FEUILLETON
DE SMID VAN GRIJSDORP
door JEKA
28)
Oudejaarsavond is er behoefte aan het sterven, aan 't vergankelijke van alles herinnerd te worden, dan moet er op de zonde en hare straf gewezen, de geschiedenis van het jaar kort herhaald, die gestorven zijn, herdacht, de tollenaarsbede herhaald, of de belijdenis van den verloren zoon; ook aan Gods weldaden herinnerd, het gansche jaar genoten, om er Hem voor te danken; dan moet de balans opgemaakt en de gemeente voor God gesteld om rekenschap te geven, enz.
Zóó althans deed ds. Stevens ook. Zijn tekst was uit Lukas 16, het eerste gedeelte; de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester. Inzonderheid legde hij nadruk op het 2de en 3de vers, — geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn. En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen ...
Die preek maakte op vele hoorders een diepen indruk, vooral hetgeen de prediker zeide over de aangehaalde woorden: „Velen, die in dezen avond onder de prediking van Gods Woord verkeeren, meenen dat zij rentmeesters Gods zijn, dat zij hedenavond rekenschap moeten geven over hetgeen ze deden in het afgeloopen jaar. En dan valt het met dat rekenschap geven, zoo 't schijnt, nog al mee. Er hapert wel een en ander aan, maar toch niet zooveel of zij zullen in het nieuwe jaar dat rentmeesterschap voortzetten.
Dit nu is een dwaling. Er staat toch duidelijk, dat de rijke heer, die een rentmeester had, hem riep en zeide: geef rekenschap, want gij kunt het niet meer zijn. Hij was immers verklaagd, aangeklaagd, als die „zijns heeren goederen doorbracht". Hij wist dat zijn heer „het rentmeesterschap van hem nam", dat hij als rentmeester „afgezet zou worden".
Daarom juist is hij verlegen, en vraagt zichzelven: „Wat zal ik doen?"
Zóó is onze toestand: wij kunnen geen rentmeester zijn, want wij hebben de goederen Gods er doorgebracht, wij zijn allen afgevallen en verdorven.
Wordt gij niet aangeklaagd van alle kanten en van binnen uit aangeklaagd? Meent gij dat gij jaar op jaar rentmeester zult zijn en blijven, dan geen onrechtvaardige rentmeester zijn, en niet geroepen door God om rekenschap te geven?
Zijt gij wel ooit verlegen geweest omdat gij het zoo bedorven hebt voor uwen God, heel uw leven door ; zóó verlegen, dat gij vroegt: „Wat zal ik doen? "Keurt gij u heden wel geschikt om Gods rentmeester te zijn en dat te blijven? Wie zijt gij dan?
Hoort 's Heeren Woord: „geef rekenschap, want gij kunt geen rentmeester meer zijn".
Waarom zegt de Heere dat? Opdat gij zoudt zeggen: „Wat zal ik doen?
De rentmeester overlegde wat hij zou doen, om zich nog te redden. Hij vond een uitweg. Hij kwam er uit, al was het op een oneerlijke wijze, nogmaals ten koste zijns heeren, maar hij redde zich.
Meent gij, dat hij rentmeester bleef? Wat zal ik doen? Ja, wat zult gij doen, gij schuldigen en verlorenen, aangeklaagden en onwaardigen?
Wat zal ik doen? Vraagt gij dat ? Van harte, in verlegenheid, kennende uw groote schuld? Nu, het Woord des Heeren geeft er een antwoord op. Er is een uitweg, een weg der ontkoming, een weg van vergeving en verzoening in Christus.
En tot dien weg behoort ook, dat gij u zelven vrienden maakt uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. Daarom is in dit hoofdstuk aan het einde de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus. Ziet, de rijke man, was dat een rentmeester Gods? Hij kon het niet zijn, hij bracht immers diens goederen er door, „levende allen dag vroolijk en prachtig". Geef rekenschap, want gij kunt het niet meer zijn; gij zijt, gij wordt van alle kanten aangeklaagd. Zoo werd tot hem gezegd. Maar hij hoorde niet. Hij wilde niet hooren; tot aan zijn dood toe werd hij er niet verlegen mee, dat hij vroeg: Wat zal ik doen?
Had hij dat maar gedaan? Er was vlak voor zijn deur gelegenheid om zich door zijn geld vrienden te maken. Geld was niet eens noodig, wat kruimels, wat overschot van zijn tafel aan den armen, hongerigen Lazarus. Maar dat had hij niet gedaan.
En hoe zou hij nu ontvangen worden in de eeuwige tabernakelen?
Hij deed zijn oogen open in de hel. Toen was hij verlegen, maar het was te laat, voor eeuwig te laat.
Waarom? Omdat hij hier nooit gevraagd had met het oog op zijn schuld voor God: „Wat zal ik doen?"
„Wat zal ik doen?" Zoo predikte ds. Stevens in dien oudejaarsavond. Ten minste zoo ongeveer, want letterlijk kunnen wij die preek niet weergeven.
Onder de kerkgangers die op dien oudejaarsavond goed luisterden en wat mee namen uit Gods huis, was ook smid Zeelman.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's