De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Hoeveel stukken zijn u nodig te weten .....

9 minuten leestijd

»opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heefi tot Zijn wonderbaar licht». 1 Petrus 2 vers 9b.

Gij kent toch, lezers, die bekende vraag uit den Catechismus: Hoeveel stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterven moogt? En gij kent toch ook het antwoord daarop gegeven: Drie stukken, ten eerste hoe groot mijne zonden en ellende zijn; ten andere hoe ik van al mijne zonden en ellende verlost worde; ten derde hoe ik Gode voor zulk eene verlossing zal dankbaar zijn. Hoe klaar nu komen deze drie stukken uit in bovengenoemd tekstwoord van den apostel Petrus. In dat eene woord „duisternis" is daarin niet geteekend de grootheid onzer zonde en ellende? Maar dan „geroepen tot Zijn licht", dat is van zonde en ellende verlost. „Opdat verkondigd zouden worden de deugden des Heeren": het stuk der dankbaarheid.
Duisternis, ziedaar met één woord geteekend de toestand van den mensch, zooals die geworden is door de zonde. Dat is immers een toestand van gescheiden zijn van God. Vervreemd van God, ver van God. En alleen bij God is het licht. Hoort den dichter hiervan zingen:
"Bij U, Heer', is de levensbron.
Uw licht doet klaarder dan de zon
Ons 't heuglijk licht aanschouwen".
Maar daartegenover, ver van God, daar is de duisternis van zonde en ellende, ondergang en verderf, en ten slotte de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden. Want:
"Wie ver van U de weelde zoekt.
Vergaat eerlang en wordt vervloekt".
Dat is uw toestand, onbekeerde zondaar: duisternis. Dat is uw toekomstig lot, indien geen verandering intreedt: de buitenste duisternis met al hare ontzetting. En deze toestand is te ernstiger, doordat de mensch van nature niet alleen in een duistere omgeving verkeert, maar hij zelf duisternis is. Leest maar wat de apostel schrijft aan de geloovigen te Efeze: „Want gij waart eertijds duisternis". Als des avonds donkerheid de aarde bedekt, dan grijpen we naar het kunstlicht om ons voor te lichten en dit kan eenigszins het licht der zon vervangen. Maar waar is het licht, dat de mensch zal ontsteken ter vervanging van het Goddelijk licht, dat hij door de zonde moet derven? O ja, er zijn lampen genoeg, waarnaar hij grijpt. De een heeft een lamp van eigengewerkte vroomheid; een ander van uitwendige vormen en plichten; een derde van goede voornemens en plannen, en zoo kunt ge voortgaan; lichten genoeg. Maar bij dat alles blijft het donker. Het zijn lampen als der dwaze maagden. Geen licht, geen leven, geen vrede, geen blijdschap.
Nóg ernstiger wordt deze toestand doordat de mensch, die van nature in de duisternis verkeert, ja zelf duisternis is, bij al die ellende meent in het licht te wandelen, ja, zelf licht te zijn. Hij is dood in zonden en misdaden en meent te leven. Hij is een dienstknecht der zonden, in de macht der duisternis en meent zoo heerlijk vrij te zijn. Hij is ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt en meent rijk en verrijkt te zijn. Hoe droevig: „Verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten".
Maar zij, die de apostel in ons tekstwoord noemt, zijn „geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht". Dat is het roepen dat doordringt, dat de ziel raakt. Dat roepen is ontdekkend, trekkend, levend makend. Toen die roepstem des Heeren door Zijn Woord en Geest in uwe ziel weerklonk, kind des Heeren, hebt ge toen niet eerst u zelf leeren zien in de diepte uwer ellende en de grootheid uwer schuld? Werd toen niet ontdekt de duisternis van alle zonden en gruwelen? Moest toen de ziel niet zuchtend klagen:
»Zulk een last van zond' en plagen,
Niet te dragen,
Drukt mijn schouders naar beneên«.
Maar o, hoe zalig, toen de Heere kwam doorwerken met Zijne genade en ook uw ziel ontdekte aan den onnaspeurlijken rijkdom, die er is in Jezus Christus. Hij, gestorven voor goddeloozen, voor onrechtvaardigen. Zou het mogelijk zijn? Ja, het is mogelijk. Wat meer zegt: het is geschied. Een glimp van hoop mag indalen in het verslagen hart. Doch het is meteen weer weg. Voor anderen wellicht, maar voor zulken? Dat kan niet. Ja, het kan, neergebogen ziel. 't Kan, iedere begenadigde is er het bewijs van. Wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God.
Hoe zalig, toen gij na langer of korter tijd van strijd en worsteling eindelijk in overgave der ziel voor dien eenigen Zaligmaker neervallende, zij het ook stamelend, mocht uitroepen: „Mijn Heere — mijn God".
Is dat licht niet „wonderbaar"? Vanwaar komt het? O neen, niet van den mensch, niet van beneden. Het is van boven. Het is van den hemel. Het is van den Vader der lichten. Is het niet wonderbaar, dat Hij door Zijn Heiligen Geest van dat reine licht, van dat ontdekkend, vertroostend en zaligend licht in harten van zulke ellendige zondaren wil ontsteken? Is het niet een wonder van genade, tot dat licht te zijn geroepen?
Is dat licht niet wonderbaar? Wie verdient het? Gij niet, o menschenkind, wiens gerechtigheden bij den Heere zijn als een wegwerpelijk kleed. Als ge door Gods genade op al uwe werken den dood hebt lee ren schrijven, dan weet ge dat wel. Neen, de eenige verdienende oorzaak is Jezus Christus. Hij, Wiens Naam ook is „Wonderlijk".
Is dat licht niet wonderbaar? Hoe werkt het? Naarmate ge minder wordt in uzelf, vlamt het te hooger op. Het doet David psalmen zingen in den nacht. En als de schaduw des doods komt, volk des Heeren, zal het voor u aanlichten tot den nieuwen dag, waarop nooit de nacht meer zal volgen.
Ja, in alles wonderbaar. Zoodat het vaak de uitroep der ziel moet wezen:
»'t Is een wonder in onz' oogen,
We zien het, maar doorgronden 't niet«.
En nu het doel der verlossing. Het stuk der dankbaarheid. „Opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht".
Verkondigen de deugden Gods. Dat is 't groote einddoel uwer verlossing, volk van God. 't Gaat alles om de eere Zijns Naams. Uit Hem en door Hem, maar ook tot Hem zijn alle dingen.
Verkondigen de deugden Gods. Dat is uw dure roeping, o kinderen des Heeren, begenadigde zielen. Als reeds de hemelen Zijne eer vertellen, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk, zult gij daar zwijgen?
Als gij door Gods Geest ontdekt aan eigen schuld en zonde, nergens een weg van uitkomst, een middel tot redding kunt ontdekken, maar de Heere zelf u dit weet te openbaren, moet gij daar niet verkondigen de wijsheid Gods? Als gij er recht bij bepaald wordt, dat eer de Heere de zonden ongestraft liet. Hij dezelve gestraft heeft aan Zijnen lieven Zoon Jezus Christus, moet ge daar niet verkondigen de rechtvaardigheid des Heeren?  Als ge daar nederligt in dien ruischenden kuil van modder en slijk en elke poging om u zelf te redden u alleen dieper doet wegzinken, en toch ten slotte nog gered wordt, moet ge daar niet verkondigen Zijne almacht?  Als ge na ontvangen genade toch weer afdwaalt als het schaap van zijn herder, en de Heere weer de eerste is om u te zoeken en terecht te brengen, moet ge daar niet verkondigen Zijne oneindige trouw?
Doet gij zulks ook, kinderen Gods, getrokkenen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht? O ja in dien tijd der eerste liefde moest iedereen vernemen dat groote werk der genade aan uwe ziel geschied. En 't was:
»Komt, luistert toe gij Godsgezinden,
Gij die den Heer' van harte vreest,
Hoort wat mij God deed ondervinden.
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest!«
O wat een opkomen voor de eere Gods! Wat een ijver voor Zijn dienst! Maar bleef dat ook zoo? Als gij die vraag u zelf ernstig stelt, dan zal schaamte uw aangezicht bedekken. Immers wat is de mond vaak gesloten, neen, wat nog erger is, wat een opkomen voor eigen eer! Wat een loopen voor eigen huis! Wat een menschvergoding! Wat een verkondigen van de zoogenaamde deugden van een zondig schepsel inplaats van te verkondigen de deugden des Heeren. En Hij is het toch zoo waardig. Hij is het toch die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Daarom moge deze roeping op uw hart gebonden worden:
„gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt, gij die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden", verkondigt, o verkondigt toch de deugden Gods, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Verkondigt ze in uw woord, maar ook in uw daad. Verkondigt ze in uw belijdenis, maar ook in uw wandel. Verkondigt ze op den dag des Heeren, maar ook in de dagen der week.
»Dat hemel, aard' en zee en berg en dal.
Hoever men ook Zijn schepter ziet regeeren;
Nu Zijnen naam en groote deugden eeren!
En gij, mijn ziel! loof gij Hem bovenal«.
Vreeselijk als gij niets kent van eigen ondeugden en de deugden Gods, van duisternis en licht, van zonde en genade. Maar ook dan zult gij eenmaal de deugden Gods ver­kondigen. Als gij sterven gaat, zonder Borg voor uwe ziel, dan zult ge hiernamaals nog moeten prijzen de lankmoedigheid des Heeren, die zoolang uwe goddeloosheid heeft verdragen, prijzen Zijne liefde, dat Hij zoo vaak tot u is gekomen met het aanbod Zijner genade, prijzen Zijne rechtvaardigheid, in die ontzettende straffen der hel.
,,Geef dan eere den Heere uwen God, eer dat Hij het duister maakt en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen."
En ja aan dezen kant zal alle verkondigen slechts stamelen zijn, zelfs in de hoogtijden van uw leven. Laat dit u ten troost zijn „rookende vlaswieken". Doch als dat stamelen maar geleerd mag zijn hier beneden, dan zal het straks hierboven zijn „een eeuwig zingen van Gods goedertierenheên." En in het lied der gezaligden, ter eere van het Lam dat geslacht is, een verkondigen van de deugden desgenen die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht.
»Gods vriend'lijk aangezicht
Heeft vroolijkheid en licht,
Voor all' oprechte harten.
Ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen! om uw lot;
Verblijdt u steeds in God;
Roemt, roemt Zijn heiligheid!
Zoo word' Zijn lof verbreid
Voor al dit heilgenot!
Oldebroek.                                                                                                                       Goverts.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's