KERKELIJKE RONDSCHOUW
Verboden Christendom (2)
De Hervormde predikant van Middelie-Kwadijk (N.-H.), ds. H.J.D.R. Theesing, die irriteerend-brutaal de brochure „Verboden Christendom door een Ketter gepredikt" uitgegeven heeft, betoogt dus in het eerste hoofdstuk, waar boven staat „de oude „fabel" — dat het geloof in een Christus, Die dood geweest is en nu leeft, Die gestorven is voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, een overblijfsel is van het oud-gefantaseerde heiden-geloof. De natuurgedachte heeft bij de heidenen een geestelijke waarheid geproduceerd en zoo zijn de Babyloniërs gaan gelooven in M a r d u k, die sterft in den winter en in het voorjaar verrijst; de Phrygiërs in A l l i s, die sterft en opstaat tusschen 22 en 25 Maart; de Egyptenaars in O s i r i s; de Perzen in M i t h r a; en toen hebben in Antiochië de volgelingen van Jezus, wat de heidenen daar van hun god Adonis geloofden, gaan toepassen op hun meester en leeraar Jezus. Talloos waren in Rome de verlossers, de christenen hebben er een nieuwen bij gemaakt, de heiland Jezus Christus. Deze wordt, onder politieke omstandigheden, gemaakt tot een God-Zoon. De mensch Jezus wordt opgesmukt met allerlei wonderverhalen — maar zoo berust de leer van de Christelijke Kerk op een oude „fabel"; en de Bijbel moet dan bewijzen, dat de „fabel"' gebeurd is. (blz. 11—12).
De evangeliën zijn geen historische geschriften — en de moderne mensch kiest niet het Christus-beeld, in den Bijbel ons getcekend, maar het Jezus-beeld. Als mensch heeft die Jezus bestaan, als god is hij nooit in de historie geweest; en voorzoover eenige Christelijke leer zich beroept op leven en opstanding van Jezus Christus als historisch feit, beroept zij zich op wat in de historie nimmer plaats vond (blz. 13—14). Daarom heeft de Protestantsch-Christelijke Kerk herboorte noodig. Van „Christus" moeten we terug tot „Jezus", van „fabel" tot werkelijkheid. Het is de vloek geweest voor het Christendom, dat het eeuwen lang gemeend heeft zich te kunnen beroepen op de historie en den godsdienst van zijn geloovigen heeft gegrondvest op het z.g.n. historisch feit. (blz. 14).
Tot zoover ds. Theesing in het eerste hoofdstuk van zijn brochure. De oude „fabel" van het Christendom. Dan gaat hij over tot een tweede hoofdstuk, waarboven staat: Godsdienst en wetenschap. Daarin redeneert de moderne dominee aldus :
„Evolutie en causaliteit beheerscht alles. De Staat, de maatschappij zijn van het lagere tot het hoogere opgeklommen. De wilde horde groeit uit tot den georganiseerden Staat. Ook in de menschelijke zedewetten gaat het zoo. Andere tijden brengen andere zeden en andere oordeelen. Zoo ook met den godsdienst. Er is een zekere waarheid in de gedachte, dat de mensch zich God schept naar zijn beeld en gelijkenis. Op dien weg van „wording" is ook gegroeid het traditioneele Christendom; gegroeid uit den innerlijken aard en de gesteldheid der ziel van den toen levenden mensch. In die denkbeelden was de voorstelling, dat het volmaakte ééns, in den beginne, aanwezig was. God zag alles dat het goed was. Geen evolutie dus, noch onverbreekbare causaliteit. God heeft het alles gegeven en God kan naar willekeur in deze schepping ingrijpen. Jozua bidt en de zon staat stil. Mozes doet de wateren der Roode Zee vaneengaan. Ook de mensch was niet „wordende", maar eenmaal volkomen geschapen door God naar Zijn beeld en gelijkenis! Ook de leerstellingen van het Christendom zijn van God gegeven uit den hemel, eerst aan het Joodsche volk als de wet, daarna volkomen geopenbaard in Jezus Christus. (blz. 18).
Dat is niet te rijmen met wat wetenschappelijke ervaring ons heeft duidelijk gemaakt; en verzoening van het een met het ander is niet mogelijk. De leer van het Christendom in orthodoxen zin als openbaring van voltooide waarheid kan door ons niet worden erkend. Deze „rechtzinnige" waarheid was gebouwd op de toen bestaande kennis, wetenschap en zielsbehoefte; maar zij komt noodwendig in strijd met de moderne wetenschap en het moderne denken. De traditioneel-godsdienstige waarheid is voor de wetenschap niet houdbaar (blz. 19). En dan wordt door de orthodoxie de wetenschap achtergesteld bij het goddelijk gezag van den Bijbel; twijfelen aan dien Bijbel is „zonde". ledere overgeleverde leerstelling — zegt ds. Theesing met niet weinig sarcasme — wordt bewezen door teksten uit het Heilig Boek. (blz. 20). Maar — zoo vervolgt hij triumphantelijk zijn betoog — dat fundament is niet onaantastbaar. De Schrift is niet op bovennatuurlijke wijze ontstaan, maar door menschen, vatbaar voor dwaling, geschreven. Ook het Nieuwe Testament is geen goddelijk boek. De evangeliën, de kenbronnen voor de levensgeschiedenis van Jezus, blijken tendenz-geschriften, d.w.z. het gaat er niet zoo zeer om, wat werkelijk historie is, als wel: „opdat gij gelooft!" De wonderen zijn ter verheerlijking van zijn persoon en zelfs zijn beeld wordt verschillend geteekend, hier zachtmoedig en geduldig, ginds veeleer revolutionair en opstandig.
Men wil echter het wonder van Jezus' opstanding als historisch feit blijven handhaven. Bij traditie is dit „geloof der gemeente" overgeleverd als waarheid! (blz. 21).
Vrijzinnige Christenen, moderne menschen zijn als zoodanig belijders der „wordende" Waarheid. De wetenschap ontnam het absoluut gezag aan den Bijbel. Daarmede wordt de Bijbel niet verworpen. Deze is en blijft een document van onschatbare waarde. Maar de Bijbel mist het gezag van de boven-natuurlijk geopenbaarde waarheid. Wij kunnen geen geloofswaarheden meer aannemen of zij moeten verstandelijk en wetenschappelijk houdbaar zijn (blz. 22). Er is nu eenmaal geen absolute waarheid. Er is slechts tijdelijk geldende waarheid. Een ideëeler Christendom moet onder ons ontstaan. God openbaart zich tot nu toe. God is uit Zichzelven getreden in de Natuur en in den Mensch. Zoo „wordt" Hij de verwezenlijking van Zichzelven. God denkt in ons; in het denken van den menschen-geest is het denken Gods en zóó „wordt" Hij de verwezenlijking van Zichzelven. (blz. 23).
De wetenschap heeft alle bolsters afgepeld; en ons Christendom wordt zuiverder en ideëeler, ontdaan van het wonder, ontdaan van de bovennatuuriijke openbaring, ontdaan van de „fabel", ontdaan van het historisch feit. En wel verre, dat de wetenschap als een werk des Duivels den godsdienst heeft ondermijnd, is zij veeleer een werk Gods geweest om waarheid, die nog verhuld was, te openbaren en z o o te komen tot een verhevener Christendom, waarin opnieuw Gods Waarheid „wordende" is. (blz. 24).
(Wordt voortgezet).
De Kerk en de jeugd.
Op den 2den landdag van den Ring Rotterdam van den Bond van Ned. Hervormde Jongelingsvereenigingen - op geref. grondslag heeft prof. dr. H. Visscher gesproken over het onderwerp: De Kerk en de Jeugd. Wij achten deze zaak „Kerk en rijpere jeugd" — of hoe men het ook formuleeren van zóó groote beteekenis, dat wij gaarne hier overnemen, wat prof. Visscher te Rotterdam (Oude Plantage, Kralingen), zoo ongeveer gesproken heeft. Natuuriijk zal de professor zelf geen oogenblik gedacht hebben, dat hiermee nu het laatste woord gesproken is, maar het geeft richtlijnen, waarover nu verder moet worden nagedacht en waarover noodzakelijk door mannen, die midden in de practijk, in de stads-practijk des levens, staan, nu eens moet worden gesproken. Dan kunnen we, na gemeenschappelijk overleg, vooruit komen met onze jeugdbeweging!
We geven dan nu — zoo getrouw mogelijk — weer, wat prof. Visscher sprak:
I. Het moderne leven met zijn materialisme en genotzucht trekt de menschen van inkeer in zichzelven af, lokt ze naar buiten. De vermaakstechniek dringt tot clubs en vereenigingen. Dit is nadeelig voor den band aan de Kerk. Verstandelijke ontwikkeling schijnt toegenomen, doet de belangstelling in de geestelijke waarden van, Gods Koninkrijk dalen; maakt dat de menschen daarin geen genot meer zien. Zij hebben andere dingen, die het moderne leven biedt. Ook het kerkelijk leven is niet aantrekkelijk, dank zij voortdurenden strijd over wat niet gewichtig schijnt in het oog van de jongeren. Zoo zijn er tal van oorzaken, die de jeugd vervreemden van de Kerk. En de vraag rijst voor wie in de Kerk belangstellen: wat moeten wij doen? Hierbij is op te merken:
1°. Men heeft verweer gezocht door verandering in den Kerkedienst, door specialisatie: kinderkerken eerst, jeugdkerken nu.
2°. Men kan niet doeltreffend te werk gaan als de levensbeginselen der Kerk ten offer worden gebracht. De godsdienstoefeningen der Gereform. Kerk zijn samenkomsten der gansche gemeente. De Gereformeerde leer is in socialen zin opgebouwd. God is verbonds-God; dus Kinderdoop als inlijving in de gemeente. De kinderen behooren er ook bij; zij zijn in de ouders begrepen. Het gezin moet daarom onder ons op den voorgrond treden; grooten en kleinen hebben zich saam voor den Heere te stellen en de Heere wil tot grooten en kleinen spreken. Dit is principieel christelijk. De samenkomsten der gemeente sluiten geen gezinselement uit. Daarom is onder ons wet en regel: samen opgaan.
3°. Wat is de samenkomst der gemeente? Vergadering van Christus' leden, om tweeërlei te doen: a. hooren wat God te zeggen heeft; b. uitspreken wat de gemeente te zeggen heeft tot God: schuldbelijdenis en aanbidding. In deze twee treedt de gansche gemeente op als geheel. Dus geen kinderkerken en geen jeugdkerk. Dit zou in zich houden de ontkenning van het wezen der Kerk.
4°. Zijn de predicaties voor allen geschikt? Is het mogelijk predicaties te geven voor allen geschikt? Ja, als Gods Woord recht verkondigd wordt op de rechte wijze. De predicatie des Woords moet het geheele leven bestrijken; niet alleen ellende, verlossing en dankbaarheid inhouden, maar speurend en onderwijzend uitgaan over alle terrein des levens. Dit wordt vaak onder ons vergeten, door dominees en door gemeenteleden. Men behandelt en hoort zoo gaarne één stof, terwijl er veelzijdig licht is dat veelvuldig wordt veracht en verwaarloosd. Daarbij moet ook de vorm van de prediking goed zijn, goed in den opzet, goed in de uitwerking, goed in de verklaring des Woords, goed in de toepassing, acht gevende op de teekenen der tijden en op de behoeften van grooten en kleinen. De Heere wil dan den wasdom geven, door van Zijn Woord, in Zijn kracht naar behooren bediend, voor een ieder toe te bereiden naar hetgeen Hij weet, dat ieder van noode heeft. Wij hebben om ieder en om alles te denken bij de bediening des Woords, dan heeft de Heere voor ieder en voor alles een zegen naar Zijn welbehagen. Ook kinderen kunnen zalig worden en dus het Evangelie verstaan; ook er niet zelden van getuigen. De geleerdste is diep ellendig als hij niet komt tot het bezit van een kinderlijk geloof.
5°. We moeten ons wachten voor preeken van verschillend genre: voor eenvoudigen en intellectueelen, voor studentenpreeken, jongelings-en kinderpreeken, gezellige of minder-gezellige preeken. Als mensch is slechts één Evangelie voor ons geschikt. Al wat God aan Zijn Kerk in Woord en Sacrament schonk, menigerlei in genade, moet vastgehouden in éénheid, zij het met verscheidenheid; niet versnipperd, want versnippering breekt de éénheid der Kerk en werkt schadelijk.
II. Is er voor de jeugd dan niets te doen? Na het negatieve moet nu het positieve komen.
1°. De taak der Kerk is onderwijs. Is dit voldoende? Neen, het catechetisch onderricht der Kerk, dat zoo vele en zoo velerlei eischen stelt, omdat de objecten van het onderricht zoo onderscheiden van leeftijd en ontwikkeling, van levensmilieu en levenservaring zijn, schiet niet zelden te kort; ja, is absoluut onvoldoende in methode en stof en intensiteit. Het heeft geen gelijken tred gehouden met de behoeften van het moderne leven; de opleiding van den catecheet deugt niet en het optreden van den catecheet is eveneens niet zooals dat moest zijn. Hoeveel ontbreekt ook niet aan de localiteiten, leermiddelen enz., en hoe onpaedagogisch is vaak de klasse-indeeling der leerlingen. Wat mag er van één uur in de week verwacht worden? En dan 't slecht bezoeken en het ongeregeld bezoeken der catechisaties. Daarbij komt nog, dat van een predikant alles wordt verwacht; hij moet met kinderen weten om te gaan en met ouden van dagen, hij moet voor elken leeftijd kunnen spreken en als een Manusje van alles voor alle mogelijke en onmogelijke dingen klaar staan, overal verstand en tijd voor hebben. Dat dit moet teleurstellen, spreekt vanzelf. Alles kan niet over één kam geschoren worden.
2°Noodig is voortgezet onderwijs, dat aansluit bij het leven des tijds. De tijden veranderen, wij met hen. Specialisatie is noodig. Daarbij heeft de Kerk geld noodig en krachten, om het onderwijs, het voortgezet onderwijs naar den eisch des tijds en met het oog op de teekenen der tijden, te geven in den vorm van lezingen, voordrachten, waarin de grondslagen der christelijke wereldbeschouwing en die van den tijdgeest worden belicht. De waarheid ook van de Kerkleer, moet worden voorgesteld op een wijze, die aanpast bij onze behoeften, waarbij jongen en ouden recht hebben op een antwoord van de Kerk op de vele vragen des tijds.
3°. De moderne tijd bracht vermaak, sport enz. Duizenden worden tot het heidendom gebracht. De oude Grieksche spelen herleven zelfs. Mag de Kerk hare jongelingschap laten wegdolen? Zeker niet! Er moet iets gedaan worden. Niet alles is ijdelheid, want er zijn lichaamseischen, die vervuld moeten worden. Niet alles is in prediking en onderwijs gegeven; er is meer te geven. Was de Kerk nog een grootmacht in het leven, dan zou zij regelend kunnen optreden. Dat kan nu niet meer. Dus moeten andere wegen voor onze jonge menschen gezocht worden.
4°. De Kerk behoort haar jongelingen te leiden, niet door alles af te keuren, maar door er zelve in op te treden: gezonde gymnastiek met lichaamsoefening, kunst en vermaak en al wat het cultuurleven veredelt. Het moet gebracht in het Jeruzalem Gods.
5°. Hoe zal de Kerk dit kunnen? Zij heeft noodig werkverdeeling, werkkrachten. Er zijn krachten, die zij niet gebruikt. Zij heeft jongelingen en mannen; jongedochters en vrouwen. De Kerk moet werk zoeken, werk maken, werk geven en dan kunnen al die krachten die nu dikwijls in het midden van de gemeente werkeloos blijven, prachtig gebruikt worden bij goede organisatie en doelstelling. Zoo kan de Kerk jonge menschen dienen, door hen in goede paden te leiden, en kan zelve daarmee gediend worden. De Kerk moet ze afhouden van de dwaasheden dezer eeuw, door ze het betere te geven, dat God te geven heeft voor tijd en eeuwigheid.
6°. Het probleem der jeugd is onderdeel van het kerkelijk vraagstuk. Wij hebben noodig een Kerk, die den Christus belijdt en georganiseerd is naar den levenseisch des Woords; antiquiteiten, niet zelden uit den slechtsten tijd, kunnen we missen. Eenheid van belijdenis aangaande Woord en Sacrament is noodig krac'hten; strijd om beuzelingen moet onze krachten niet vertere; de groote strijd om beginselen moet ons vereenigen. We moeten krijgen een betere organisatie der Kerk, betere organisatie in de groote steden. Bovenal hebben we behoefte aan geestelijk leven. We moeten biddend uitzien naar den zegen des Geestes. We moeten dankbaar genieten van het leven dat er is en dat geleid moet worden onder de tucht van Gods Woord in dezen tijd van bandeloosheid en wereldschgezindheid.
In de jeugd ligt de toekomst. En op de jeugd rust de verplichting te strijden voor de Kerk, die haar van de Vaderen is overgeleverd. Onze Hervormde jeugd moet worden geleid in deze door de ouderen. Zal het Protestantisme in ons land een toekomst hebben, dan ligt deze in de wedergeboorte der Kerk. Daartoe kan en moet de jongelingschap, ook onze Hervormde jongelingschap, in onzen Bond vereend, meewerken.
Tot zoover prof, Visscher.
Wij behoeven zeker niet te zeggen, dat we dankbaar zijn, dat prof. Visscher op onzen 2den landdag heeft willen spreken en d i t onderwerp heeft willen behandelen. Zij 't ons een spoorslag om nu saam te overleggen, hoe we daadwerkelijk, principieel en practisch, nu verder moeten! Want bij woorden mag het niet blijven. En theorie en practijk zijn niet altijd even makkelijk met elkaar te vereenigen. Zoo kwam al dadelijk na het spreken van prof. Visscher iemand naar ons toe, om te vragen of een „kinderkerk", welke jaren bestaat, voor een groot deel als evangelisatiewerk, opgedoekt moest worden? Wij hebben natuuriijk gezegd: zeker niet! En zoo zijn er meer dingen, die om een antwoord vragen. Maar we hebben nu principieele richtlijnen en daar zijn we dankbaar voor. Ouderen en jongeren moeten er nu maar eens over nadenken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's