GEESTELIJKE OPBOUW
De sprake Gods in de natuur.
Daar is een oud boek, waarin vooral jonge menschen veel moeten lezen, opdat ze heel hun leven door er profijt van mogen hebben, God lovende.
Dat eeuwen-oude boek is de natuur, waarvan onze Ned. Geloofsbelijdenis zegt, dat het een van de eerste middelen is, om er God door te leeren kennen; zijnde een schoon boek, waarin alle schepselen, groot en klein, gelijk als letteren zijn, die ons te aanschouwen geven de onzienlijke dingen Gods, n.l. Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid. (Art. 2).
Juist omdat de ongeloovige wereld in deze dagen veel in dat boek der natuur leest, alles op 't nauwkeurigst naspeurend, echter niet om God daarin te vinden, noch Hem groot te maken, heeft de Christenheid de hooge roeping er naar te staan, met verlichte oogen de groote werken Gods te zien en Hem te prijzen, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn en Wien toekomt de heerlijkheid in der eeuwigheid. (Rom. 11 vers 36).
Zeg niet, dat de christen het boek der natuur wel mag verwaarloozen. Want is de Heere, de Schepper en Onderhouder aller dingen, niet een jaloersch God, Die ook in deze dingen aan den mensch vraagt: waar is Mijn eere?
Daarom moet om Gods-wil het boek der natuur ijverig worden bestudeerd.
Maar óók hierom, dewijl de Heere door Zijne wondere werken in de natuur Zijn volk, en óók het opkomend geslacht, wil onderwijzen in de zaligende en troostende kennis der genade.
En zóó komt het, dat het vrome volk, dat de dingen wèl heeft leeren onderscheiden, met David, den dichter bij de gratie Gods, zoo gaarne vertoeft in het rijk der natuur, om dan den profeet Nehemia na te zeggen: „Gij zijt die Heere alleen; Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen en al hun heir, de aarde en al wat er op is". (Neh. 9 vers 6).
We hebben den naam van David, den jongeling vroom en dapper, maar te noemen, of we zien in gedachte voor ons den herder - dichter, die tusschen Bethlehems schoone heuvelen, in het veld, bij vee en bloem, bij beek en waterval, zoo gaarne een lied zong Gode ten eere. Bij 't woud met zingende vogels, bij de bergen vol malesteit, bij de woestijn vol verschrikking van loerende en verscheurende beesten — ja, overal beluisterde hij de sprake der natuur om er Gods deugden in af te lezen en Hem groot te maken met blijdschap of Hem aan te roepen in benauwdheid.
Hoe dikwijls heeft hij 's morgens de zon doen opgaan, blinkend licht werpend en schitterende kleuren malend, in stille kracht en statige pracht, als een bruidegom in feestkleed, vroolijk en moedig als een held, komende over Moabs heuvelen.
En niet zelden heeft hij 's a v o n d s met ontzetting gadegeslagen het onweer, dat opkwam uit de groote zee, als de bergen en rotsen opsprongen en vuur spuwden en het zóó ontzaglijk dreunde en donderde in de dalen en afgronden, alsof de aarde er onder zou bezwijken.
Wat David des morgens bij stillen en statigen zonsopgang in z'n binnenste overdacht heeft, is voor ons bewaard in Psalm 19 — waar hij, de dichter bij de gratie Gods, voor den opperzangmeester, en dus voor de gemeente des Heeren, zong:
De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
De eene dag vertelt er den ander van;
de eene nacht brengt het aan den ander over.
Geen spraak is het; geen woorden zijn het;
niemand verneemt een stem.
Toch gaat hun taal uit over de geheele aarde
en tot aan het einde snellen hun woorden voort.
Voor de zonne sloeg Hij een tent op,
en deez' treedt als een bruidegom uit zijn slaapkamer,
Verheugd als een held,
om zijn baan te loopen!
Van 's hemels end is zijn uitgang
en zijn kringloop is tot het einde daarvan;
niets is bedekt voor zijn gloed!
Dat is Davids morgenlied, als de zonneglans vol heerlijkheid hem omningt en zijn schapen grazen in de malsche weide of rustig drinken uit de stil vlietende stroomen. Maar dan wordt 't 'savonds anders!
Dat is ons bewaard in Psalm 29.
Dan is zijn lied:
Geeft den HEERE, gij engelen,
Geeft den HEERE glorie en zegtdat Hij
bekleed is met macht!
Geeft den HEERE den roem Zijns Naams;
Valt voor Hem te voet, getooid in heilig gewaad
De stem des HEEREN dreunt over de wateren, de God der eere dondert
De HEERE komt van over den grooten Oceaan!
Des HEEREN dreunen wordt machtiger
Des HEEREN rommelen wordt vreeselijker nog!
Des HEEREN stemt verbreekt de cederen.
Cederen Libanons versplintert Hij.
Hij doet den Libanon voor Hem opspringen als een kalf,
den berg Sirjon als 't jong van een woudos.
De stem des HEEREN zaait vlammende bliksems!
De stem des HEEREN doet de wildernis beven, Kades' woestijn beeft voor Hem.
Des HEEREN stem velt eiken in 't rond en ontbladert wouden.
Maar in Zijn tempel daar boven zegt alles: Glorie!
Wat is het een heerlijk voorrecht te mogen leven te midden van een mooie natuur, wanneer dan de zangen Gods opwellen uit ons harte, prijzende den almachtigen God !
In K a n a a n predikte alles. Let maar eens op uw Bijbel; en hoor dan hoe van alles een sprake Gods uitgaat: van de musch en van de zwaluw; van de schapen en het vee; van het koren op 't land en de rozen in Saron's dal; van den palm en van den ceder; niet 't minst van de hoogten der bergen! Wat is de sprake van al deze dingen schoon voor wie 't verstaat! Neem den palm, zooals wij, Westerlingen, dien vorst onder de boomen, dat kind der woestijn, eigenlijk niet kennen, maar waarvan de H. Schrift zulke heerlijke dingen vertelt.
Daar staat in 't warme Oosten de palm, wel in 't zand dikwijls, maar — dat is zijn voedsel niet! Hoe hoog en dik dat zand ook om zijn stam ligt, hij graaft zóó diep in den bodem, dat de zachte, fijne draden van zijn wortels in helder bronwater hangen. Zóó kan hij zijn hoofd dag aan dag steken in het vuur des hemels, terwijl hij zijn voeten in het water der aarde houdt. Langzaam groeien ze dan, die kinderen der woestijn, langzaam, maar gestadig, van kracht tot kracht voortgaande, om met de groote bladeren te bedekken de bloesem en de vruchten, óók vriendelijk toewuivend den reiziger die in de dorre vlakte er door wordt verkwikt, om, rustend onder de schaduw, te getuigen, dat Mara is geworden tot Elim, om moedig dan de reis voort te zetten.
Kaarsrecht groeit de palmboom, maar opdat hij niet te snel groeie, bezwaart de eigenaar hem met een dikken steen als een gewicht boven op zijn stam. Zóó groeit hij dan, onder den druk, om op z'n tijd groote trossen van gouden vruchten te dragen, waarvan honderden ponden worden geoogst van één boom.
Wat sprekende taal voor Gods volk, dat woont in het land van den palm, van den ceder, van den wijnstok, van den vijgeboom! Want is het gras en het kruid der aarde het beeld van den goddelooze, die in een oogenblik wordt tot verwoesting — van den rechtvaardige wordt gezegd, dat hij zal groeien als een palmboom. (Psalm 92 vers 13, 14).
In de stille eenzaamheid moet Gods kind dikwijls leven, te midden van zand, dat opstuift, te midden van hitte, die brandt — maar om dan de wortels des geloofs te mogen inslaan in Christus, den altijd spriingenden fontein van levend en frisch water, dat vloeit tot in eeuwigheid.
De groote Landman hier Boven legt daarbij niet zelden een zwaren druk op Zijne kinderen, als een last des levens in onderscheidene vormen, maar om dan te ervaren, dat alle dingen moeten medewerken ten goede, dengenen die den Heere vreezen en die aan Zijn genade genoeg hebben! Waarbij Gods kindenen in stille dankbaarheid vruchten des geloofs mogen dragen, overschaduwd door de bladeren van ootmoed, tegelijk den medereizigers naar de eeuwigheid tot hulp en sterkte zijnde.
In het Oosten, zoo weelderig-rijk en zoo van majesteit en heerlijkheid vol in het rijk der natuur, sprak alles tot den vrome en elke bladzijde van den H. Schrift is levert er ons bewijs voor, dat het goed is in het boek der natuur veel te lezen. Bizonder zijn het dan de bergen die hun stem verheffen en hun sprake doen hooren telkens weer.
Daar staan ze, die steengevaarten, met de reuzenwortelen, breed en diep ingeplant in de diepten der aarde, de sneeuwkruin, blank van majesteit, hóóg opheffend tot boven de wolken; en daar staan ze, onbeweeglijk eeuw in, eeuw uit.
Wie komt in het land der bergen niet diep onder den indruk? Wie wordt niet klein bij zulk een grootheid? Wie voelt z'n vergankelijkheid niet bij zoo'n onveranderlijke sterkte, die eeuwen en eeuwen verduurt?
Dan komt de sprake ons van alle kanten toe — en we hoonen Mozes, den man van de woestijn, den man uit het land der bergen, oud geworden zijnde en nabij den dood — we hooren hem in Ps. 90 zeggen:
Eer de bergen geboren waren en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij, o God!
Tusschen de bergen, als boodschappers der eeuwen en dragende de afschaduwing der eeuwigheid, mag hij vluchten tot den eeuwigen God en Hem noemen: Heere, een schuilplaats van geslacht tot geslacht. Hij mag er bij bepaald worden, dat de HEERE, Israels Bonds-God, trouwe houdt tot in eeuwigheid en nooit Iaat varen de werken Zijner handen.
De pelgrimsrieizigers naar Jeruzalem hooren weer andere taal komen uit der bergen mond.
Want als zij optrekken, in tijden van grooten druk, naar de tempelstad, dan wordt hun oog geboeid door de bergen, die rondom Jeruzalem liggen. En de lage stad wordt hun alles een veilige plek te midden van de steengevaarten, die als een muur rondom tot veiligheid van Sion staan — om daarin af te lezen déze geestelijke waarheid:
„Bergen zijn rondom Jeruzalem: Zóó is de Heere rondom Zijn volk van nu af tot in eeuwigheid!"
In dat verband wordt door den dichter van Psalm 125 nog iets anders gezien en gezegd. Want hij heeft niet alleen 't oog op de bergen rondom Jeruzalem — maar zijn oog gaat allereerst en allermeest naar den tempelberg binnen Jeruzalem, naar den berg Sion, en van dien heiligen berg getuigt hij dan:
Die op den HEBRE vertrouwen zijn als Sions berg, die niet wankelt.
Sions berg is voor den vromen Israëliet de plaats waar de Heere zich woning gemaakt heeft, om Zich te vergaderen Zijn volk en daar onder dat volk te wonen tot zaligheid en vree. Die heilige berg is het erfdeel des Heeren, door Hem verkoren uit gena.
En door het zien van dien Sions-berg, die daar onbeweeglijk staat en zijn wortelen diep in den schoot der aarde heeft geslagen, zoodat ondanks het schokken en 't schudden der aarde deze toch niet wankelt maar blijft staan — komt deze vertroostende waarheid in des dichters ziel: Die op den HEERE vertrouwen zijn als Sions berg, die niet wankelt, maar eeuwig vaststaat.
Verschillende waarheden strijden dan hier om den voorrang.
Eenerzijds spreken de bergen van de bewaring Gods. Wat de dichter in den rijmpsalm aldus heeft bezongen:
Gelijk 't gebergt, dat, hoog gerezen,
Om Salem ligt gespreid;
Zóó is in eeuwigheid den HEERE rondom hen, die Hem vreezen;
Rondom Zijn volk, 't welk Hij wil hoeden voor tegenspoeden.
Vandaar dat Gods volk alle tijden door heeft gezongen, verstaande de bemoedigende sprake der bergen:
'k Sla d' oogen naar 't gebergte heen,
Vanwaar ik dag en nacht
Des Hoogsten bijstand wacht.
Mijn hulp is van den HEER alleen.
Die hemel, zee en aarde
Eerst schiep en sinds bewaarde.
Hij is, al treft u 't felst verdriet
Uw Wachter, die uw voet
Voor wankelen behoedt;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
Geen kwaad zal u genaken;
De HEER zal u bewaken.
De berggevaarten wijzen de ziele dan op den eeuwigen God — en gelijk de bergen de stad beschermen en het land beveiligen, zóó is de Heere een rots en een sterkte, zóó is de Heere een veilige schuilplaats voor Zijn volk, dat op Hem mag hopen!
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1927
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's