De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

Verboden Christendom (3)
In een 3de hoofdstuk handelt ds. Theesing, die zichzelf triumfantelijk „ketter" noemt, over Godsdienst en Maatschappij, waarin hij zijn hyper-moderne theorieën verkondigt — die echter ook weer zeer oud zijn en honderdmaal weerlegd. Ds. Theesing zegt dan: Wie het karakter van Jezus en zijn arbeid met een enkel woord wil teekenen, zou Matth. 11:5 kunnen noemen: „blinden worden ziende, dooven hooren, dooden worden opgewekt en aan de armen wordt het evangelie verkondigd".
Want, neen! dat zijn niet gewone dooven en blinden en dooden geweest — wonderen als dooven hoorend en blinden ziende en dooden levend makend, bestaan natuurlijk niet. 't Zijn maatschappelijk ellendigen en verdrukten geweest; en Jezus, met zijn eerlijke natuur, heeft zich die ongelukkigen aangetrokken en heeft ze wakker geschud, opmerkzaam gemaakt op zijn theorieën en leeringen, en heeft zijn prediking en arbeid er op gericht om de armen en verdrukten te hulp te komen. Zoo is Jezus' prediking ook van maatschappelijke strekking. Er sluimeren gedachten in van gerechtigheid, van een vernieuwing der maatschappelijke orde, van een anders worden der samenleving door een streven naar liefde en rechtvaardigheid (blz. 25). Hij maakte scherp scheiding tusschen rijken en armen, bezitters en bezitloozen, waarbij hij zich onvoorwaardelijk partij stelde en der armen vriend en voorvechter werd. (blz. 26, bovenaan). Wie herinnert zich niet de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus, waarbij ironisch wordt opgemerkt, dat de rijke over zijn lot niet behoeft te klagen, want hij heeft alles al op aarde gehad! Wie herinnert zich niet het leed-vermaak, dat doorschemert in de gelijkenis van den rijken dwaas enz.!
Had niet ieder mensch als Gods kind recht op geluk?
Dat de menigte Jezus volgde, zal dan ook veeleer te verklaren zijn uit de maatschappelijke tendenz, die in zijn prediking lag en niet zoozeer uit het zedelijk-godsdienstige dat hij verkondigde, al zal de schare menigmaal met heimelijk genoegen hebben geluisterd, wanneer de schriftgeleerden door Jezus met scherpe woorden werden bespot.
In beweging gebracht is de schare wel alleen door de maatschappelijke verwachtingen die zij zich tastbaar voorstelde als een aanstaand oordeel over haar onderdrukkers. Zoo is het ook te verstaan, dat de menigte, die Jezus eerst volgde, tenslotte hem verwierp en kruisigde. Als hij Jeruzalem binnentrekt, is er nog de groote verwachting van de dingen die zullen komen! Maar weldra komt de ontgoocheling. De menigte voelt zich misleidt, voelt zich bedrogen. Daarom moet hij sterven en spreekt de schare zelf het vonnis uit. Het wonder, dat door de menigte verwacht werd, was uitgebleven. Maatschappelijke verandering bleef uit. Hij op wien zij gehoopt hadden, werd toen onder de misdadigers gerekend en verworpen, gedood.(blz. 26—27).
Dat alles heeft de Kerk later verwaarloosd, verdraaid, veranderd; en de Kerk is gaan spreken van het Koninkrijk Gods, dat nabij was. En de Kerk is er van gaan maken „wie in den Zone Gods geloofd zal hebben, zal zalig worden".
De Kerk is alles gaan vergeestelijken en heeft van Jezus een Gods-Zoon gemaakt en terwijl Jezus zijn steun zocht bij de armen, is de Kerk 't gaan zoeken bij de rijken, reactionair zich stellend tegenover allerlei maatschappelijke wantoestanden.
Het ware, waarachtige Jezus-beeld, zooals hij in de historie heeft geleefd, een revolutionair opstandige held zijnde, een prediker van der armen toekomstige bevrijding, is door 't officiëele Christendom verre verworpen. De Christelijke Kerk schiep het beeld van den zachtmoedigen, nederigen Duider. Terwijl het evangelie had opgeroepen tot daadwerkelijkheid om een heiliger en rechtvaardiger orde in dit wereldleven te doen nader komen, riep de Kerk op tot passiviteit en geduld. De roepstem om aardsche gerechtigheid werd door de Kerk gesmoord. Daarom zijn onder hen, die de officiëele Kerk verachten, talloos velen die Jezus vereeren en het zuivere evangelie willen hoog houden (blz. 28). Wij, moderne vrijzinnige menschen, wij moeten goed beseffen, dat wij met onze moderne religie niet mogen vervallen in de fout van het kerkelijk Christendom; we moeten tot het evangelie van Jezus terug. Hij heeft gezegd: „ik ben niet gekomen om den vrede te brengen, maar het zwaard" — en wij kunnen ook geen vrede hebben met het bestaande. De modern-godsdienstige mensch staat tegenover het officiëele Christendom in de oppositie; alles moet radicaal veranderd worden. We laten ons niet langer knechten (blz. 29—30). Heeft niet een ieder recht op al de schatten der aarde, die er zijn? Een ieder komt z'n geluksdeel toe. (blz. 30).
Indien de Kerken den mensch hadden bijgestaan in zijn aardschen drang naar aardsch geluk — hoe zou de historie der menschheid anders zijn geloopen. En daarom valt alle bloedschuld terug op de leidende Christelijke Kerken. Wie de evolutie verwerpt, heeft de revolutie te wachten. Er is eeuwige herschepping ook van den maatschappelijken levensvorm noodig. En wel verre van onzen blik te richten naar den hemel en een leven na dit leven, richten wij onzen blik op de aarde. En het leven hier moet worden geleid en ingericht naar ons modern godsdienstig bewustzijn, (blz. 31). 't Moet niet zijn een zaak van eigen belang, maar als een religieuse, in „God" gefundeerde eisch. (blz. 32). En onze godsdienstige overtuiging zal er niet allereerst op gericht mogen zijn, hoe ik zelf zalig word, maar hoe mijn naaste zalig worden kan op deze aarde. De kleine mensch zal daarbij als doel van zijn leven moeten vinden, medewerker te zijn van den Eeuwigen Geest, medeschepper, mede-overwinnaar van al 't voorbijgaande; een gestalte aannemend in de eeuwige worsteling in het heelal. Hierin moeten we Gods medearbeiders zijn.
Zoo is de godsdienst van den modernen mensch allereerst een godsdienst die strijd eischt, strijd in het maatschappelijke, strijd die nooit anders dan met eerlijke wapenen mag worden gevoerd. En hierin gaan wij, moderne vrijzinnige menschen, terug tot het evangelie van Jezus. De Goddelijke Geest wil uit den lageren maatschappijvorm den hoogeren doen „worden" en daartoe wil Hij ons, menschen, gebruiken als Zijn medestrijders", (blz. 34).
In deze schets ziet men dus hoe ds. Theesing het optreden van den man Jezus beschouwt. Een ijveraar voor maatschappelijke verbeteringen, een vriend en voorvechter der armen. Het Koninkrijk Gods wordt verlegd naar de aarde en zóó opgevat spreekt ds. Theesing van „het evangelie van Jezus", dat gansch iets anders is dan „het evangelie van Jezus Christus" door het traditioneel Christendom, door de officiëele Kerken, voorgestaan. „De modern-godsdienstige mensch staat tegenover het officiëele Christendom in de oppositie", (blz. 29). En toch onderteekent ds. Theesing de proponents-formule in de Ned. Hervormde Kerk, waarin sprake is van het evangelie van Jezus Christus overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande!
Men moet maar durven! En juist omdat men zulke onmogelijke dingen durft en doet is het noodig, dat de Kerk zelve er tegen waakt.
(Wordt voortgezet).

De Christ. Gereformeerden en de Hervormden.
De Lauriergrachtkerk der Christelijk Gereformeerde Gemeente te Amsterdam wordt verbouwd en nu moet de Chr. Geref. Gemeente ergens anders saamkomen des Zondags. De morgengodsdienstoefeningen worden nu gehouden in „Bellevue". Voor den avondgodsdienst is door den kerkeraad der Nederl. Hervormde Gemeente de  N o o r d e r k e r k  beschikbaar gesteld.
Zondagavond zijn de Chr. Gereformeerden nu voor het eerst in de (Ned. Herv.) Noorderkerk saamgekomen. Aan het einde van den dienst is door den heer H.J. de Wit, als lid van de Ned. Hervormde Gemeente een toepasselijik woord gesproken. De heer de Wit sprak ongeveer als volgt:
„Hooggeachte ds. Berkhoff, broeders Ouderlingen en Diakenen en verdere leden der Chr. Gereformeerde Gemeente!
„Als broeder in Christus (lid der Herv. Kerk) is het mij een voorrecht u aan deze plaats een woord van hartelijk welkom toe te roepen. Ik weet hiermede de stem te zijn van een groot deel onzer gemeente.
„Waar ik door banden des geloofs, der liefde en der vriendschap aan verschillende leden uwer kerk van jongsaf verbonden ben, is het mij een oorzaak van blijdschap, dat onze Noorderkerk, door de welwillende beschikking van onzen kerkeraad, tijdelijk aan u is afgestaan voor de prediking van het Woord Gods en de bediening der Sacramenten in Uw midden.
„Van ganscher harte bid ik u des Heeren onmisbaren zegen toe bij uwe onderlinge bijeenkomsten in deze kerk, met de bede, dat in dit steenen gebouw ook door Uwen dienst de Heere Zijn geestelijk huis moge bouwen met levende steenen. Mogen deze samenkomsten ook nog hiertoe strekken, dat zij, die eigenlijk zonen van hetzelfde huis zijn, elkander beter zullen mogen begrijpen en waardeeren".
Wij kunnen niet anders dan ons hartelijk er over verheugen, dat de Ned. Herv. Kerkeraad aan de Christ. Gereformeerden gastvrijheid verleent gedurende de verbouwing van de Lauriergrachtkerk. De geestelijke gemeenschap tusschen ons en de Christ. Gereformeerden komt zoo weer eens uit. En daarom is ons ook de toespraak van den heer de Wit aangenaam. 't Is méér dan een huis voor een poosje afstaan, 't Is de trekking des geestes, het gevoel van geloofsgemeenschap. Treuren ook over de breuke die er ligt tusschen degenen, die één Heere en één geloof en één doop hebben. Jammer, jammer toch, dat het zóó gesteld is onder de christenen in ons goede Vaderland, 't welk de Heere nog zoo grootelijks weldadigheid wil bewijzen.
En nu praten we niet over anderen, maar over ons zelf. Over eigen kerkgemeenschap. Mocht daar de zonde en de breuke eens meer gevoeld worden en mocht saam eens gezocht worden naar de versterking van de geloofsgemeenschap en naar de bevestiging en versterking van het fundament der waarheid, in het midden van de Kerk door de Vaderen ons toebetrouwd.
Neen, we weten het wel, door kracht noch door geweld zal het geschieden, 't Zal door den Geest Gods moeten gebeuren. Maar als we dat meer voelden, zou er verstaan worden, wat het zegt: bluscht den Geest niet uit. Dat negatief. En ook zou meer gebeden worden: Kom Heilige Geest, Schepper en Vernieuwer, Die in alle waarheid leidt. Dan zou ook geen kracht gezocht worden in versplintering en verbrokkeling. Maar er zou naar gestaan worden, dat in het midden van de aloude Geref. Kerk de waarheid mocht worden verbreid en verdedigd en de belijdenis der waarheid ook kerkelijk vaster kwam te staan. Mocht in zake de belijdenis van den Christus spoedig kerkelijk een helder geluid gehoord worden voor de inwoners en voor degenen, die buiten staan. 't Zou tot vereeniging kunnen leiden van allen, die den Christus der Schriften, den Christus, welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, lief hebben.

Het Nieuw-Testamentische lied.
In aard en wezen is het geloof van degenen die onder de Oude Bedeeling leefden en van degenen die onder de Nieuw-Testamentische bedeeling leven, 't zelfde. In aard en wezen hetzelfde. Er is ook geen tweeërlei weg om zalig te worden. Daarom is het geloof niet alleen in aard en wezen 't zelfde, ook in grond en voorwerp. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. „Abraham heeft den dag van Christus gezien en is verblijd geweest" Joh. 8 : 56. Maar die dag in de verte, of die dag in vervulling maakt toch verschil. Het tweede is beter dan het eerste. Anders te spreken zou een miskenning inhouden van hetgeen de Heere aan Zijn Kerk gedaan heeft. Heeft Hij vroeger veelmaal en op onderscheidene wijze tot de Vaderen gesproken door de profeten, in deze nieuwe en laatste bedeeling heeft Hij tot ons gesproken door den Zoon. Hebr. 1:1.
Dat laatste overtreft het eerste verre. En daarom is het geloof in aard en grond en ook in voorwerp 't zelfde onder de Oude Bedeeling en nu, de helderheid des geloofs is anders en bijgevolg de kennis, of wat hetzelfde zegt, de aan de kennis beantwoordende openbaring. De openbaring Gods in Christus is zooveel heerlijker geworden. En daarom kenden de geloovigen eertijds den Verlosser, den Goël, staande bij het al­taar, wachtend op den Grooten Verzoendag, buiten het heiligdom op den hoogepriester — nu is er een ander, en zooveel beter altaar en nu een zooveel betere Hoogepriester.
De geloovigen der Oude Bedeeling hebben het kruis niet in werkelijkheid gezien, met den werkelijken dood des Verlossers. Zij hebben het graf niet geopend gezien; zij hebben Hem niet op den Olijfberg aanschouwd, zij hebben Hem niet gekend in den Hemel, hebbende de volheid des Geestes, gelijk nu. Zij hebben Kerstfeest, Paaschfeest, Pinksterfeest niet gekend, gelijk wij. 't Was er toen nog niet zóó, omdat de volheid des tijds nog niet was en Christus nog niet geopenbaard, zijnde het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. Zij hebben Hem niet gezien gelijk Johannes zegt: „Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des ééniggeborenen des Vaders vol van genade en waarheid."
Alles in aard en wezen hebben ze ontvangen. Maar in profetie, in inzettingen, ceremoniën, plechtigheden — die nu voorbij zijn, nu de vervulling Jezus Christus is geopenbaard. En die openbaring is niet gekomen door evolutie, door ontwikkeling, maar door de gave Gods; door den Vader gezonden, van eeuwigheid verordineerd en toebereid zijnde. In die gave Gods verheugt zich dan ook de gemeente des Nieuwen Testaments gelijk nooit te voren is en kon geschieden. Christus en de H. Geest waren toen nog niet gelijk nu.
Daarom, zingt Zacharias en wij met hem: „Die nooit in schooner glans verscheen, dan nu, door Gods barmhartigheên"; en „'t geen Davids huis was toegezegd, dat wil Hij ons nu schenken" enz.
Van dat nieuwe, heerlijke, hooge, tevoren nooit gekende komt intusschen in het midden van de Nieuw-Testamentische gemeente in het lied veel te weinig uit. Zingen wij met Kerstfeest, met Paschen, op Hemelvaartsdag, op Pinksterfeest, bij het Avondmaal, en ook op de „gewone" Zondagen wel in Nieuw-Testamentische taal? We hebben naast onzen Bijbel onzen N.-Testamentischen Catechismus, ons Avondmaalslormulier enz., maar waar is ons Nieuw-Testamentisch lied?
En nu weten we wel, dat door de „Gezangen-bundels", en nog wel in den weg van dwang, veel bedorven is en verknoeid. Ook weten we, dat onze kerkelijke samenleving niet gelukkig is en niet geschikt om hier veel verbetering te brengen. Maar dat mag ons toch niet er van terug houden om de gewichtige aangelegenheid van het N.-Testamentische lied onder de oogen te zien. Moeten we niet saam, als 't goed is, uit de vervulling leeren zingen, gelijk we uit de vervulling preeken, 's morgens en 's avonds, uit de H. Schrift en uit het leerboek onzer Vaderen. 't Ware te wenschen, dat gereformeerde menschen deze zaak eens, zonder natuurlijk dadelijk elkaar te verketteren of te brandmerken, maar in liefde, naar Gods Woord, bespreken konden.
Hoe wij er toe kwamen eens over deze dingen te schrijven?
Omdat er ons zoo dikwijls, ook door de jongeren, ook door onderwijzers van dagen Zondagsschool, ook door leiders van Knapen-, Jongelings-en Meisjesvereenigingen naar gevraagd is. Ook omdat hier en daar „onder ons" deze zaak wel eens is aangesneden en omdat — dat is de naaste aanleiding — ds. H. Janssen, vroeger Chr. Geref. predikant te Leiden, nu Veldprediker in Algemeenen Dienst, er Zaterdag j.l. over schreef in „De Standaard". Toen we dat lazen, dachten we: zou de tijd niet rijp zijn, dat gereformeerde menschen eens ernstig over deze zaak met elkaar kunnen praten niet om stof op te jagen, maar om principieel deze belangrijke kwestie te bezien en zoo mogelijk tot een oplossing te brengen
Als wij onze jongelingen en jongedochters hooren zingen: „De vaan ontplooid" ons bondslied, dan zingen we dapper mee. Maar dan denken we wel eens, waarom mogen we niet saam zingen het lied, dat de martelaren in den kerker en op den brandstapel hebben gezongen: „Wij loven U, o God! wij prijzen Uwen Naam! U, eeuwig Vader! U verheft al 't schepsel saam"; ook: „U, Christus onzen Heer', bekleed met majesteit! U, 's Vaders een'gen Zoon zij lof in eeuwigheid".
En wat moeten we met onze kinderen op school, op Zondagsschool ook, zingen, als het gaat over de heilsfeiten? Met één zwaai alles maar ruw neerslaan met 't stopwoord: „Remonstrantsch"? Of zullen we 't geen God ons en onzen kinderen geopenbaard — Zelf geopenbaard en gegeven heeft — ook in ons lied vertolken?
Laten we er eens over denken.
Ds. Janssen schreef dit (naar aanleiding van zijn bezoek in Noorwegen en ook in verband met godsdienstige samenkomsten met soldaten en matrozen):
„Een godsdienstoefening zonder zingen kunnen wij ons niet voorstellen. (Zelfs aan boord zingen wij nog en wij zongen ditmaal zonder orgel en nog wel een tamelijk moeilijke wijs: Psalm 27: vers 7, en het ging prachtig; verscheidene matrozen hadden zelfs niet eens hun psalmboekje noodig), maar een andere vraag is nu, of wij nu uitsluitend psalmen daarbij moeten zingen, of dat wij ook ruimte moeten laten voor het N.-Testamentische lied. Velen zeggen, dat dit uit den Booze is. Ik geloof er niets van. Christus wordt door het lied niet minder verheeriijkt dan door de Oud-Testamentische psalmen, anders dan kunnen wij onze orgels in de huiskamer wel sluiten, want daarop worden meer Christelijke liederen dan psalmen gespeeld en gezongen. Op dit punt zou ik dan ook beslist een herziening en uitbreiding van onze liturgie wenschen. Ik acht dit zelfs dringend noodzakelijk en ik geloof, dat er op dit punt ook met voorzichtigheid en takt heel veel kan bereikt worden".
Wij zullen het hierbij laten. Zal het iets ten goede uitwerken?

Ciassicale Vergaderingen
Door het „Handelsblad" is becijferd, dat van de 44 Classicale Vergaderingen der Ned. Hervormde Kerk, vorige week Woensdag gehouden, 23 het Synode-voorstel op de Buurtgemeenten zouden aanvaard hebben, terwijl 21 zich tegen verklaarden. De meerderheid is dus uiterst gering. Daarbij moge in geen geval uit het oog verloren worden, dat tot de vóór-stemmende Classicale Vergaderingen gerekend zijn die, welke inderdaad voor het beginsel van Buurtgemeenten zijn, doch zich in geen geval vinden konden in een regeling, zooals die door de Synode werd voorgesteld.We denken hier aan Rotterdam, waar met 47 stemmen werd uitgesproken, dat men de autonomie van de plaatselijke gemeente en dus de vrije beslissing van den kerkeraad tot elken prijs wil handhaven. Alzoo zou, om de eindbeslissing op te maken, ten deze wel een nauwkeurig onderzoek mogen worden ingesteld of werkelijk 23 Classicale Vergaderingen zich vóór het reglement zélf verklaard hebben.
Het voorstel om de kerkrechtelijke positie van de Waalsche Kerken, die tot dusver gelijk stond met een provincie, te wijzigen in die van een classicaal ressort, werd doof 29 Classicale Vergaderingen aangenomen en door 15 verworpen.
De overige voorstellen, van minder ingrijpenden aard, werden, behoudens eenige opmerkingen, aanvaard. Tenslotte kunnen we aan het bovenstaande nog toevoegen dat met de initiatief-voorstellen inzake de Groote Synode en een wijziging van de Proponentsformule over 't algemeen sympathie betuigd is, o.a. door de Classicale Vergaderingen van Amsterdam, Arnhem, Amersfoort, Dordrecht, Breda, Goes, Gouda, Den Haag, Kampen, Rotterdam, Wijk, enz. In vele Classicale Vergaderingen voelde men er ook veel voor dat de Kerkvisitatie weer zal worden ingericht naar de manier, vroeger onder ons gebruikelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's