KERKELIJKE RONDSCHOUW
Verboden Christendom (4)
Ds. Theesing gaat voort als modern vrijzinnig man uiteen te zetten, wat volgens hem „het evangelie van Jezus" is. En hij komt telkens tot de conclusie, dat het traditioneele Christendom dat evangelie van Jezus verknoeid heeft en de tijd is gekomen, om van het traditioneele Christendom te zeggen: 't is dood, 't is der verdwijning nabij!
Bizonderlijk betoogt hij dat in de 4de voordracht, in zijn boekje opgenomen, handelend over het sprekende onderwerp: „De „oude" God is gestorven."
Hij zegt: „Het zoeken naar een waarheid, die nooit gevonden wordt, is iets, dat den beperkten mensch onrustig maakt. Hij wil niet leven zonder zekerheid. Hij kan zich neerleggen bij de gedachte, dat de wetenschap raadsels overlaat, wanneer zijn godsdienst maar zekerheid geeft, eeuwig en onveranderlijk en absoluut.
Voor velen is het tot rust, dat hier zekerheid is in de traditioneele Christelijke leer. Dat is voor hen de goddelijke waarheid, die hun geopenbaard is. Zij gelooven dan aan den Bijbel als een goddelijk Boek en dat God in Christus den heilsweg heeft geopenbaard. Zij kunnen niet zonder de zekerheid van dat vast en eeuwig fundament. Voor hen is die godsdienstige waarheid de eenige zekerheid in het leven, de eenige troost in sterven, omdat deze waarheid door boven-natuurlijke openbaring tot den mensch gekomen is. (blz. 35 —36).
Zooals alle wetenschap en wijsheid, is, ook de godsdienst allereerst „menschelijk" opgekomen in des menschen geest. En gelijk de wetenschap verandert bij voortgaande ontwikkeling, zoo ook verandert de godsdienst. De overgeleverde geloofsvoorstellingen zijn dus tijdelijke waarheden, aannemelijk bij een bepaalde geestelijke ontwikkeling. Wanneer de geestelijke gesteldheid van den mensch verandert, moet ook zijn godsdienst veranderen.
De „oude" Gods-voorstelling van het Christendom der traditie is een eenvoudige. Boven de schepping troont, omgeven door zijn aartsengelen, een eeuwig, almachtig, persoonlijk wezen, God genaamd. In zijn almacht heeft Hij de wereld uit niet geschapen. Hij onderhoudt alles; is alwetend; niets gebeurt op aarde of het is Hem bekend. Hij is Voorzienigheid en leidt het leven van volkeren en menschengeslachten.
Alle dingen zijn aan zijn wil onderworpen. Hij heeft natuur-wetten gesteld, maar kan die willekeurig verbreken (dan spreekt men van „wonderen") (blz. 37).
Al die traditioneele voorstellingen worden in den Bijbel geleerd. In Genesis staat het oude Paradijsverhaal. Daar wordt de schepping van den mensch verteld en van een slang; en er wordt verteld, dat Adam en Eva hebben „gezondigd". Afgevallen van God is de mensch, gescheiden van God, vandaar in de wereld het kwaad, de zonde, de boosheid, de slechtheid. En het arme menschengeslacht zucht onder den vloek.
Zoo dit waar is — zegt ds. Theesing blz. 38 — zoo dit werkelijk zoo is, als al het menschelijk leed en lijden, onrecht, haat en zonde van eeuwigheid tot eeuwigheid zich opstapelt tot bergen van ellende, alleen omdat de eerste mensch gezondigd heeft in ongehoorzaamheid, rijst dan niet op in uw hart een ontzettende aanklacht tot den eeuwigen, almachtigen, heiligen God? Deze heilige Almachtige heeft den mensch geschapen, maar waarom schiep Hij hem niet zonder aanleg tot zonde? Als Hij dit niet kon, was Hij niet almachtig. Als Hij niet te voren wist, dat de mensch in de zonde zou vallen en ongehoorzaam zijn, was Hij niet voorzienigheid.
Hoe kon Hij dit doen, hoe kon Hij dit toelaten? Deze heilige God gelijkt veeleer een Satan. (blz. 38).
Men zegt: God deed den mensch zondigen met daarna het oordeel, opdat Hij zich eenmaal zou kunnen openbaren in Zijn vergevende Liefde. (blz. 39).
Op zeker tijdstip der historie zal God mensch worden op aarde, uit de Maagd Maria zal Hij geboren worden als de Zoon. En deze Zoon Gods, in alles den menschen gelijk, uitgenomen de zonde, deze Zoon Gods, die zich vernedert en zich kruisigen laat, deze Zoon Gods, die onschuldig sterven zal, gelijk een lam ter slachtbank wordt geleid, deze Zoon Gods — is de ware Hoogepriester, de ware Middelaar, die de zonden der wereld verzoent. Hij brengt het offer van zijn schuldeloos leven, aan het kruis sterft Hij voor de zonden der menschen. Op den heuvel Golgotha zijn de zonden der wereld verzoend. Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eenigen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe". Joh. 6 vers 47. Zóó wordt door den Zone Gods, den Middelaar tusschen den heiligen God en den zondigen mensch, de straf der zonde te niet gedaan. Al wie in den Zoon gelooft, voor dien is Hij gestorven, die zal het eeuwige leven deelachtig worden, enz.
Het is duidelijk — zoo schrijft ds. Th. blz. 39 — voor ieder die nadenkt, dat ons gansche verstand, ons zedelijk oordeel, ons gansche hart, ziel en geweten in opstand komt tegen deze Gods-voorstelling en dit gewilde lijdens-drama der menschheid.
Het oude Paradijsverhaal in Genesis is voor ons een oude legende, geen historie. Jezus Christus, de Zoon Gods, gestorven voor de zonden der menschheid, is voor ons, die het geloof in een Middelaar tusschen God en mensch verwerpen, een onhoudbaar leerstuk. Het is alles primitieve legende. Wij kunnen niet gelooven in een God, die den mensch strafbaar stelt voor de gebrekkigheid, waarmede Hij hem zelf heeft geschapen. Voor ons zedelijk bewustzijn is deze heilige God een geducht en vreeselijk God. Want — dit oude geloof spreekt uit, dat alle leed en ellende op aarde, straffen Gods zijn. God zendt natuurrampen, oorlogen, als straffen voor menschelijk kwaad. Millioenen onschuldigen doet Hij lijden en verhongeren. Hij kan wonderen doen, en de natuurwetten opheffen: waarom doet Hij dan nu geen wonderen meer? Hij kan het gebed verhooren: waarom verhoort Hij dan nu het gebed van zoovelen, die om uitredding smeeken, niet meer?
God heeft alleen maar lief, die de ware leer gelooft, alleen wie tot de ware Kerk behoort, alleen wie het heilige Boek aanneemt — dat zijn Gods liefste kinderen. Die anderen zijn verdoemden en kinderen der hel. Maar als gij, die dit leest — roept ds. Th. uit blz. 41 — los zijt van traditie en bijbelgezag, dan kunt gij niet neerknielen voor dezen God, noch Hem aanbidden. Dan moet gij deze voorstelling van „God" verre van u werpen.
Hoeveel liefelijker is de Gods-voorstelling die Jezus aan zijn volk gebracht heeft, blijkens het evangelie. Hier komt de gedachte naar voren, dat God een Vader is voor Zijne kinderen. Dat Hij den mensch zijn zonde vergeeft in grenzenlooze ontferming. Wie met een geloovig hart tot Hem komt en Hem zoekt, zal vinden. Alles, leidt Zijn Vaderhand. Hier is de vriendelijke voorstelling van een God, die ons voorschrijft niet te zorgen voor den dag van morgen, (blz. 42).
Maar de desillusie zal komen ook voor Jezus, dezen kinderlijken mensch! De scharen verlaten hem, al duisterder wordt het voor hem, men zoekt hem gevangen te nemen. Is ook dat Gods wil? Hij bidt: „o God, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker aan mij voorbij gaan". Hij is goed geweest en moet Hij nu zóó lijden en sterven? Hij sterft aan 't kruis en schreeuwt zijn aanklacht uit tegen God, die zijn Vader niet meer is!
De klacht aan het kruis, is der menschheid eeuwige klacht! (blz. 45).
De werkelijkheid van het leven ontneemt ons de oude Gods-voorstelling. En dan leert gij zoeken naar uw God; naar een anderen God. En nu wilt ge niet meer denken aan een persoonlijk wezen in den gewonen zin des woords, nóch denken aan Een boven en buiten de wereld. En door eigen onderzoek en nadenken moet gij er komen. Het fundament van een Godsgeloof moet liggen in uw eigen dieper zelf en redelijk zijn voor uw verstand. Wie eenmaal door de wetenschap geleid iets gezien heeft van het oneindig leven, iets doorschouwd heeft van de eeuwige wording en begrepen heeft, dat al het stoffelijke gedragen wordt door een zelfde ordenende, scheppende macht, in de materie voortstuwend, die heeft ontdekt den Geest, die het heelal doet „worden", heeft ontdekt de ziel, die in de materie verborgen is, den wil die in alles naar een steeds verder doel streeft. Die heeft God opnieuw ontdekt, niet boven, niet buiten, maar in de wereld. De oude God is dood, de nieuwe God is ontdekt, is weder gevonden.
De eeuwig wordende God — in elke ster, in elk dier, in elke plant, in al 't levende en levenlooze is God. Hij leeft, strijdt, groeit. En dan rijst voor ons op deze ontzaglijke waarheid, dat er niet éénmaal één Zoon Gods geweest is in de historie, maar dat wij allen zonen Gods zijn in het heden en in realiteit, (blz. 48). Alles is verwezenlijking van de Wereldziel, (blz. 49). In de historie der menschheid breekt dan ook eens de nieuwe dag aan; onder ons is komende de nieuwe mensch; wij gaan in stijgende lijn en wij komen tot liefde, rechtvaardigheid, heiligheid. We hebben eeuwen den Geest, de Wereldziel, verkeerd begrepen. Maar nu groeit de nieuwe God en de nieuwe mensch komt. De hemelen verkondigen Gods eer — aan den mensch is het om nu de aarde van een huis van moordenaars te maken tot een tempel Gods. Want de mensch die God gevonden heeft, zal Hem moeten dienen met scheppende daden. Hierop wacht de menschheid."
Zoo heeft de pantheïst Theesing den ouden God dood verklaard en den nieuwen God aan 't licht gebracht. Jammer, dat het nieuwe zoo oud is en zoo dikwijls reeds is onderst boven geredeneerd. Terwijl het oude met steeds nieuwe kracht leeft in de harten van duizenden en tienduizenden, die den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus liefhebben en Hem wenschen te dienen naar Zijn Woord.
(Wordt voortgezet).
De prediking in vroeger tijd.
Elke tijd heeft zoo z'n eigenaardigheid, ook wat de godsdienstoefeningen en wat de prediking betreft. Zoo is bekend, dat C a l v ij n, de grootmeester onder de Hervormers, er op bedacht was zooveel mogelijk zich aan te passen aan de kerkelijke gebruiken van zijn tijd; en dan die kerkelijke gebruiken handhavend ze te vernieuwen naar Gods Woord. Zoo was in de Roomsche Kerk de misdienst wel de meest in trek zijnde plechtigheid, die het meest gehouden werd door den pastoor. C a l v ij n hield die dagelijksche vroeg-diensten in stand en in de twee hoofd kerken de S a i n t-P ie r r e en de S a i n t-G e r v a i s werd er iederen morgen gepreekt; van Paschen tot October 's morgens om zes uur; den overigen tijd des jaars om zeven uur. Driemaal 's weeks ging daar nog een godsdienstoefening aan vooraf; om vijf uur des zomers en om zes uur gedurende de wintermaanden, ten behoeve van de werklieden die vroeg naar het werk gingen, 's Woensdags in het bijzonder was men verplicht naar de Kerk te gaan.
Voor alle inwoners van de stad en van haar gebied was trouwens geregeld kerkbezoek wettelijk voorgeschreven.
Zondagsmorgens zéér vroeg werd de eerste godsdienstoefening gehouden, weer in de beide hoofdkerken. De tweede dienst, de hoofddienst werd tegen acht of negen uur gehouden in de drie kerkgebouwen. De leerlingen van 't College gingen dan onder geleide van een meester naar de Kerk van hun wijk. Er waren drie wijken, met drie kerken: de Saint-Pierre, de Saint-Gervais en de Madaleine.
Des namiddags kwamen de kinderen om drie uur voor de Catechismuspreek, onder geleide van hun onderwijzer ook. Dat was de derde dienst. Een ieder die nog niet toegelaten was tot het heilig Avondmaal, vooral kinderen, dienstknechten en dienst-en kindermeisjes moesten dan naar de Kerk. In dezen dienst werd de Catechismus van Calvijn gepredikt; 't was geen gewoonte dan vrije stof te behandelen en na de uiteenzetting van de bepaalde leerstof uit den Catechismus werden de kinderen ondervraagd omtrent het gehoorde. Alvorens toegelaten te mogen worden tot het Heilig Avondmaal moest men deze diensten getrouw gevolgd hebben en moesten de jongeren den Catechismus kunnen opzeggen.
Ook hier te lande hield men de kinderen en de jongeren bizonder in 't oog en de Catechismus-prediking werd daarvoor dienstbaar gemaakt, mee na het besluit van de Haagsche Synode van 1586. Vooral Bastingius heeft veel werk gemaakt van de uitlegging van dat leerboek en zijn boek, waarin geen preeken, maar „uitleggende gedachten" staan is op verzoek door hem voor de pers in gereedheid gebracht. Dit geschrift was het eerste van dien aard. Hij rekende daarbij niet alleen op de kinderen maar ook zeer bizonder op de rijpende jeugd.
Hoe onze Vaderen daaronder stonden blijkt wel uit de liturgische gebeden, welke door hen opgesteld zijn speciaal voor die diensten. Laat ons uit die „gebeden vóór en na de leer van den Catechismus" iets afschrijven.
In het „Gebed vóór de leer van den Catechismus" komen deze mooie smeekingen tot God voor: „O hemelsche Vader! Uw Woord is volkomen en bekeert de zielen, eene waarachtige getuigenis, den ongeleerden wijsheid gevende, en der blinden oogen verlichtende, een krachtig middel ter zaligheid voor allen, die gelooven. Maar overmits wij van nature niet alleen blind, maar onbekwaam zijn tot eenig goed; en dat Gij ook niemand helpen wilt, dan die ootmoedig en verslagen zijn van hart, bidden wij U, dat Gij ons verstand wilt verlichten met Uwen Heiligen Geest en ons geven een zachtmoedig hart, van hetwelk alle opgeblazenheid en vleeschelijke wijsheid geweerd is; opdat wij Uw Woord hoorende, hetzelve recht verstaan mogen en ons leven daarnaar aanstellen. Wil ook genadiglijk bekeeren allen, die nog van Uwe waarheid afdwalen, opdat wij allen te zamen U eendrachtelijk dienen, in waarachtige heiligheid en gerechtigheid al de dagen van ons leven enz."
Wat een mooi, teer, eenvoudig, hartelijk gebed, opgezonden tot „onzen hemelschen Vader." Leeft dat gebed nog onder ons? Wordt die heerlijke aanspraak van onzen hemelschen Vader onder ons nog gehoord?
Maar dan willen we — en daar is 't ons nu voornamelijk om te doen — ook uit het „Gebed na de leer van den Catechismus" een gedeelte hier afschrijven, om te laten zien, dat men bizonder in dezen dienst dacht aan de kinderen en aan de rijpende jeugd. Want in dat „Gebed na de leer van den Catechismus" werden deze smeekingen voor den troon der genade neergelegd:
„O genadige, barmhartige God en Vader, wij danken U, dat Gij niet alleen ons in Uw verbond genomen hebt, maar ook onze kleine kinderen, hetwelk Gij hun niet alleen verzegeld hebt door den heiligen Doop, maar ook dagelijks bewijst, als Gij Uwen lof volmaakt uit hunnen mond, om alzoo de wijze wereld te beschamen. Wij bidden U, vermeerder in hen Uwe genade, dat zij in Christus, Uwen Zoon, altijd toenemen en wassen, totdat zij hunnen volkomen mannelijken ouderdom in alle wijsheid en gerechtigheid erlangen. Geef ons ook genade, dat wij hen in Uwe kennis en vreeze, gelijk Gij ons bevolen hebt, onderwijzen, opdat door hunne godzaligheid het rijk des satans verstoord worde en het Rijk van Jezus Christus in deze en andere gemeenten versterkt worde, tot eer van Uwen heiligen Naam en tot hunne eeuwige zaligheid, door Jezus Christus. Amen."
Zouden onze Geref. Vaderen, die het verbond in eere wenschten te houden en zich aansloten aan de woorden van het Doopformulier, hier niet bizonderlijk aan de jeugd, aan het opkomend geslacht, gedacht hebben, om in die diensten voor te bereiden voor den „volkomen mannelijken ouderdom", waarbij zij in de eene plaatselijke Kerk (gemeente) ook baden voor de jeugd in andere gemeenten!
Ook in Londen, in de vluchtelingengemeente, was in de ordinanciën der Kerk opgenomen, dat de gemeente drie maal in de week tot den dienst des Woords zou samenkomen, tweemaal op Zondag en éénmaal op Donderdag, terwijl dan des Zondagsmiddags in het tweede deel van de predicatie de groote Catechismus van a Lasco moest worden besproken, voornamelijk met het oog op de jongeren.
Daar echter hier en elders bij de ouderen ook zoo groote onbekendheid met de leer was, doordat Rome het onderwijs in de goddelijke waarheden bijna geheel had verzaakt, was het onderricht voor de jongeren ook dikwijls zoo broodnoodig voor de ouderen en zóó ontstond de Catechismus-prediking voor heel de gemeente.
Toch was de oorspronkelijke bedoeling — ook blijkens het Gebed na de leer van den Catechismus — een dienst voor de jongeren te hebben en wilde men het opkomend geslacht een opzettelijke paedagogische of opvoedkundige inleiding geven in de leer, de gewoonten en verwachtingen der Kerk van Christus, 't Moest iets zijn voor H „aencommelinghen". (Synode v. Middelburg 1581. Zie ook Dr. A. Kuyper. Encyclopaedia III, blz. 504). Daarbij werd altijd nadrukkelijk gezegd, dat men „cortelijk" uitlegging zou geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's