De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

5 minuten leestijd

DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
26)
Het viel haar niet mee, het gezicht daarbuiten niet, want er hing over alles een sombere, grauwe lucht, de zon schitterde niet op de sneeuw. En het opzitten beviel ook niet. Spoedig moest vader haar weer in 't bed leggen.
't Was bijna middernacht. Vader zou bij Anna waken en dan morgen vroeg moeder weer roepen. Zoo was de afspraalc.
Anna sliep, en droomde zoo 't scheen. Zeelman zag dat er een glimlach om haar mond trok. Zij had het dus goed in haar slaap. Maar dat duurde niet lang, de oogen gingen open, zij zag haar vader aan en zei: „'t Was allemaal licht, vader, en sneeuw". Weer was zij met hare gedachten bij haar gesprek met Kobus en zei: „Ik ben er niet lang meer, vader, maar 't is goed, alles goed. 'k Word witter dan sneeuw. Goed voor moeder zijn, vader, zij zal mij missen." Zij sliep weer in en nogmaals, alsof zij het niet te dikwerf kon zeggen, fluisterde zij „witter dan sneeuw".
Muisstil zat Zeelman bij haar bed en bad dat zij rustig mocht slapen. Een uur later werd ze weer wakker, 't was alsof haar iets benauwde, wijd opende zij haar oogen, waarin angst was te lezen. Ineens vloog ze overeind en riep: „Vader, vader, houd mij vast!" Er kwam bloed uit haar mond. Zeelman wist niet wat hij doen moest. Hij had haar in zijn sterken arm genomen, en veegde haar mond af, maar er kwam al maar meer bloed. Zij beefde in zijn arm; voorzichtig trachtte hij haar neer te leggen, maar zij legde haar hoofd tegen zijn borst en het bloeden hield op. Nog een paar trillingen door het gansche lichaam, een paar zuchten, en Anna was heengegaan, in vaders arm gestorven.

HOOFDSTUK V.

De bekentenis.
Het werd een bange nacht voor de bewo­ners der smederij. Zeelman had, toen Anna zoo onverwachts stierf, in zijn verlegenheid allen wakker geroepen; het eerst natuurlijk zijn vrouw, maar daarna ook de andere huisgenooten. Hoe bedroefd was zijn vrouw, toen zij weenend bij het ledikant nederzakte, de hand van hare gestorven dochter vast hield en streelde, en al maar „An!" „An !" riep.
Bevend van ontroering stond Kobus bij zijn vader. Nauwelijks durfde hij naar zijn doode zuster zien. Anna dood! En vóór hij ging slapen had hij nog voor haar gebeden! Ach, hoe klein en mager was haar gezicht! En dan die bloedvlekken op laken en kussen! Hij schreeuwde het uit van angst en verdriet, hij werd er koud van en stond te beven op zijn bloote voeten. Vader nam hem op de knie en legde zijn hoofd op dezelfde plaats, waar Anna's hoofd had gelegen toen zij stierf. Mina was op 't roepen van vader het bed uitgevlogen naar Anna's kamer en hield zich verschrikt aan hare weenende moeder vast.
Albert, de oudste knecht, was naar den dokter geloopen en Hendrik, de andere knecht, was even in de kamer geweest, had bij het kleine licht der lamp eigenlijk niets gezien dan vreemde schaduwen op het lichte behangsel, en was zonder iets te zeggen, weer naar bed gegaan. Trientje, de meid, was in den leuningstoel bij het raam gaan zitten, met de handen voor de oogen, alsof zij niets wilde zien van wat er in de kamer was, of bevreesd was, dat er iets zou gebeuren dat haar nog meer zou verschrikken.
Dokter Geertsen kwam dadelijk met Albert mee, maar kon ook niets anders doen dan verklaren, dat Anna was gestorven. „Nog iets bij gekomen, wellicht, een kleinigheid". Vrouw Zeelman vertelde dat Anna 's middags nog even had opgezeten. „Of het daarvan gekomen was? " „Zij zou het zich nooit kunnen vergeven"
„Maak u daarover geen verwijt, vrouw Zeelman; het kan aanleiding geweest zijn, maar ook niet. 't Was afgeloopen met uw dochter, dat hebt ge toch in de laatste tijden zelf wel gezien? Niemand kon dat keeren; zij is zacht heengegaan en heeft geen pijn of benauwdheid gehad, want zij had geen kracht meer. En nu is zij uit haar lijden verlost."
De dokter beurde vrouw Zeelman op en zette haar op een stoel. „Houd moed, moeder, hoe zwaar het ook valt. Zóó kan het niet, ge moet weer naar bed, de kinderen ook, 't is hier veel te koud, ze zouden ziek worden; en hier is op 't oogenblik geen hulp meer noodig, morgen vroeg kan het noodige geregeld." Hij legde een tip van 't laken over de doode, en zei: „Kom, Zeelman, help je vrouw en kinderen naar bed, dat is het eerste wat hier nu te doen is."
Zij hoorden naar des dokters raad, al kwam er bij sommigen van hen van slapen niet. En 's morgens al vroeg liep de tijding door 't dorp dat er in de smederij een doode was. ,, Smid's Anna was gestorven." O, schoon iedereen wist hoe dicht zij bij den dood was, het bericht bracht bij velen toen nog ontroering, zooals de doodstijding van hen, die wij kenden en met wie wij verkeerd hebben, altijd doet. Maar zij, die weten van een beter leven omhoog, wisten waar Anna was heengegaan door de genade van Hem, die door Zijn eigen dood, den Zijnen een beter leven na dit, heeft bereid.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's