MEDITATIE
Nedergeworpen doch niet verdorven
Handelingen 9 vers 17 tot 20.
Aan deze woorden worden wij herinnerd als we overdenken wat de Heere deed aan Saulus, nadat Hij hem had nedergeworpen op den weg naar Damascus en wat we beschreven vinden in Handelingen 9 vers 17 tot 20.
Toen God Zijn knecht Lot uit Sodom leidde stak Hij de stad, waaraan Lot nog te zeer verkleefd bleek, niet alleen in brand, maar Hij verschafte hem ook een onderdak al was het dan in 't kleine Zoar. De bolwerken onzer eigengerechtigheid en zonden moeten opgaan in de vuurvlam van Gods heiligheid, doch ook moeten we in den Rotssteen Christus ingezet en in Hem geborgen zijn. Saulus werd door God ontdekt aan zijn ellende en daarna geeft hem de Heere Christus te verkondigen als de Zone Gods, ook zijn Verlosser.
De man, die dorstte naar het bloed der christenen wordt als een machtelooze, blinde zondaar geleid naar Damascus. Hij gevoelt terstond de bitterheid zijner zonde en kent zich een vervolger van Jezus. Dit wordt hem geopenbaard. In 't huis van Judas, in de straat genaamd „de Rechte" neemt het werk des Geestes verdren voortgang en derwijze wordt hij ingeleid in 't bederf zijns harten en in al wat „niet recht" voor God is, dat hij niet at of dronk drie dagen lang. Zulk vasten verkiest God, waar bij de knoopen der ongerechtigheid worden losgemaakt. Het recht Gods brandde hem op de ziel. Zijn deugd werd een wegwerpelijk kleed, en naar recht wachtte hem de eeuwige dood. Waar de nood zoo hoog klom tengevolge van het ontdekkend licht des H. Geestes, werd ook het noodgeroep geboren tot Hem, Dien Hij te voren vervolgde. De onwaardige vijand schreide uit zijn ellende tot God, Die hem had gegrepen en tot stilstand gebracht.
Zal zulk een gered kunnen worden?
Zal de Heere hooren naar zijn klagen, dat Saulus geen bidden kan noemen?
Maar dit klagen over eigen zonde-schuld was het eigen werk des Geestes. Daarom al kon Saulus niet zeggen dat hij bidt. De Heere spreekt tot Ananias van den kermenden Saulus : Zie, hij bidt ! Hier ligt waarlijk een in zichzelf verloren, blinde bidder, een worstelaar, die worstelt met God.
En zulkeen hoort de Heere. Lezer, zal de Heere ook van u zeggen: Zie, hij bidt!? Slechts de ziel die oprecht is voor God vindt verhooring. Dan staat „ik" niet op den voorgrond. Gelukkig de mensch die niet zeggen durft: ik bid! Maar van Wien de Waarachtige spreekt: Zie, hij bidt! Dan is de Heere reeds onderweg om te redden uit benauwdheid.
Ook in de dagen der bangste beroering, toen Saulus alléén was met zijn zonden, alléén stond voor het oordeel der gerechtigheid, zonder licht en troost, ook toen liet zich de Heere niet onbetuigd. God gaf hem niet over in den dood, dien hij rechtvaardig verdiend had. Hij vond een plaats des berouws. Ook kreeg hij een gezicht dat Ananias tot hem zou komen, de hand op hem zou leggen en hij weder ziende zou worden. Licht in den donkersten nacht!
Nedergeworpen — niet verdorven!
Zelfs werd Saulus rijk begenadigd na drie dagen worstelens en weenens ! De gave des H. Geestes, die zijn oogen opende voor de verlossing in Christus wordt hem geschonken. Na drie dagen al? Ach, hoe menigeen zucht reeds jaren onder zijn zondelast en nóg is het nacht! De Heere is vrij, en wie kan verhalen wat Saulus in die drie dagen heeft doorgemaakt? Angsten der hel hebben hem aangegrepen, hij vond benauwdheid en droefenis. En wanneer gij, lezer, meent dat de dag der verlossing te lang uitblijft, kent gij uzelf wel, uw zonde, uw vijandschap? Immers is Saulus als een „vijand" gerechtvaardigd? Als door vuur heen behoudt en zaligt God Zijn volk.
Ananias' tegenwerpingen (vers 13) ontneemt hem de Vrijmachtige zeggende: „Deze is mij een uitverkoren vat!" Wij zien dan wat voor oogen was. Maar God kent de Zijnen van eeuwigheid, verkiest hen en doet ze naderen. Zoo gaat Ananias — want Gods ure was aangebroken — om den last des Heeren te volbrengen met een volvaardig gemoed. Zijn God had hem geopenbaard dat er een in Sion was geboren en nu de Heere dien de ongerechtigheden niet wilde toerekenen verheugt zich Ananias om het wonder van genade aan Saulus verheerlijkt. Hij legt Saulus de handen op, een symbolische handeling om de mededeeling des Geestes aan te duiden en terstond „vielen af van zijne oogen gelijk als schellen".
De hand des Heeren raakte Saulus' zielsogen aan en gelijk hij blind werd gemaakt toen hij zijn zieleblindheid moest leeren kenen, zoo maakte God hem weder ziende naar het lichaam, nu de H. Geest het oog zijns geestes had geopend voor den Christus. Het ging den Apostel in die wond're, onvergetelijke ure als eertijds den Emmaüsgangers, wier oogen werden geopend „en zij kenden Hem." Paulus kende den Heere Jezus nu door de verlichting des Geestes, Die het geloof werkt in de ziel. De duisternis van ongeloof en eigengerechtigheid, van eigenwilligen godsdienst en onkunde, voorgesteld door „schellen" op zijne oogen, moest zwichten voor het reddend licht der verlossing in Christus Jezus. Christus te kennen wil zeggen het eeuwige leven te hebben, met God verzoend te zijn, de zonden vergeven te weten, gerechtvaardigd te wezen en te deelen in de vaderlijke gunsten des Almachtigen, zoodat onuitsprekelijke vrede het hart des begenadigden vervult.
Het is een machtig wonder van vrije genade dat aan Paulus werd verheerlijkt. Onberekenbare gevolgen heeft het gehad voor het Godsrijk over de gansche aarde.
De vijand werd een vriend!
De eigengerechtige werd tot een boetvaardigen zondaar!
De deugdzame werd de grootste der zondaren!
De ziende werd een hulpbehoevende blinde!
De blinde werd ziende!
De goddelooze werd gerechtvaardigd en die Jezus haatte verkondigde Zijn heerlijkheid!
En vraagt gij naar de oorzaak van dezen ommekeer? Er is slechts één antwoord: Gods verkiezend welbehagen! Zijn eeuwige Liefde in Christus Jezus doet Hem zoeken het ellendige en dat in den strik van eigengerechtigheid verward is. Wat was er in Saulus dat den Heere bewegen kon? Hetgeen hij bezat leerde hem God achten „schade en drek om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus." Als Paulus zelve weergeeft hoe hij gered werd van den eeuwigen dood, roept hij tot Gods eere uit: „Mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb, in mijne ongeloovigheid; doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde die daar is in Christus Jezus." (1 Tim. 1 : 13, 14). De verloste Kerk kent slechts één roem: den roem in vrije gunst.
Nu de Vrijmachtige Paulus had ingelijfd in de ware Kerk, het lichaam van Christus, ontving hij ook het teeken des Doops als een zegel van de reiniging zijner ziel en van de vernieuwing des levens door het bloed en den Geest van Christus. Hij was inderdaad met Christus gestorven en daarna opgestaan tot het nieuwe leven. Er was nu ook plaats voor hem in de gemeente van Christus te Damascus in wier midden hij, die gekomen was om haar te verwoesten, mocht verkondigen wat de Heere aan zijne ziel had gedaan. Wonderlijk van Raad en groot van daad is de Heere Heere! Als God werkt, wie zal het keeren?
Paulus heeft geloofd en daarom heeft hij gesproken. Kon hij iets anders prediken dan Jezus? Neen! Hem dankte hij het leven en de redding zijner ziel. In Hem was zijn blijdschap! Hij predikte terstond Christus. Zooveel licht gaf hem de H. Geest en daartoe had hem God verkoren, dat hij met vrijmoedigheid den Zaligmaker aanprees hoewel Deze „den Joden een ergernis, den Grieken een dwaasheid" is. Met die prediking drong hij door in de synagogen waar zij, die nu zijn vijanden geworden zijn, den toon aangaven. Zijn hart vol van goedheid Gods en van Christus, Die hem verschenen was op den weg, werd gedrongen om met den ijver des Geestes, dien Jezus aan te prijzen. Immers de redding, het leven, de zaligheid — Paulus ervoer het — was in geenen anderen. De apostel beleed Jezus als Zone Gods met de gansche Kerk, die ten allen tijde Hem aldus roemde: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods! Wie Hem loochent als Zone Gods zal geen dageraad zien. „Die den Zoon heeft die heeft het leven; die den Zone Gods niet heeft, die heeft het leven niet" (1 Joh. 5 : 12).
Dit Evangelie heeft zich de apostel niet geschaamd. Hij wist zich gesteld een prediker en apostel, een leeraar der heidenen in geloof en waarheid. Al zijn vermaak vond deze knecht Gods in de prediking van Christus „alleen en volkomen", welke prediking noodzakelijk moest gepaard gaan met de vernedering en ontdekking des zondaars. In later jaren terugdenkend aan deze roeping, prijst hij, ondanks al wat hij om dit Evangelie heeft moeten lijden. Hem, Die 't den apostel toebetrouwde, zeggende: „En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft n.I. Christus Jezus onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, die te voren een Godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker." 1 Tim. 1 : 12, 13.
Lezer! Gij moet wedergeboren en verlost worden.
En dit kan niet dan door den dood van uw „ik", door de benauwende donkerheid van Gods ontdekkend reeht heen. Brenge de Heere u onder de bearbeiding hiervan opdat ook gij door de kennis uwer ellende, geraakt tot den morgen der verlossing in Christus. Gij zult ondervinden wat elk van Gods kinderen ervoer:
Gij deedt mij wel benauwdheid smaken
En drukkend harteleed.
Maar, tot mijn hulp gereed.
Zult Gij mij weder levend maken.
Mij uit den afgrond trekken
En met Uw vleug'len dekken.
Aldus leert ook gij, verloste in Christus, Jezus verkondigen, als Zone Gods, als Redder en Zaligmaker. Uwe roeping getrouw zult gij dan allen benauwden van geest toeroepen tot eere van Gods onwankelbare trouw, wat Paulus zegt aan de Filippenzen (1:6) „Vertrouwende dit, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, het voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus."
A. K.J. v.d. BERG.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's