FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
27)
Des daags na het Kerstfeest wend Anna begraven; er was veel belangstelling. Er waren er die weenden met de weenenden, o.a. Rika van Leeuwen en Jans van bakker Smals, de vriendinnen van Anna, die ook ter begrafenis waren verzocht.
De sneeuw lag er nog en er was 's morgens nieuwe bij gekomen. Zelfs had zij de aarde uit het gegraven graf bedekt en was zij in het graf gevallen, zoodat zij met de zwarte doodkist een scherpe tegenstelling maakte.
Ds. Stevens sprak in het sterfhuis van het leven na den dood, ook voor Anna bereid; dat zij door den Heere toebereid was en langzaam losgemaakt van wat als aardsch achterbleef; hoe zij gestorven was in de hoop gekleed te worden met een kleed witter dan sneeuw, en zij in deze hoop niet was beschaamd: ,,Want de geboren Zaligmaker was ook haar Heiland, haar goede Herder, die Zijne schapen brengt in de hemelsche weide, door het dal der schaduwen des doods heen.
„De herders hoorden de engelen zingen in Bethlehem's veld, maar Anna hoort hen zingen in den hemel. Wij hebben in haar weer gezien, dat ook jonge menschen, door den H. Geest verlicht, de zaligheid kunnen zien in Christus vóór zij sterven, gelijk de oude Simeon, om dan ook als hij in vrede heen te gaan. Welk een voorrecht het is, en hoe noodig het voor oud en jong is, dat heden in het Evangelie te zoeken. Hoe troostvol is het, dat te weten van onze geliefden, die door den dood ons worden ontnomen, vooral voor de harten der ouders. Het kan anders gaan, zooals wij ook beleefd hebben";
en hier raakte de predikant een snaar aan, die vooral in vrouw Zeelman's hart een schril geluid deed hooren, dat als een angstkreet over hare lippen kwam. Het was haar haast te veel; maar des te meer was het haar rijke vertroosting, toen de predikant uit de Openbaring las van de vreugde des hemels en in haar hart ook een stem was, die haar beloofde, daaraan eens deel te zullen hebben en in die hemelsche blijdschap ook haar kind weder te zullen zien in een kleed „witter dan sneeuw".
Toen kon zij ook, door den Heere gesterkt, haar Anna mee in 't graf leggen, wetende dat er een opstanding der dooden is en een eeuwig leven.
Door de zonde is het leed, de smart en het verdriet, duisternis en dood, maar door de genade van Jezus Christus is de zaligheid in het eeuwige licht.
Anna had veel mee in 't graf genomen. Hoe stil en ledig was het in de smederij. Allen hadden met haar mee geleden en hun best gedaan haar te verplegen. Wat een zorg en moeite dag en nacht in de laatste twee jaar! Alsof zij nu niets meer te doen had, zóó was het vrouw Zeelman, alleen de droefheid was gebleven, groote droefheid. Toch, de Heere sterkte haar dat zij er niet door werd verslonden, en het was hare bede, dat Hij na al het zure het zoete ook geven mocht.
„Het spijt me zoo voor jou, Liesbeth", zei haar man tot haar, „ik had het zoo graag anders gewild. Maar zij is thuis, en heeft het beter dan wij".
„Ja, veel beter, Kobus, dat geloof ik vast. Mocht het met ons allen maar anders worden, nu het beslist is. Wij zullen haar zoo missen".
Allen misten haar, de kinderen, de knechten, Trijntje, zelfs de duiven kwamen later telkens op het platte dak kijken of zij er nog was.
De gansche huishouding was er op ingericht om voor Anna te zorgen, en nu moest dat weer gansch anders worden.
Het scheen wel dat Zeelman zich het sterven van Anna zeer aantrok. Hij was met zijn gedachten dikwerf niet bij zijn werk zooals de knechten wel merkten, hij legde den hamer neer en ging in huis, telkens weer naar boven, naar den zolder bij zijn duiven. Wat deed hij daar zoo dikwerf? Een paar keer haar wat voedsel te brengen was toch voldoende? En hij bleef er soms lang.
„'t Is te koud op zolder, man, je wordt nog ziek", had zijn vrouw eens gezegd; maar hij had er niet op geantwoord. Hij was bizonder stil. Maar boven niet, ten minste Trijntje had hem daar hooren spreken, alsof hij aan 't bidden was.
Hij bad toch niet voor de doode? Zijn vrouw durfde hem er niet naar vragen. Zij werd over hem bezorgd, toen hij al maar stiller werd en het met het eten en slapen noch met het werk ging zooals te voren.
„Hoe kan de baas zich dat toch zoo aantrekken", zei Albert, „An was toch zij" eigen kind niet ? Er is niets met hem je beginnen, ik hoop dat 't gauw verandert".
Had de smid de ziekte toen zij bij Anna, die aan de borst van haar stiefvader stierf, haar werk gedaan had, overgeërfd?
't Was Oudejaarsavond. De kerk was vol, zooals altijd bij die gelegenheid. Dat is een bizondere dienst. Dan wil men een ernstige prediking, een boetprediking. Omdat wij dan dichter bij de eeuwigheid zijn? 't Schijnt wel zoo. Maar toch niet lang, want eenige uren later. Nieuwjaarsmorgen ..... .....?
(Wordt vervolgd)'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's