MEDITATIE
Gods weg en onze weg
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg. 2 Cor. 12 vers 7—9a.
Hoe menigmaal, wanneer ik sta op den akker der dooden en het stoffelijk overschot van een, die henenging, zie neerzinken in de groeve der vertering, komt mij voor den geest het woord des Heeren, dat wij lezen in de profetieën van Jesaja: „Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten en uwe wegen zijn niet Mijne wegen".
Wat grijpt die dood wreed in onze toekomstplannen en werpt omver de luchtkasteelen, die wij in onze gedachten hadden opgetrokken.
Maar niet alleen het kerkhof, neen, heel het leven is één bevestiging van dat woord: Gods weg is anders dan de onze. Hoe vaak komt het voor, dat wij willen klimmen en God wil, dat wij dalen. Wij willen vooruit en de Heere zegt: „Tot hiertoe en niet verder". Wij willen gezond zijn en van het volle leven genieten, maar een onzichtbare hand werpt ons neer op het ziekbed. Wij willen onze kinderen zien opwassen tot flinke mannen en vrouwen in de maatschappij, maar de God van leven en van dood ontrukt ze aan het ouderhart.
Zoo wordt telkens weer bewaarheid het woord: Gods weg anders dan onze weg. En als we nu niet verder komen, dan trekt somberheid over onze ziel.
Hier is slechts één lichtpunt en dat wordt ons gewezen in het profetisch woord, dat volgt: „Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen en Mijne gedachten dan ulieder gedachten".
Dus: Gods weg niet alleen anders, maar ook hooger en dus beter. Wie dat werkelijk gelooven mag, die verstaat het woord van den psalmist:
Zijn doen is enkel Majesteit,
Aanbiddelijke heerlijkheid
En Zijn gerechtigheid onendig.
Deze gedachte geeft waren troost, doet in de diepste wegen opzien naar boven en legt het lied van den dichter in het hart en op de lippen:
In de grootste smarten,
Blijven onze harten
In den Heer' gerust.
'k Zal Hem nooit vergeten
Hem mijn Helper heeten
Al mijn hoop en lust.
Gods weg anders, maar Gods weg ook hooger dan de onze, dat leert ons eveneens het woord, dat de apostel Paulus neerschreef in zijn tweeden zendbrief aan de gemeente van Corinthe, waarin hij ons verhaalt van zijn bange zieleworsteling.
Hij begint met te zeggen: „En opdat ik „mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen". Welke die openbaringen geweest zijn, verhaalt hij ons in het voorafgaande. Hij had groote en heerlijke dingen beleefd. In den geest was hij welke het een mensch niet geoorloofd is te spreken. Maar, gaf de Heere hem aan den eenen kant veel te genieten, aan den anderen kant moest hij ook een zwaar kruis dragen. En op dat laatste doelt hij, als hij zegt, dat de Heere hem gegeven had een scherpen doorn in 't vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou.
Wat Paulus hiermede bedoelt? Er is niemand, die het weet. Bij de verklaring van deze woorden vinden we de oude spreuk bewaarheid: Zooveel hoofden, zooveel zinnen. Laat dit ons genoeg zijn: De Heilige Geest heeft het ons niet geopenbaard. En gelukkig maar. Want de Heere geeft gemeenlijk aan ieder van Zijn kinderen zijn eigen doorn. Bij den een is het: een zwak lichaam. Bij den ander: zorg voor de vervulling van stoffelijke nooden. Bij een derde: een zoon of een dochter, die een doorn in het vleesch zijn. En wie kan uit eigen levenservaring de voorbeelden niet vermenigvuldigen? Immers: Ieder huis heeft zijn kruis. En inzonderheid in het leven dergenen, die den Heere vreezen, wordt het woord bewaarheid:
Veel wederwaardigheên,
Veel rampen zijn des vromen lot.
Maar wat een voorrecht, wanneer we dan met Paulus verder mogen zien dan die rampen en tegenheên, verder dan dien doorn in het vleesch en de bedoeling verstaan van dien God, Die alleen wijs is en goed en Die weet wat Zijn volk noodig heeft.
Daarover spreekt de Apostel aan het begin van vers 9 met deze woorden: „En „opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen" en hij herhaalt het nog weer in 't kort aan het einde van datzelfde vers: „Opdat ik mij niet zou verheffen".
Hij verstond de leiding van zijn hemelschen Vader. Hij wist het: 't was noodig voor hem. Hij kende het gevaar, van niet zijn God, maar zichzelven groot te maken, 't Gevaar, waar de Heere hem zulke groote en rijke openbaringen had geschonken, dat hij er mee zou eindigen in het vleesch en niet in den geest. Niet, dat hij dat dadelijk zag, dat zij verre. Dat leerde hij pas, toen hij in Gods heiligdom was ingegaan.
Paulus had niet aanstonds vrede met zijn doorn in het vleesch. Hij wilde dien doorn kwijt. Hij kwam er mede in het gebed. Hij boog zijn knieën. Tot driemalen toe stortte hij zijn ziel uit voor Hem, Die harten kent en nieren proeft. O, die doorn, die doorn. Die engel des Satans, die hem met vuisten sloeg. Zijn ziel zuchtte er onder en smachtte om er van verlost te worden. Lezer, val er den apostel toch niet hard over. Daar is genade voor noodig om vrede te hebben met ons kruis. Er gaat zoo menig bange zieleworsteling aan vooraf, voordat wij geleerd hebben stille te zijn.
Och, er wordt zoo vaak lichtvaardig gesproken over het kussen van de roede, waarmede God slaat, en eenswillend te zijn met den Heere, maar het moet er maar eens op aankomen. Dan wordt het ervaren, dat onze natuur altijd anders wil dan God wil. En daarom is het zoo'n voorrecht dat er Eén geweest is, die in waarheid en oprechtheid gebeden heeft: „Niet gelijk Ik wil, „maar gelijk Gij wilt", en die volkomen eenswillend was met den Vader. Welk een genade, als wij in dien Eénen gevonden mogen worden. Dan is 't goed, maar dan ook alleen. Paulus bad tot driemaal toe om wegneming van dien doorn in zijn vleesch, en toen kwam 't antwoord. Weliswaar gansch anders dan de apostel gedacht of gehoopt had, maar dan toch een antwoord.
Allereerst opende de Heere zijn geestesoog voor de bedoeling van dien doorn in het vleesch en voor de noodzakelijkheid er van. Hij zelf verhaalt het ons: „Opdat ik „mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen". Dat gevaar was ook voor Paulus niet denkbeeldig. Ach, ons hart, dat booze hart, dat hart, dat altoos anders wil dan God wil, is zoo geneigd om zichzelf te verheerlijken en zichzelf groot te maken. En de Heere heeft gezegd: „Dit „volk heb Ik Mij geformeerd. Zij zullen „Mijn lof vertellen". Hij heeft het al gemaakt om Zijns Zelfs wil. God is jaloersch op Zijn eer. En daarom, opdat die eer Hem niet zou ontroofd worden, opdat Paulus, door de openbaringen, hem geschonken, niet zichzelf zou groot maken, maar zijn God alleen, daarom die doorn in zijn vleesch, die niet weggenomen werd, ook niet op zijn driemaal herhaald gebed, en die Satans engel, die hem met vuisten bleef slaan.
„Opdat ik mij niet zou verheffen". Lezer, is dat misschien ook Gods bedoeling met den doorn in het vleesch, dien Hij u geeft? Wat zoudt ge misschien zijn zonder dien doorn? Hebt ook gij met Paulus Gods heilige en diepe bedoeling al leeren verstaan, wanneer Hij u leidt in donkere wegen en Zijn slaande hand u treft? Op dat oogenblik, toen de apostel het neerschreef in zijn brief aan de gemeente van Corinthe: „En „opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen", toen verstond hij het woord des Heeren: „Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uw wegen. Toen zag hij het: Gods weg niet alleen anders dan de onze, maar ook hooger en dus beter.
Lezer, verstaat gij dat ook al van uw doorn in het vleesch? Zijt gij er in het diepst van uw ziel van overtuigd, dat God er Zijn goede en wijze bedoelingen mee heeft, als Hij u uw doorn in het vleesch laat? Heeft die doorn, hebben die slagen u al gebracht in uw binnenkamer, om daar een tip te zien opgeheven van dien sluier, die Gods heilgeheimen voor u bedekt houdt?
Wij lezen nergens, dat Paulus weer gebeden heeft om wegname van dien doorn. Wij mogen daaruit opmaken, dat de Heere hem vrede gaf met den weg, waarin Hij hem leidde, ook al was het een weg, die tegen vleesch en bloed inging. En daarenboven, al gaf God hem niet datgene, wat hij vroeg. Hij gaf hem wel wat anders. Immers, de Heere gaf hem een antwoord met deze woorden: „Mijne genade is u „genoeg".
Genoeg. Dat enkele woord, dat hier staat in al zijn eenvoud, wat wil het toch eigenlijk zeggen? Wel, het beteekent dit, dat Paulus niet meer te vragen heeft. Daar is een vrede in zijn ziel gedaald, die alle verstand te boven gaat. Hij is voldaan, ook met den doorn in het vleesch, ook met de slaande vuisten van den Satansengel.
Lezer, wat is dat groot, als Gods genade triumpheert over ons hart; als die genade daar den boventoon voert. Genade, die rijk is, die vrij is en algenoegzaam. Gelukkig de ziel, die het ervaren mag in donkere dagen, in wegen van druk en tegenspoed, als de doornen steken en de slagen pijn doen: Er is bij alle wonden, die schrijnen, een balsem, die heelt, namelijk: Gods genade; genade, in al haar volheid geopenbaard in den Zoon Zijner eeuwige liefde.
En die genade blijft. De doornen worden eenmaal weggenomen. Van de slaande vuisten van den engel des Satans wordt Gods kind straks verlost. Maar wie het hier, aan dezen kant van het graf, heeft mogen ervaren: „Mijne genade is u genoeg", die zal straks tot in eeuwigheid met alle gezaligden zingen van diezelfde genade, zeggende:
Geloofd zij God, die Zijn genade Aan mij heeft groot gemaakt.
B. v. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's