KERKELIJKE RONDSCHOUW
Verboden Christendom (5)
Ds. Theesing, "die zich een „Ketter" noemt en die zegt „verboden Christendom" te brengen — dit aanprijzend als veel beter zijnde dan het traditioneele Christendom van de Kerk — handelt in een 5de hoofdstuk van zijn brochure over: „De „nieuwe" mensch en de godsdienst". In het 4de hoofdstuk heeft hij met den „ouden" God afgerekend en gezegd, dat die „oude" God dood is, nu zal hij eens zeggen wie en wat de „nieuwe" mensch is en wat deze „nieuwe" mensch voor godsdienst er op nahoudt.
Hij zegt: In den loop der eeuwen is alles in de samenleving veranderd, vol verbazing zou de mensch van zesduizend jaar geleden de hedendaagsche wereld aanzien, en 't is ontwijfelbaar zeker, dat als de mensch van heden over zesduizend jaar de dan bestaande wereld zou aanschouwen, ook diens verbazing grenzenloos zou zijn.
Zoo zijn ook de godsdienstige behoeften van den mensch geheel anders geworden in den loop der tijden. De wilde had andere zielsbehoeften dan de Oud-Testamentische vrome; de Middeleeuwsche christenen hadden andere dingen in 't hart dan de moderne mensch.
ledere tijd zal dan ook z'n eigen godsdienst bouwen op andere behoeften. ledere tijd zal noodig hebben een eigen godsdienstprediking. De „oude" mensch leefde uit „oude" levenswaarden en bij de „oude" godsdienstprediking, omdat zijn innerlijk gedragen werd door de „oude" verlangens, maar de „nieuwe" mensch, in dezen modernen tijd, wordt door andere zielsbehoeften gedreven en is verlangend naar andere levenswaarden.
Onder ons is opgestaan de „nieuwe" mensch en hij is zich bewust van zijn grootheid. Zoovele raadsels der natuur heeft hij ontsluierd. Hij is tegenover de natuur komen te staan als één die overwinnen zal en kan. Hem is verre die vrees, die de primitieve mensch voor de natuurkrachten had.
Met het wijken van die vrees voor de natuur, is ook geweken de vrees voor God! Want nu de mensch heeft leeren inzien, dat de gansche schepping ontwikkeling is van den Eeuwigen Geest, nu heeft hij gezien dat de Geest langs den weg der evolutie stijgt tot het steeds hoogere in natuur-en geestesrijk, nu beseft hij, dat diezelfde Geest ook werkzaam is in hem zelven en nu gevoelt de mensch zich niet van God gescheiden, maar innerlijk met Hem vereend. Eén is de mensch met de natuur, maar één ook met den Geest,
In den loop der eeuwen is nu in den mensch een hoogere en weer hoogere zedewet te voorschijn geroepen; en de „nieuwe" mensch weet, dat hij die zedewet heeft te vervullen zonder gedachte aan loon of straf. Hij gevoelt zich niet langer een kind, maar een zelfstandig, bewust mensch, die het goede wil doen, omdat hij innerlijk niet anders kan. Wel kan hij, tekort doende aan zijn goddelijken aanleg, het verkeerde kiezen, maar hij gevoelt dit niet als zonde die vergeving noodig heeft, maar als een tekortkoming, die hij zijn eigen innerlijk aandoet. Hij biecht het kwaad aan zijn eigen hart en een innerlijke stem spreekt, dat niets ongedaan kan worden gemaakt, maar dat 's menschen kracht groeit door strijd en overwinning. Hij is innerlijk actief, werkzaam, voelt in zich scheppende kracht. De wereld en het maatschappelijk leven zijn voor hem de stof die hij steeds weer wil omvormen, steeds weer wil herscheppen tot hooger orde. Zijn levensrichting is niet allereerst hemelwaarts gericht, maar gericht op de aarde. Hier heeft de Geest hem geplaatst en God wekt in hem de drift, het vuur, den drang om deze wereld aan te grijpen en te vervormen naar die idealen van liefde en gerechtigheid, waar zijn ziel van droomt. En hiertoe gevoelt hij zich niet onmachtig en niet onbekwaam. Neen — hij weet dat de weg eindeloos is en dat alle leven zich vervormt door de eeuwen heen. Ook een rechtvaardiger en liefdevoller gemeenschap groeit slechts langzaam. Maar zij groeit. Zij zal komen, zij moet komen, want de „nieuwe" mensch weet, dat de Goddelijke Geest Zelf in hem gelegd heeft het verlangen hiernaar te streven. Een rijk van grooter gerechtigheid nader te brengen is zijn aardsche levenstaak. Voor den eenen mensch is het geloof in onsterfelijkheid en een volgend leven daarbij levensbehoefte voor de ziel. Een ander kan er buiten. Voor den „nieuwen" mensch is dit niet de allereerste vraag. Voor hem is het de groote vraag: hoe is het leven hier op aarde en wat kunnen wij doen om allereerst dat leven heiliger, rechtvaardiger en liefdevoller te doen wezen. En hetzij hij gelooft of niet-gelooft in onsterfelijkheid, hij vreest den dood niet meer. Voor hem is de dood het natuurlijke en noodwendige. Gelijkerwijs de mensch geboren wordt, zoo zal hij ook sterven en wijs is hij, die zich met zijn lot verzoent.
Dat is het hoogere standpunt, waar de „nieuwe" mensch van uit gaat. (blz. 54). Wie innerlijk verzekerd is, dat de mensch het goede kan als hij wil, die is overtuigd, dat ook de groote massa opwaarts streven kan en moet, omdat de Goddelijke Geest Zelf hen er toe zal aandrijven. Innerlijk is de mensch goed. In deze overtuiging is de „nieuwe" mensch volgeling van Jezus. Het goede is onze ware natuur; het goede is ons „Zelf", waaruit te leven ons geluk brengt. Daarbij moeten we buiten loon en straf kunnen. Dit geloof in eigen scheppende kracht moet onze sterkte zijn.
Vroeger kon iets waar zijn voor het denken, en tegelijk onwaar voor het geloof. Logica en geloof hadden ieder z'n eigen gebied. Maar wij, moderne menschen, kunnen niet meer als godsdienst aannemen, wat voor ons verstand onaannemelijk is. Daarbij is het onze ziel, ons innerlijk-zijn, hetwelk ons een zekere waarheid brengt aangaande zin en beteekenis van menschenleven en kosmos en in het innerlijk des menschen rijst ook een zekere geloofsovertuiging aangaande Gods „bestaan". En deze innerlijk „wordende" waarheid formuleert het denkend verstand nader in verstandelijke begrippen. Niemand kan buiten een zekere innerlijke overtuiging aangaande wat men gemeenlijk „God" noemt. Martelende vragen pijnigen ook den mensch die zegt geen godsdienst te hebben en niet eer keert de rust, voordat we een antwoord hebben gevonden, dat voor ons een „waarheid" wordt. Er zijn tijden, dat de menschheid voorbij gaat aan de godsdienstige waarheden. Somtijds is dit onverschilligheid. Maar oorzaak van die onverschilligheid is steeds dat de oude waarheden niet meer bevredigen. Blijvend is dit niet, want de stem der ziel verheft zich ten slotte en de „Geest in ons" schept een nieuwe overtuiging. En terwijl we weten, dat het historische, traditioneele Christendom, het Christendom van den Zoon Gods, daartoe ontoereikend is, omdat het gericht is op den hemel en op den dood, heeft de „nieuwe" mensch dus noodig het ideëele Christendom, het Christendom van den Heiligen Geest, dat oproept tot het Leven en de herschepping hier op aarde. Naar dien Geest zal de mensch willen leven, hij zal trachten te doen wat recht is. „Te doen den wil des Vaders", gelijk het evangelie getuigt van Jezus. En solidair met den Geest zullen we ons ook solidair voelen met onzen medemensch. Nog zijn volkeren en rassen elkanders vijanden en is in één en hetzelfde volk verdeeling in klassen en standen. De broederschap der menschheid is een ijdel woord en de menschelijke gelijkheid is verre te zoeken. Zoolang de mensch moet leven in een kapitalistische wereldorde, gefundeerd op egoïsme, is de volkomen solidariteit met onzen mede-mensch onmogelijk. Wie als de „nieuwe" — moderne — mensch voelt, kan niet anders dan het maatschappelijk stelsel bestrijden. Hij moet revolutionair gezind zijn en is hierin opnieuw een volgeling van dien profeet, die om zijn opstandigheid gekruisigd werd.
Naast de solidariteitsgedachte: de broederschap, staat de tweede godsdienstige kracht: het offer.
In het historisch, traditioneele Christendom staat het offer in het middelpunt. Jezus Christus heeft zijn leven geofferd tot verzoening van de zonden der menschheid. In het ideëele Christendom heeft niet „één te sterven voor allen", maar hebben wij allen te sterven voor elkander; hebben wij allen ons leven af te staan, opdat allen behouden worden. Hierbij zullen we ervaren, dat wat de mensch als geestes-wezen wil als natuur-wezen niet wil. Als geestes-wezen kent hij den eisch van het offer, maar als natuur-wezen verwerpt hij het uit het instinct van egoïsme en zelfhandhaving en hij vecht in den bestaansstrijd met zijn naaste op leven en dood. 't Zijn onvolkomen offers die wij brengen. Maar langs den weg der onvolkomen offers wordt de wereld vernieuwd, al is de weg lang en de worsteling moeilijk. Daarbij zal het ons alleen gelukken door godsdienstige bezieling. De wereld moet een ander maatschappelijk aanzien krijgen, ja — maar allereerst moet het geestelijk fundament worden herzien. Zonder ander fundament is alle bouwen hopeloos. Het ideëele Christendom zal dit fundament zijn. De „nieuwe" mensch in zedelijk-idealisme zal op dit fundament bouwen. Zal de Kerk zich naar dat nieuwe reformeeren; zal zij het passief Oostersch karakter los laten en actief Westersch worden? Niemand wenscht vuriger verandering als juist de „nieuwe" mensch, die nu zoo menigmaal buiten de Kerken blijft. In de komende tijden zullen de Kerken moeten kiezen tusschen verleden en toekomst, dood of leven. De „nieuwe" mensch hoopt op een herboren Christelijke Kerk, wier prediking de nooden zijner ziel zal kunnen verlichten. Want als van ouds zal de mensch tot de Kerk komen om innerlijke verrijking van haar te ontvangen, wanneer in haar niet eer gehoord wordt de grafstem van het verleden, maar het profeten-woord der toeomst".
De pantheïst-modernist-socialist ds. Theesing rekent zich natuurlijk óók tot de profeten der toekomst, waarom hij zijn profeten-woord doet hooren tegenover de grafstem der Kerk!
(Slot volgt).
Leer en leven.
Wat moeten we hebben: de ware leer? of: het ware leven?
Wat is 't voornaamste: de ware leer? of: het ware leven?
Wat komt eerst, en kunnen we desnoods één van tweeën missen?
Laten we zulke vragen niet doen, maar laten we eenvoudig zeggen en blijven zeggen, wat ieder eigenlijk weet: dat er tusschen de ware leer en het ware leven een innig verband bestaat, omdat God den oprechten ook in dien zin 't licht laat opgaan, dat zij waarheid en dwaling leeren onderscheiden naar Zijn Woord.
Zoo moet het samengaan: het ware leven met de ware leer — en de ware leer met het ware leven.
Daar mogen we wel aan denken.
Want er is soms een zweren bij de ware leer, terwijl ons leven dan volstrekt niet voor God is, zooals het zijn moet, n.l. Hem te kennen in Jezus Christus als onzen God en Vader. Want het ware leven is het leven van een kind van God, dat door genade weten mag, niet meer voor eigen rekening te staan, maar het eigendom te zijn van Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed dan verzoening heeft gedaan voor onze zonden, ons uit alle geweld des duivels verlost heeft en ons door den H. Geest gewillig maakt Gode in gehoorzaamheid te leven in den weg van goede werken.
Wij maken ons zoo dikwijls bezorgd, of we wel zuiver in de leer zijn. En de een voelt zich nóg zuiverder soms dan de ander is. Tal van bewijzen worden dan aangevoerd, dat het onze toch maar beter is dan dat van den ander!
Maar hoe staat het dan met het leven, met het ware leven, met het leven uit God, met het eeuwige leven, in den verzoenden staat met den Heere?
„Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is", zei de Heiland van Nathanaël. Oprecht en vroom. God vreezende en wijkende van alle kwaad — getuigde de Heere van Job. En als dat leven gekend mag worden, dan geeft de Heere ook door Zijn Geest onderwijs in de stukken der waarheid en wekt Hij liefde in het hart voor de ware leer. Dan wordt Gods Woord ons dierbaar. Dan worden we gezet tot onderzoek van de Schriften, omdat we voelen dat daarin het eeuwige leven is geopenbaard, Sion tot zaligheid.
Zoo gaat de ware leer met het ware leven hand aan hand, als 't goed is.
Maar met de ware leer en een onbekeerd hart gaan we verloren; gelijk het bekeerde hart zich verheugt in de ware leer, daarin Gods gangen naspeurend, Gods wegen bewonderend, Gods daden prijzend, Gods deugden roemend, met vreugde en zaligheid.
Wat niet bij elkaar hoort moet uit elkaar gaan.
Uit een Toespraak van dr. Hoedemaker tot moderne ambtsbroeders nemen we gaarne een gedeelte over, zooals we dat vinden in G. D. Noordijk: Een Onbegrepen Denker, bladz. 38—39.
Daar zegt dr. Hoedemaker — 't is bij zijn intree te Amsterdam 1876 — tot zijn moderne ambtsbroeders: „Ambtsbroeders, die van mij verschilt in hetgeen ik een hoofdzaak moet noemen. Gij eischt vrijheid — ik wensch die ook, voor u en voor mij. Maar beiden hebben wij thans één lijden: wij zijn niet vrij; gij niet en wij niet. En we worden het ook nooit in onze Kerk, tenzij wij elkander wettelijk of zedelijk in die Kerk hebben vernietigd. Uw beginsel is in zijn wezen even onverdraagzaam als het onze. Of als ge verdraagzaam zijt, dan zijt ge verdraagzaam zooals de Amerikaansche Unie dat is, die hare dekens en wapens geeft aan de Indianen, opdat de laatste der Zwartvoeten, gelijk vroeger reeds de Mohicanen, op de graven der voorouders zullen wegkwijnen.
Die verdraagzaamheid met hope op ons wegsterven begeerden we niet; die verdraagzaamheid beleedigt ons, laat ons geen recht wedervaren.
Ook wij zijn kinderen van onzen tijd, ook wij hebben gedronken uit dezelfde bronnen waaraan gij uwen dorst hebt gelescht. Er is geen geheimleer voor u, die voor ons ontoegankelijk bleef. Ook wij hebben gezocht en getwijfeld. Met beslistheid, bij het volle licht door de wetenschap van onzen tijd ontstoken, kozen wij voor den Christus naar de H. Schrift.
En nu wilt gij vrij zijn? Wij ook.
Zijn wij vrij? Ja — zooals de gevangene in zijn cel, om te bestaan, om te zijn, maar niet om te arbeiden, om zich te ontwikkelen, om de taak te vervullen waartoe de maatschappij ons thans roept. Wij belemmeren, neutraliseeren elkander en — intusschen gaat de maatschappij voor onze oogen verloren.
Laat ons uiteengaan. Die ongelukkige eenheidsidee is het, die ons verhindert onze roeping, u om de uwe te volbrengen.
Gelijk het Koninkrijk Gods zich in de Kerken splitst, zoo verdeelt zich de Kerk in Kerkgenootschappen. Indien we dat erkennen, is er hoop voor ons beiden. In uw organisme zijt gij krachtig, wij in het onze. Gij kunt ons verlaten, zonder uw beginsel te kort te doen. Doet men den nieuwen wijn in oude ledenen zakken?
Wij kunnen de Hervormde Kerk niet verlaten, want met haar geven wij de historie prijs en dat doen wij in eeuwigheid niet!
Maar ook die Kerk kan zich oplossen, al blijft zij bestaan. Een bolle broods en een flesch water - laat de vergelijking u niet ergeren, alleen om het derde in de vergelijking is het ons te doen - hebben wij gaarne voor u over.
En straks als het in den edelen wedstrijd, volgens de wetten eener normale ontwikkeling, mocht blijken, dat wij niet in staat waren geweest onze roeping te vervullen, dan zult gij niet alleen uwe, maar ook onze steden beërven, zooals de halve maan van Ismaël thans boven en tusschen de ruïnes van Izaaks tempel gezien wordt".
Dr. Hoedemaker was dus van gevoelen, dat het veel eerlijker en veel beter was, wanneer modernen afzonderlijk zich organiseeren en niet samenwonen met hen, die den Christus naar de Heilige Schrift gelooven, belijden en prediken.
Bij elkaar wonend in één huis, kunnen we niet anders dan elkaar hinderen, elkaar tegenwerken, elkaar neutraliseeren, altijd hopend dat één intusschen zal bezwijken en dood of lamgeslagen zal neervallen, terwijl geen van beiden z'n roeping kan vervullen en de maatschappij voor ons beider oogen verloren gaat.
En waar de orthodoxen, staande op den bodem der belijdenis, de Hervormde Kerk niet mogen en niet willen en niet zullen verlaten, zou 't het beste zijn, dat de modernen, die in geest en hoofdzaak van de belijdenis en van de geschiedenis der Kerk verschillen, heengingen.
Ze kunnen dan zelf toonen wie ze zijn en wat ze vermogen te doen met eigen beginsel.
Kerk en Staat.
„De verhouding van Kerk en Staat" schrijft „D e S t a n d a a r d", 16 Juli j.l. „de verhouding van de Staatsmacht tot de geestelijke vrijheid, is het geweldigst probleem, dat de historie kent. Het heeft de eeuwen door een geestelijke worsteling gevraagd van geleerden en staatslieden, zooals geen ander probleem dit eischte. Het heeft een botsing van macht tegen macht doen zien, die het leven in groote spanning hield en het bloed heeft doen stroomen op schavot en slagveld.
Nooit werd het denken en peinzen van den menschelijken geest meer gespannen, dan om de oplossing van dit probleem te vinden, nimmer staatsmanskunst en politieke energie meer in beslag genomen, dan om een antwoord te geven op de brandende vragen, die het telkens weer bood; nergens legde berekening van beneden het meer af tegen geloofskracht van boven, en werd wreede onderdrukking door stoffelijke macht krachtiger weerstaan door de geestkracht, die alleen geloofsmoed kan schenken.
Heel de historie wordt, sedert de intrede van de Christelijke Kerk in het volle wereldleven, er door beheerscht, en geen onderdrukking of wegcijfering kan dit probleem wegnemen. Ook de poging van de staatsmacht in onze dagen, om de Kerk van het publieke erf af te dringen, brengt geen verandering in dit groote feit, dat de politiek blijft beheerschen.
Dit kan ook niet anders, omdat God deze twee machten heeft besteld tot keering der zonde en handhaving van het leven, en, handhaaft Hij in Zijn algemeene genade het Staatsleven, van Zijne Kerk wordt gezegd, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Gods ordinantie laat zich niet ter zijde zetten, noch door een Staatsmacht, die de Kerk aan zich wil onderwerpen, noch ook door de Kerk, als zij verder grijpt dan haar eigen terrein.
Wint de Kerk het in dezen strijd van den Staat, en wil zij haar macht over hem doen zegevieren, dan komt, als met onweerstaanbare kracht, die Staatsmacht toch weer naar boven en bij de overwinning tracht zij de rollen te doen keeren.
Maar grijpt de Staatsmacht de rechten der Kerk aan, of waagt zij het, zooals in onzen tijd, haar te negeeren of te vernietigen, dan blijkt het bloed der martelaren het zaad der Kerk te zijn, keert de verslagene in hooger glans op het terrein der worsteling terug, en vraagt zij de plaats, die haar toekomt, en soms zelfs meer.
Deze twee machten moeten er zijn; naar de ordinantie Gods behooren zij als ineengestrengeld, niet gescheiden en toch scherp onderscheiden, naast elkander in vrede te leven, en naarmate dit beter gelukt in een trouw luisteren naan Gods wil, zal er stoffelijk en geestelijk welvaren zijn op deze aarde.
Dit is een ideaal, dat ons niet mag loslaten. Dr. Kuyper schreef in „Ons Program", dat een volstrekt samenvallen van de kerkelijke en van de politieke eenheid, het hoogste ideaal steeds is geweest, en ook nu voor ons blijft. Dit toch belijdt elk Christen, èn in zijn belijdenis van de priesterlijke en koninklijke ambten van den Christus, èn in zijn verwachting van het Koninkrijk dat komt. Maar wij weten, dat zulke eenheid in deze bedeeling der zonde niet is te verwachten. Wie er thans naar streeft, schaadt Kerk en Staat beide evenzeer.
Het probleem blijft tot den jongsten dag, maar in de samenwerking van den Christelijken Staat en de Christelijke Kerk, met handhaving van beider rechten, moet getracht een toestand te verkrijgen, die zoo dicht mogelijk blijft bij den wil van Hem, Die den volkeren in Zijn Woord en in de gangen der historie daartoe een rijk onderwijs geeft.
In onzen tijd heeft de Staatsmacht de Kerk van haar voetstuk trachten te stooten, en haar tolerantie komt menigmaal voort uit de meening, dat zij de Kerk nu wel kan negeeren.
Hoe weinig dit gelukt, kan blijken uit het voorbeeld, dat het bolsjewistisch Rusland ons biedt. Daar ging de Staatsmacht in de onderdrukking en zelfs in de poging tot algeheele vernietiging van de Kerk het verst. De Christelijke Kerk wordt door de revolutie op zij gezet en 't ongeloof wordt godsdienst van den Staat.
Maar — op een vergadering in Moskou mocht de communistische Minister van Onderwijs den triumf van den Staat bezingen, en spotten met den godsdienst, die immers onzin was gebleken, een jong priester trad, naar gemeld werd, naar voren, en vroeg het woord. Gij krijgt slechts enkele minuten, spotte de Minister. Eén minuut is voldoende, antwoordde de jeugdige geloofsheld, en, op het podium staande, liep hij de vergadering den Paaschgroet toe: Christus is waarlijk opgestaan! en heel de vergadering stond op, en zeide: Amen. Voor den bolsjewist blijft de Kerk 't groot gevaar, en het is opmerkelijk, dat in bedrijven, geheel naar communistisch inzicht geregeld, en waar men zou meenen een aan het Sovjetbewind geheel toegewijde arbeidersbevolking te zien, thans de arbeiders vrijwillig en met liefde gelden bijeenbrengen om kerken te bouwen.
Dit is een treffend teeken van de waarheid, waarop wij wezen.
In Rusland beheerschte de Staat de Kerk en hield haar in slavernij. Toen werd de „scheiding" geproclameerd en de toeleg gewaagd de Kerk te vernietigen, maar zie, zij keert in onbedwongen vrijheid terug, en herwint iets van de oude kracht. Ja, als de Russische Staat weer zijn oude beteekenis in de rij der natiën terug zal winnen, dan zal de in vrijheid herstelde Kerk dit moeten doen.
Het probleem blijft. Als de Kerk de ordinantie Gods overtreedt, en den Staat aan zich wil onderwerpen, dan keert de Staatsmacht vroeger of later tot haar rechten terug. Gaat deze in haar oppervlakkig denken, en verleid door het besef van haar overmacht, de Kerk onderdrukken, dan blijkt haar, dat deze Kerk een Koning in den hemel heeft, Die sterker is dan zij.
Het probleem, dat tot den strijd voert vloeit hieruit voort dat we in Overheid en Kerk te doen hebben met twee machten die elk uit eigen wortel opkomen, zonder dat er op aarde een macht aanwezig is dig de onderlinge verhouding regelt, en die als een der beide machten usurpator durft zijn, dien usurpator terugdringt.
Als wij zeggen, dat er op aarde zulk een hoogere macht niet is, dan bedoelen wij daarmede niet te zeggen, dat die macht niet bestaat, maar dat zij er niet is in aardsche, menschelijke vormen. Die hoogere macht is er. Want Overheid en Kerk zijn beide ingesteld door den Heere onzen God, en omdat zij beide Zijne scheppingen zijn heeft Hij ook aan beide haar plaats en bestemming gewezen en voor beide Zijn ordinantiën ingesteld, de ordinantie ook voor de verhouding, waarin beide machten zullen leven. Er is Eén, Die voor alles Zijn ordinantiën geeft, Eén, aan Wien de beide machten verantwoordelijk zijn, en Die te Zijner tijd in den jongsten dag vonnis zal vellen over alle ongerechtigheid en dwaling.
Ook kan gezegd, dat Hij het is. Die door Zijn providentieele leiding in den loop der historie Zijnen zegen geeft en onthoudt, naar gelang Staat en Kerk in Zijne paden wandelen.
Hier op aarde en in deze bedeeling hebben wij voor het probleem van de samenleving van Kerk en Staat de ordinantiën Gods na te speuren, en daartoe gaf Hij Zijn Woord en Zijn leiding in de wereldhistorie.
Nauwlettend moeten dus beide bronnen worden bestudeerd, waarbij ook de historie moet bezien in het licht van de Schrift. Elke poging, om ook voor onzen tijd die historie te doen spreken, moet derhalve dankbaar aanvaard.
En het is daarom, dat wij met zoo groote belangstelling en waardeering hebben ontvangen de studie, door dr. De Visser gegeven in zijn groote werk „Kerk en Staat", waarvan thans het derde en laatste deel verscheen. In dit werk spreekt voornamelijk de historie, al heeft de schrijver in een slothoofdstuk willen doen uitkomen, hoe hij zich de meest gewenschte oplossing van het vraagstuk denkt.
Wij zouden gaarne gezien hebben, dat dit gedeelte van practischen aard breeder ware uitgevallen, meer naar den opzet van dr. Kuyper's breede en diepgaande studiën over dit onderwerp, inzonderheid in zijn „Gemeene gratie". Zulke behandeling zoude wel iets geweest zijn voor den theoloog en den staatsman, die in dr. De Visser vereenigd zijn.
Dr. De Visser is geen Calvinist, en hij deed wel uitkomen, dat hij zich in dr. Kuyper's beschouwing van het probleem niet geheel kan vinden. Het wil ons voorkomen, dat een behandeling van deze beschouwing, getoetst aan de historie, een zeer belangrijk deel van het werk zou hebben uitgemaakt, waarvoor wij enkele zeer breede uiteenzettingen omtrent den gang van zaken in de vorige eeuw wel hadden willen missen.
Maar, hoezeer hierin voor ons eenige teleurstelling lag na de toezegging die werd gedaan, wij bedoelen met deze opmerking geen critiek te geven. Wij constateeren aanstonds, dat dr. De Visser aan het Calvinisme in de historie alle recht laat wedervaren, en dat zijn objectiviteit moet worden geroemd. Dit geldt den historicus.
Den schrijver brengen wij gaarne onze hulde voor het feit, dat hij den overstelpenden rijkdom van bouwstoffen steeds zoodanig wist te beheerschen, dat zijn werk een trotsch bouwwerk werd, met eenheid van structuur, opgetrokken in soberen, maar fraaien stijl.
Zoo werpt zijn historisch overzicht, dat eenig in onze litteratuur is, en waarvan wij in den loop onzer beschouwingen een dankbaar gebruik hopen te maken, een helder licht op de vragen, die op kerkelijk en politiek terrein door vele Christenen niet anders nog dan in een nevel van misverstand en dwaling gezien worden".
Confessioneelen en Gereformeerden.
Ons werd een No. van Het Nieuws toegezonden, een blad voor Schoonhoven en omstreken, waarin is afgedrukt een circulaire, welke is opgesteld en verspreid door het bestuur der „Minderheidsgroep". In die circulaire wordt gehandeld over de „kerkelijke kwestie" te Schoonhoven. We lezen daar: „Wat we vreesden is gebeurd; wat we door gepaste middelen hebben willen voorkomen, is een feit geworden: nu ds. Gunning l.l. Zondag zijn „intree" heeft gedaan, is de tweede predikantsplaats ook door een Bondsdominee bezet. Dat betreuren we; niet om den persoon van ds. G., maar omdat nu voor onbepaalden tijd de gelegenheid voorbij is om recht te doen aan een zeer belangrijke groep in onze gemeente. Het spijt ons, dat Kiescollege en Kerkeraad geen gehoor hebben gegeven aan ons billijk verzoek, om in de plaats van ds. v.d. Spek weer een Confessioneel predikant te beroepen. We nemen dankbaar nota van wat de nieuwe predikant bij zijn eerste optreden durfde zeggen, n.l.: „De goed Confessioneelen en de gezond Gereformeerden hooren naar mijn meening bij elkaar". Dat hebben wij ook steeds beweerd; dat hebben ook duidelijk uitgesproken op de samenspreking met den Kerkeraad. We zijn ds. Gunning dankbaar, dat hij in 't openbaar voor zijn meening durfde uitkomen en we Twijfelen niet, of hij zal nu ook met „vrijmoedigen geest" den Kerkeraad en het Kiescollege er op wijzen, dat er geen enkele reden bestond om ons billijk verzoek „om des beginsels wil" te weigeren."
De rechte samenbinding kan pas komen, als onze partij haar predikantsplaats weer terug krijgt. Tot zoolang handhaven we ongezwakt onze aktie en blijven we onze veertiendaagsche samenkomsten houden. De saamhoorigheid wordt alleen verkregen als beide partijen elk hun predikant hebben enz."
Wij vinden heel deze redeneering van het Bestuur van de Confessioneele Vereeniging Schoonhoven heel erg naief. 't Is wel heel erg „de brave Hendrik" spelen. Want ja — in Schoonhoven zou men nu wel heel erg graag hebben gewild, dat de saamhoorigheid met de daad was bewezen, doordat het Kiescollege en de Kerkeraad, zelf gereformeerd zijnde, aan de Confessioneelen een dominee hadden gegeven. Maar — hoe zijn de Confessioneelen zelf?
Mogen we maar eens een paar gemeeten noemen?
Hoe zijn de Confessioneelen in Woerden; hoe zijn ze in Alfen; hoe zijn ze in Gouda; hoe zijn ze in Maassluis; hoe zijn ze ..... overal? Men moet den toonaangevenden mannen van het Kiescollege in Den Haag en in Amsterdam maar eens om een onderhoud vragen!
Weet men dat in Schoonhoven niet? En daarom moesten de Confessioneelen Schoonhoven — of althans de woordvoerders, of degenen die de pen hanteeren niet zoo naief doen en zoo opvallend "de brave Hendrik" spelen.
In Alfen hebben wij den tijd gekend, dat Kalkman daar stond. Wij gelooven niet dat het er slecht ging met de gemeente toen hij herder en leeraar was, in de periode van gereformeerd dominee zonder gezangen". En we maken ons sterk, dat, wanneer er weer een „gereformeerd dominee zonder gezangen" kwam, het er ook niet slecht zou gaan.
Ook gelooven we niet, dat Woerden's kerk er op achteruit zou gaan, wanneer de "goede Confessioneelen" bewezen, dat de gereformeerden en zij „bij elkaar hooren." Ook hebben we de idee, dat Gouda er wel bij varen zou, indien er een geref. predikant was; ook Maassluis ; en als ze in Amsterdam naast het leger van goede Confessionele dominees ook nog eens een tweeden of derden Geref. dominee gingen beroepen, zou het geen „ramp" voor de gemeente zijn; zou het in Den Haag en in Scheveningen enz. enz. geen kwaad kunnen.
De Confessioneelen in Schoonhoven zouden— we zijn er van overtuigd — er zeker niet over gesticht zijn, wanneer de Gerefomeerden b.v. in Woerden des Zondags, wanneer de gemeente wettig vergaderd is onder leiding van de ambten door Christus insteld, tegen-godsdienstoefeningen gingen organiseeren. 't Zou als „goddeloos gedoe" worden veroordeeld en er zou week aan week over geschreven worden. Zooals men schandelijk schrijft in de couranten over de gereformeerden in Alfen, die daar gaarne een gereformeerd predikant zou beroepen zien naast ds. Veldhoen.
Wat schieten we nu op, wanneer we zoo, alleen als 't in ons eigen voordeel is, lief schrijven over saamhoorigheid enz.?
Laten we het liever anders gaan doen! En dan willen wij wel zeggen, dat er heel wat Confessioneelen zijn waarmee we in 't minst niet kunnen opschieten, als ze eenparig en heftig altijd hun stokpaardje berijden, meer links dan rechts georiënteerd dikwijls.
Er liggen ook inderdaad vele, belangrijke verschilpunten. Maar er is óók zooveel waarin de „goede "Confessioneelen en de gezonde Gerefomeerden" weten en voelen moeten, dat ze bij elkaar hooren; vooral ook, omdat de tegenpartijen groeien, als aan de overzijde verdeeldheid heerscht.
Er zijn nu eenmaal nuanceeringen en variatiën onder geestverwanten. De een ziet dit en de ander ziet dat als het voornaamste, hoewel ze beiden dan in den grond der zaak hetzelfde bedoelen. Ook ziet men dezelfde zaak wel eens heel verschillend, terwijl toch dezelfde zaak als ondergrond geldt. En dan juist moet men voorzichtig zijn elkander niet al te scherp te veroordeelen en niet al te hartstochtelijk te bestrijden. Men kan toch wel principieel zijn, al behandelt men elkaar niet als vijanden.
Hoe droef blijft de herinnering niet van hetgeen tusschen Luther en Zwingli is voorgevallen. Elkander zelfs niet willen erkennen als broeders in Christus! Elkander zelfs niet de hand willen geven! Fel en vierkant kwamen ze tegenover elkaar te staan en gelijk vijanden gingen ze uit elkander.
Is het niet droevig? Waarbij Luther zeer zeker de hoofdschuldige was. Neen — Barnabassen en Paulussen, Luthers en Zwingli's moeten niet met elkaar twisten. Eén Heere, één geloof, één doop En daarom is dat houden van tegen-godsdienstoefeningen in Schoonhoven vast niet in orde. En die dominees, die er mee de hand in hebben zijn vast geen „goede Confessioneelen." Laat men er daarom zoo spoedig mogelijk mee ophouden; dat is zéér verre het beste; zooals vooraanstaande „goede Confessioneelen" dan ook reeds lang hebben gezegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's