lang een Reglement, maar men heeft er geen gebruik van gemaakt, dan alleen in de nieuwe gemeente Heerlen, in Limburg. Nu waren er wel bezwaren tegen dat bestaande Reglement, b.v. dat de kerkeraadsleden in de buurtgemeenten moesten woonachtig zijn; ook dat de buurtkerkeraad een dominee koos, die dan door den kerkeraad van de centrale gemeente moest worden beroepen. Deze bezwaren zijn nu weggenomen; men mag volgens het nieuwe voorstel als kerkeraadslid ook buiten de grenzen van de buurtgemeente wonen en de centrale kerkeraad biedt een nominatie van predikanten aan den kerkeraad der buurtgemeente, waaruit deze dan kiest, waarna de centrale kerkeraad beroept. (Wijziging art. 5a). Waar hier het kiescollege blijft, is ons niet duidelijk; bestaat dat of bestaat het niet? Hoe komt de centrale kerkeraad aan een zestal? En de buurtgemeente is dan in elk geval niet vrij te beroepen, wien de buurtgemeente (hetzij kiescollege, hetzij kerkeraad van die buurtgemeente) wil. De centrale kerkeraad beroept dus altijd een predikant, zooals de centrale kerkeraad wil; de buurtgemeente staat er buiten!
Natuurlijk is niet bepaald, dat men in de buurtgemeente, waarin men woont, naar de kerk moet gaan. Eigenlijk is men dus vrij om te gaan en te staan waar men wil. Alleen zal men den predikant dien men „naloopt" dan meer kunnen vinden in hetzelfde kerkgebouw, in de buurtkerk. Waartegenover staat, dat de buurtkerk dan een kerk wordt voor de volgelingen van den predikant en niet voor degenen die in de buurtgemeente wonen!
Of het met het opgaan onder de prediking, het ter catechisatie zenden van z'n kinderen enz., dus wel heel veel anders zal worden, dan het nu met onze wijkindeeling is, betwijfelen wij. Of de wijkindeeling, onder de huidige organisatie, niet veel beter zelfs is dan de buurtgemeenten? Wij gelooven, dat men verstandig zal doen de wijzigingen van dit Reglement niet te aanvaarden, en zeker niet dat de gemeenten verplicht zullen zijn zich in buurtgemeenten te splitsen. Dat de vrijheid gelaten wordt, fiat! Maar dwang kan in deze door de plaatselijke gemeenten niet worden aanvaard! Men moet zulke dingen niet dwingend opleggen. Wanneer Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Rotterdam enz., het zelf willen, fiat! Maar men moet niet van hooger hand gaan zeggen: gij m o e t!
Wij zullen daarom tegen stemmen — en wij zullen daarbij vragen, ons nu eerst eens van hooger hand, in Den Haag, te helpen inzake de belijdenis-kwestie en inzake de vertegenwoordiging der Kerk in de Synode. Wat ons bij de behandeling van dit Reglement óók vreemd aandoet is dit: dat al de „plattelandsgemeenten" nu door de stem voor of tegen zullen mee werken, dat de groote steden gedwongen zullen worden of niet, om tot de vorming van buurtgemeenten over te gaan. Is dat wel te verdedigen? Hier past alléén vrijheid! Vrijheid van de plaatselijke Kerk. Maar dan voor de Kerk plaatselijk en landelijk niet anders dan de belijdenis van den Christus der Schriften!
Over voorstel II: de Walen, behoeft hier door ons nu niet meer gesproken te worden. Ieder die de rechtvaardigheid betrachten wil en die onze Kerk helpen wil, om tot verbetering te komen van onze kerkelijke organisatie, stemt natuurlijk vóór dit voorstel. Het is te dwaas, dat de Walen, die nog geen 8 duizend leden tellen in heel ons land, drie jaar achter elkaar twee leden naar de Synode afvaardigen — juist zooveel als b.v. de provincie Zuid-Holland in haar geheel, met steden als Leiden, Den Haag, Rotterdam, Gouda, enz. enz. Dat er Zondag in al onze kerken gebed mag opgaan tot den Heere, om mee door onze Classicaie Vergaderingen onze Herv. (Geref.) Kerk een zegen ten goede te bereiden en haar weer te brengen tot de rechte en vaste belijdenis der Waarheid, opdat zij land en volk tot zegen worden mag tot in lengte van dagen!

De Groote Synode.
Het voorstel:  G r o o t e  S y n o d e  is om een betere vertegenwoordiging van de Kerk te krijgen. Nu bestaat de Synode uit 19 leden: 13 predikanten en 6 ouderlingen, op zoodanige wijze gekozen, dat het niet gemakkelijk valt om te weten hoe 't jaarlijks geschiedt, waarbij de vertegenwoordiging der Kerk allergebrekkigst is. Niemand kan deze orde van verkiezing der leden en samenstelling der Synode verdedigen. Daarom is in 1922 door de Synode een Commissie benoemd, bestaande uit de heeren: dr. Weylandt, prof. Aalders, ds. v. Paassen, van Haarlem, mr. H. de Bie en ds. M. van Grieken, welke Commissie eenparig tot een voorstel kwam. Dit voorstel van de Groote Synode is in 1923 voor de tweede maal door de Synode aangenomen (met enkele wijzigingen, hier aangegeven) met 11 tegen 8 stemmen. De Kerk heeft het voorstel op de Classicaie Vergaderingen buitangewoon gunstig ontvangen (classis Den Haag op 2 na alle stemmen voor; Rotterdam 84 vóór en geen tegen; Utrecht allen vóór; Amersfoort 45 voor, 4 tegen; Breda 37 voor, 12 tegen; Wijk 29 voor, 2 tegen; Kampen 31 voor, 2 tegen; Amsterdam 59 voor, 2 tegen; Bommel 30 voor, 11 tegen; Appingedam 32 voor, 16 tegen; Maastricht 19 voor, 7 tegen, 1 blanco, enz.) Helaas is het voorstel tenslotte met 'n paar stemmen beneden het twee-derde aantal van het totaal der stemmen door de Provinciale Kerkbesturen verworpen. (Zuid-Holland 9 voor; Noord-Holland 3 voor, 4 tegen; Zeeland 6 voor; Utrecht 3 voor, 1 tegen; Gelderland 7 voor, 2 tegen ; Friesland 5 voor, 2 tegen ; Overijsel 3 voor, 1 tegen ; Groningen 2 voor, 4 tegen ; Noord-Brabant met Limburg 4 voor, 3 tegen; Drenthe 1 voor, 3 tegen; Waalsche Commissie 4 tegen) — alzoo door de Ned. Herv. Kerkbesturen 43 vóór en 20 tegen, waarbij de nekslag gegeven is ('t moest twee-derde van de stemmen zijn) door de Waalsche Kerken, die 4 stemmen uitbrengen, alle 4 modern en alle 4 tegen!
Nu wil de Classis Harderwijk, die verleden jaar de zaak reeds bij de Synode aanhangig maakte, maar helaas! het voorstel niet genoeg uitgewerkt had in reglementairen vorm, dit jaar op de Classicaie Vergaderingen de kwestie van de Groote Synode weer voorleggen, welk pogen wij gaarne willen aanbevelen en steunen. Hier kan men over een breede lijn meedoen om verbetering in ons kerkelijk leven aan te brengen; en wij hopen, dat niemand, die het wél meent met onze Hervormde Kerk, zal achterblijven nu.
De hoofdbeginselen van het Ontwerp-Reglement „Groote Synode", zooals het in 1922 is ingediend en in 1923 hier en daar gewijzigd en aangevuld, zijn: De Synode is samengesteld uit 45 leden, 30 predikanten en 15 ouderlingen, rechtstreeks voor 6 jaar gekozen door de 44 Classicaie Vergaderingen en de Waalsche Commissie (art. 56); de Synode vergadert ééns in de twee jaar (art. 58); voorstellen kunnen ingediend door lidmaten. Kerkeraden, Ringvergaderingen, Classicale Vergaderingen, Classicale Besturen, Provinciale Kerkbesturen en leden der Synode (art. 12) ; er is een Algemeene Synodale Commissie, gelijk nu, benevens een Commissie van Wetgeving bestaande uit 3 leden (art. 70) en een Commissie voor Rechtspraak, bestaande uit 5 leden, uit en door de Synode gekozen (art. 15); er worden twee Classicaie Vergaderingen gehouden, en wel in Maart en in October (art. 37); elke gemeente stort f 6 voor elke predikantsplaats voor de onkosten (dit was een overgangsbepaling) enz.

Wijziging Proponentsformule.
De Classis Harderwijk heeft nóg een voorstel en wel: in art. 27 Reglement op het Examen en art. 19 Reglement Godsdienstonderwijs worde achter de woorden „verkondigen het Evangelie van Jezus Christus" ingevoegd de nadere omschrijving „het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds".
Waarom zoo'n voorstel?
Het is immers herhaaldelijk gebleken, dat de tegenwoordige omschrijving „het Evangelie van Jezus Christus", hoewel op zichzelf voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar, aangezien er maar één Evangelie van Jezus Christus is, nochtans door velen op verkeerde wijze wordt uitgelegd. Men zegt dan eenvoudig: wat in den Bijbel staat is fabel; het is fantasie van Mattheus, van Johannes, van Paulus, van Petrus — we moeten iets anders hebben dan in de Schrift staat; we moeten het echte, oer-evangelie van Jezus zelf hebben; en dan gaat men zelf fantaseeren, om een evangelie in elkaar te timmeren, waarbij men de Godheid van Christus, Zijn verzoenend lijden en sterven, Zijn opstanding uit het graf, Zijn hemelvaart enz. loochent. Al de heilsfeiten worden weggeredeneerd en onder christelijken naam wordt dan een anti-christelijke leer verkondigd, vierkant tegen de Schrift ingaande. (Zie o.a. de brochure van ds. Theesing: „Verboden Christendom door een Ketter geleerd". 1923).
Daarom dit voorstel, om eenvoudig in te voegen in de proponentsformule — niets meer — „het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds". In den geest dus, als de christen in den Catechismus zegt, dat wij den Christus en Zijn heil kennen en het alles weten „uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerst in het Paradijs geopenbaard en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten heeft laten verkondigen en door de offeranden en andere plechtigheden der wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld". (Zondag 6). Allen die het eens zijn met Hebr. 1 vers 1: „God voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbend door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon" — die het hiermee eens zijn, kunnen óók voor een bovenbedoelde omschrijving in de Proponentsformule zijn. Hoe breeder onze actie is, hoe beter.
Niet, dat we dan alles gewonnen hebben. Natuurlijk niet. Maar het kan niet anders dan voor de Kerk zelve goed zijn als zij zich op deze wijze, tegenover het verschrikkelijk geknoei stelt en daarbij opkomt voor het ééne ware Evangelie, waarvan de inhoud is: Jezus Christus en die gekruisigd.
In 1915 hebben een 187-tal predikanten hun naam gegeven voor een dergelijk voorstel (toen wilde men Rom. 4 vers 25 in de formule opnemen, nu dus „naar de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds"), bewijs, dat men algemeen voor deze zaak voelde in de Kerk. En mee door optreden van predikanten als ds. Theesing c.s. is het werkelijk niet! minder noodzakelijk in deze iets te doen. Moge het meewerken, in de gunste Gods, dat de Ned. Hervormde Kerk met haar Evangelie van Jezus Christus hoe langer hoe meer een goede en vaste plaats mag verkrijgen in het midden des volks.

Verboden Christendom.
Velen zullen zich nog wel herinneren, dat, in 1923, een aanklacht bij het Classicaal Bestuur van Edam is ingediend tegen ds. H.J. D.R. Theesing, predikant bij de Ned. Hervormde gemeente te Middelie—Kwadijk (N.-H.), omdat hij, in strijd met zijn belofte bij de aanvaarding van zijn ambt, een ander Evangelie verkondigde dan overeenkomstig den aard, het beginsel en karakter onzer Hervormde Kerk is. Natuurlijk heeft die aanklacht, in zich zelve zeer juist zijnde, niets uitgewerkt. Dat is zoo de gewoonte onder ons! Trouwens, de huidige kerkelijke Organisatie leent zich ook niet voor dergelijke leergeschillen en beslissingen. Daarom moet er zoo spoedig mogelijk, om des Woords wille, verandering komen!
Dat het intusschen geen futiliteit geweest is wat hierbij in 't spel was, is daarna nog duidelijker geworden dan het te voren was. Want brutaal — och, waarom ook niet? — heeft ds. Theesing in een brochure: „Verboden Christendom", zes toespraken van een „Ketter" enz. uitgegeven. Irriteerend dus in vorm en 't meest door den inhoud.
Wij gaan iets uit die brochure (uitgegeven bij „De Vrij religieuse tempel, dir. K. H. Noest Jr., Amsterdam) meedeelen. Men kan dan zien, hoe eerlijk moderne dominees zijn, als zij een proponentsformule onderteekenen, waarin staat, dat zij „beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God" in de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk het Evangelie van Jezus Christus zullen verkondigen, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk! (Art. 27 Regl. op het Examen). Dat dit het Evangelie van Jezus Christus moet zijn naar de Schriften; het Evangelie van Jezus Christus „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 4 vers 25) schijnt men, blijkbaar, niet te voelen en te weten. Men heeft een ander Evangelie, vierkant anders bedacht, met loochening van de Godheid van Christus, met ontkenning van het verzoenend lijden en sterven van den Heiland, met loochening van het wonder, met verwerping van Gods Woord. En zóó radicaal, zóó ruw, dat men er van huivert. Totale miskenning van het Evangelie, dat van den beginne in 't midden van de Christelijke Kerk is geloofd en beleden en verkondigd!
Wij willen zoo hier en daar een gedeelte uit de brochure, bovengenoemd, citeeren. Men kan dan zelf oordeelen.
„Er is een absolute tegenstelling tusschen het evangelie van Jezus en de leer van het Christendom". Zoo begint 't boekje in het eerste hoofdstuk, waarboven staat: „De Groote Fabel", (blz. 5).
„Tweeërlei beschouwing: in het evangelie van Jezus komt de kracht ten goede bij den mensch uit; in de leer van het Christendom de onmacht ten goede" (blz. 6). „Er waren goden en geesten; deze konden zenden ramp of voorspoed, ziekte of dood. Zij waren de wispelturigen en onberekenbaren". „Eigenlijk zijn de goddelijke machten afgunstig op den mensch. Er is vijandschap tusschen den mensch en zijn god, een vijandschap om de macht", (blz. 6). Als de mensch niet doet wat de godheid wil, komt de straf. Dan komen de priesters die den menschen allerlei opleggen. Er komen offers, gebeden, riten en sacramenten. Hierin schiet de mensch te kort uit onwil en traagheid. Want hij wil wel „ontvangen", maar weinig „geven". Deze overtredingen zijn zonden, die gestraft moeten worden. Hier komt de priester als middelaar tusschen god en menschen; is als 't ware de plaatsvervanger van den god op aarde. De mensch is en blijft zondaar. Dus heeft de mensch behoefte aan vergeving en hier rijst de gedachte, dat de god die oordeelt zich óók openbaart als de god der verlossing. Hier rijst de gedachte aan den god-Verlosser en den god-Middelaar, den god die toegang geeft tot het eeuwig leven. Hier sterft de god zelf voor de geloovigen, maar staat uit de dooden op en een iegelijk, die in dezen opgestanen god gelooft, zal ook zelf zonde-vergeving deelachtig worden en uit den dood verrijzen!
Oorsprongen van dit geloof in den god, die sterft en uit den dood opstaat, zullen zijn te vinden in de natuurgodsdiensten waar het „leven" sterft maar eeuwig uit den dood verrijst. Deze natuur-gedachte wordt symbool van geestelijke waarheid. Ze zijn te vinden in de niet-christelijke verlossingsgodsdiensten, waar de goden sterven en uit de dooden opstaan. Babylon met Marduk, die sterft in den winter en in het voorjaar verrijst; Phrygië met Allis, die sterft en opstaat tusschen 22 en 25 Maart; Egypte met Osiris, die stierf en opstond en nu regeert in de andere wereld; Perzië met Mithra, die geboren werd, uit den dood verrees en terugkomt bij het wereldeinde; en in Antiochië, waar de volgelingen van Jezus Christus het eerst den naam Christenen ontvingen, werd Adonis als Heer vereerd, wiens beeld werd begraven; onder klaagzangen der vrouwen, maar die uit het graf verrijst.
Al deze gedachten van verlossing vinden hun oorsprong in een zedelijk pessimisme. 't Is alles duister, maar 't licht breekt door.  De God-oordeelaar wordt tot een god-verlosser, en de zaligheid, die de mensch niet verdienen kan door de onmacht, die zaligheid verkrijgt hij door goddelijke genade, (blz. 9).
„De Christelijke Kerkleer is gefundeerd op deze gedachtenwereld. Talloos waren in Rome de verlossers, talloos de heilanden. Tenslotte is de strijd gegaan tusschen de heiland Mithra en de heiland Jezus Christus, waarbij toevallig dan de laatste de overwinning behaalde, zoodat het nageslacht geen vereerders van Mithra, maar van Jezus Christus worden zal" (blz; 11). „Door politieke invloeden wordt na langen twist de Christelijke Kerkleer opgebouwd, waarbij de God-Verlosser als de Zoon, de tweede persoon der Heilige Drieeenheid worden zal. De mensch Jezus en zijn menschelijk evangelie zal omhangen zijn met wonderen en 't is voor de menschen niets anders geworden als het aannemen van een geloof, dat in werkelijkheid berust op een „fabel". En de Bijbel moet dan bewijzen, dat de „fabel" gebeurd is. (blz. 11—12).
„Dat een zóó gerichte religie getriumfeerd heeft, is uit den tijdgeest te verklaren. De mensch had zulk een religie noodig als innerlijke troost en zielsbehoefte".
„Het is een andere vraag of ons dat complex van gedachten nog bevredigen kan. Of voor ons deze leer nog een troost en zielsbehoefte is. En dan is zeker, dat de moderne mensch er vreemd tegenover staat" (blz. 12). „Blijkt niet uit alles, dat Jezus den mensch de macht toekent om zichzelven innerlijk te veranderen? Hij zag in hen, die hadden gedwaald, toch dragers van het goddelijk-goede".
„De evangeliën zijn geen historische geschriften".
„De moderne mensch kiest niet het Christus-beeld, maar het Jezus-beeld". „Kiest niet het zedelijk-pessimisme van een leer, gegrond op een „fabel", maar het zedelijk idealisme en het geloof aan een eigen zedelijk vermogen. Voor ons is de opstanding van Jezus Christus, den God-Verlosser als historisch feit, een „fabel". En gelijk geen der andere goden noch heilanden historisch en in realiteit hebben geleefd en uit de dooden opstonden, zoo min is een Gods Zoon Jezus Christus, historisch en in realiteit op aarde geweest en uit de dooden opgestaan. Jezus heeft in historie en realiteit bestaan als een mensch-Jezus Christus, als een god, is nimmer in de historie geweest; en voor zoover eenige Christelijke leer zich beroept op leven en opstanding van Jezus Christus als historisch feit, beroept zij zich op wat in de historie nimmer plaats vond" (blz. 13—14).
„Wie zich tot bewijs van de waarheid der Christelijke leer beroept op de historie, beroept zich op een „fabel".
„Het is de vloek geweest voor het Christendom, dat het eeuwen lang gemeend heeft zich te kunnen beroepen op de historie en den godsdienst van zijn geloovigen heeft gegrondvest op het z.g.n. historisch feit" (blz. 14). „Daarom heeft de Protestantsch-Christelijke Kerk herboorte noodig. Van het historisch feit, dat een „fabel" bleek en de leer, die een pessimistische tendenz draagt, moeten wij terug tot het zuivere, oorspronkelijke evangelie en zijn zedelijk idealisme. Van „Christus terug tot „Jezus". „Dan zal de mensch alle krachten allereerst concentreeren op de aarde en zijn eigen leven, en daar vinden als levensdoel de eeuwige schepping en herschepping van een heiliger leven en een rechtvaardiger wereldorde. Dan zal de mensch in zich voelen zijn zedelijke kracht en het uitroepen: Ik zelf zal de wereld verlossen, ik zelf mij vrij maken van onrecht en kwaad. Dat zal het uur zijn van waarachtige bevrijding en 's menschen opgang naar Gods Koninkrijk op aarde", (blz 15).
Zie hier, in heel kort overzicht, wat ds. Theesing in hoofdstuk I van zijn boekje, onder het opschrift  D e G r o o t e „F a b e l" meedeelt.
Wat óns Christendom leert, wat ónze Bijbel vertelt, wat ónze Hervormde Kerk belijdt berust alles op een „fabel" — 't is alles menschenbrouwsel en uitspruitsel van oud-heidensche voorstellingen. Ds. Theesing weet het nu alles beter en anders — en brabbelt nog eens wat de Christelijke Kerk al honderden jaren geleden principieel veroordeeld en verworpen heeft. Hoe kan nu zóó iemand predikant worden en zijn in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk?
't Is immers de dwaasheid gekroond! Dat zoo iemand een eigen „vrij religieuse tempel" gaat oprichten, fiat. Maar predikant bij de Ned. Hervormde Kerk kan en mag hij niet wezen. Zelf moest hij 't niet willen, hij moest er van gruwen. Maar als hij 't dan toch doet, welnu dan moet de Ned. Hervormde Kerk met dergelijke warhoofden rekening houden en er een stokje voor steken. Zulke dingen zijn onder ons  o n t o e l a a t b a a r! In een volgend artikel vertellen we wat van de volgende hoofdstukken.
(Wordt voortgezet).

De Synodale Organisatie.
Er zijn er, die bezwaren inbrengen, als de Synodale Organisatie tot zondebok gemaakt wordt; als men al het slechte aan dat adres richt en als men altijd den mond daarvan vol heeft. Men zegt dan, dat men de schuld ook elders moet zoeken en misschien méér nog bij zich zelf dan bij de Synode. Voor een groot gedeelte gaan we met deze woorden mee; wij zijn er van overtuigd, dat we veel meer onze hand in eigen boezem moeten steken. En ons moeten leeren bekeeren van allerlei dool-en zondeweg! Ook zijn er, die zeggen: de Synodale Organisatie is er naar Gods raad; er gebeurt niets bij geval; we hebben het te aanvaarden en we moeten ophouden tegen God te murmureeren. Stil te zijn in den Heere zou ons beter passen, 't Geschiedt niet door kracht noch door geweld — door Mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere, Jehova, Die trouwe houdt tot in eeuwigheid. (Zach. 4 vers 6b).
Voor een groot gedeelte gaan we met deze menschen mee; we zijn er van overtuigd, dat er niets bij geval geschiedt, dat de Heere met alles — en zeker ook met dit — Zijn heilige bedoelingen heeft en dat door velerlei rumoer en allerlei geweld toch niets geestelijks, dat tot eere Gods kan strekken en de Kerk tot zegen, te bereiken is. We moeten ons ook onder de oordeelen Gods leeren buigen, stille zijn en Gods Geest in ons laten werken, opdat het door Zijnen Geest geschieden mag!
Er zijn er ook nog, die zeggen: dat er modernen en wie al niet in de Herv. Kerk zijn is niet bij geval; God regeert en nu moeten we de vlag niet uitsteken als die menschen er uit gegooid kunnen worden, maar we moeten het zaad uitstrooien op hoop tegen hoop, wetende dat wij de menschen niet kunnen bekeeren, maar het overlatende aan Hem die de harten neigt als waterbeken.
Voor een groot gedeelte gaan wij met deze menschen mee; dat de modernen enz. er zijn is niet buiten onze schuld en nu kunnen we ze nog bereiken en kunnen we nog tegenover hen getuigen, zoodat ze het kunnen hooren, terwijl, wanneer ze weg zijn uit ons midden, ze overgegeven zijn aan eigen omgeving; ook mag het ons volstrekt er niet om te doen zijn, ze er maar „uit te gooien" en dan een feest te bereiden, blij dat we er „af" zijn!
Maar — nu moeten we eens heel eenvoudig, maar eerlijk, de dingen onder de oogen zien, bij 't licht van Gods Woord, Als de Synodale Organisatie een oordeel Gods is — moeten we er dan maar over zwijgen en maar stil, lijdelijk berusten en alles maar laten zooals het is? Of moeten we, de oordeelen Gods gevoelend, ons voor Hem leeren verootmoedigen en van de schadelijke wegen zoeken uit te komen?
Als de Synodale Organisatie de belijdenis van den Christus erkent en duldt, maar tegelijk de loochening — moet dat niet tot schade voor het kerkelijk leven werken; en is dat niet zonde voor God, waarop Zijn oordeelen niet kunnen en zullen uitblijven,
Als God er ons in gebracht heeft om der zonde wil, dan zal juist, wanneer de ziele welgesteld is, het harte zuchtend verlangen, om van onder de oordeelen verlost te mogen worden, hopende op den Heere, Die trouwe houdt tot in eeuwigheid.
De Synodale Organisatie is tot schade voor het gezond kerkelijk leven. Zij bevordert het hinken op twee gedachten, het dienen van twee heeren, het ja en neen tegelijk zeggen, en daardoor belemmert zij allen arbeid die van de Kerk moet uitgaan, zij verhindert de bespreking en de oplossing van tal van gewichtige vragen rakende het geestelijk en het kerkelijk leven.
Daarom is zij schadelijk en moet naar haar verwijdering gestaan worden, om als Kerk den Christus naar de Schriften te belijden en geen ander Evangelie te verkondigen dan het ééne ware Evangelie: Jezus Christus en dien gekruisigd; overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Rom. 4 : 25. Zóó moet de Kerk komen tot allen, belijdend dien Eénen Naam, predikend dat ééne Evangelie. En die dat Evangelie openlijk verwerpen en zich niet in dien weg willen voegen, hebben we aan te zeggen, dat ze het Koninkrijk Gods niet zullen ingaan en als accoord van kerkelijke gemeenschap moet die belijdenis gekend, geëerd en onderhouden worden, Het zou laf zijn, als de Kerk met die belijdenis niet dorst optreden tegenover degenen, die de Godheid van Christus loochenen en Zijn verzoenend lijden en sterven niet erkennen naar de Schriften.
Met die belijdenis staat of valt de Kerk. Hier wordt beslist over haar zijn of niet zijn. Daarom kome er een hartelijk begeeren om van den schadelijken en zondigen weg verlost te mogen worden in Gods gunst en te mogen leven uit de belijdenis van den Eénen Naam, die onder den hemel is gegeven tot zaligheid.
En neen — dat is niet met een handomdraaien te bereiken; dat zal ook niet komen op ónzen tijd en door óns werk, maar toch hebben we in deze een roeping en een plicht, inziende in het gebod des Heeren, hopende op Zijn genade, liefde en trouw, alles overgevende in Zijn hand, waar Hij bekleed is met alle macht in hemel en op aarde. Wanneer in den geordenden weg meer het goede voor de Herv. Kerk gezocht mag worden zal ons dat niet tot oneer strekken en het zal den zegen onder ons kunnen vermeêren. Ons is het getuigen, den Heere blijft de uitkomst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's