De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

In liefelijke plaatsen

8 minuten leestijd

De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen. Psalm 16 vers 6 (gedeelte).

Dit psalmwoord herinnert aan een vaste gewoonte in Palestina. Daar is de bodem niet in het bezit van bepaalde personen, die den bouwgrond zelf bewerken of dien aan anderen voor een overeengekomen prijs verhuren. In Palestina zijn bijna overal de bewoners van een vlek of dorp de gezamenlijke eigenaars van het omliggende land; iets, dat bij hooge uitzondering in enkele plaatsen van ons vaderland gevonden wordt. Er zijn zelfs dorpen in het heilige land, waar de bevolking een oppervlakte van meer dan duizend hectaren te bebouwen heeft. Ieder jaar wordt hiervan een bepaald gedeelte van dat gemeenschappelijk bezit elken dorpsbewoner toegewezen. En die toewijzing geschiedt door het lot op een vergadering, welke voor dit doel wordt uitgeschreven. Het akkerveld heeft geen afscheiding in slooten of omheiningen, gelijk wij die kennen. Het is één ongedeeld stuk gronds. Is nu vastgesteld, welk deel ieder ontvangt, dan moet het nog uitgemeten worden. Die opmeting doet men met een snoer van een bepaalde lengte.
Wij kunnen ons wel voorstellen, met welk een spanning de Oosterlingen zich naar die samenkomst begeven. Wie ooit een publieke landverpachting bij ons meemaakte en de verhitte hoofden der drukke menschen bij die gelegenheid gezien heeft, kan zich wel indenken hoe het in Palestina dan toegaat. Onder ademlooze stilte wordt er het lot geworpen. En na het werpen van het lot wordt het meetsnoer uitgelegd en over het land getrokken, om ieders deel af te bakenen en aan te wijzen. 
Het maakt een groot verschil, welken grond men ter bebouwing ontvangt. Op de eene plaats is de bodem stug en hard en geeft hij bij veel arbeid in het zweet des aanschijns nog maar een schralen oogst. En op de andere plaats is men zoo goed als verzekerd van een goeden bouw!
De gesprekken loopen tegen, tijdens en na die toewijzing nergens anders over dan over de verdeeling des lands. Hieraan toch hangt veler bestaan voor langen tijd. Is de beslissing gevallen, dan klaagt de een, een ander moppert; slechts een enkele juicht. De meesten zijn ontevreden, omdat hun juist dat ontging, waarop was gehoopt.
In onzen weektekst echter hooren we een juichtoon. Hier is iemand aan het woord, die niet teleurgesteld is. Hij vertelt toch, dat hem de snoeren in liefelijke plaatsen gevallen zijn en dat hem een schoone erfenis geworden is. Wanneer iemand met een glinsterend aangezicht zoo spreekt, loopen ze van verschillende kanten toe en vormen een kring rondom hem om te hooren, welk deel van het akkerveld hem dan wel is te beurt gevallen.
En dit nu vertelt de dichter van den zestienden Psalm. Wilt ge weten, wat het deel zijner erve geworden is? Hoor hem zeggen, waarover hij zich met een onuitsprekelijke blijdschap verheugt! Hij zegt: „De Heere is het deel mijner erve".
Laten anderen juichen over vruchtbare akkers en over rijke oogsten; hij heeft iets anders, beters en hoogers. Hij heeft een rijkdom, waarbij elk ander bezit slechts schreiende armoede is. Zijn vreugde vindt haren oorsprong niet in velden met golvend graan, niet in rijke oogsten en in groote winsten, maar in den volzaligen God.
Er zijn er velen, die zich in overvloed baden, elk jaar meer overhouden dan anderen verdienen en die daarbij een goede gezondheid genieten. En toch zijn ze diep ongelukkig; te ongelukkiger omdat zij niet weten, hoe nameloos ongelukkig zij zijn.
Vreugde en God, — die twee behooren bij elkander, en niet vreugde en goed. De blijdschap der wereld gaat. Die heeft haren wortel in het vergankelijke. Die heeft haren oorsprong in volle kelders en goed gevulde schuren, in het prachtig gehoornd melkvee of in soliede fondsen en rijke bezittingen. Maar wat de Heere in Christus Jezus schenkt is een duurachtig goed, dat de dieven ze niet kunnen ontstelen en de roest en de mot niet vermogen te verteren. De blijdschap der wereld is maar voor een tijd. We kunnen ze wel hebben, maar niet houden. Haar blijdschap zal tot droefheid worden. Maar Gods kinderen mogen houden, wat hun in den Heere geschonken wordt.
Het goed der wereld is voor vermindering en vermeerdering vatbaar. In den Heere echter is geen meer of minder. Hij is het genoegzaam deel van al de Zijnen, omdat Hij de Algenoegzame is en zich als zoodanig doet kennen in Christus Jezus, Zijnen lieven Zoon. In bangen tijd dalen de koersen van alle fondsen op de wereldmarkt. Hoevele zijn reeds waardeloos geworden, welke een veilig bezit schenen.
In onzen tekst echter is iemand aan het woord, die een rijkdom heeft, waarvan de koersen stijgen, altijd stijgen, en nog het meest, wanneer die van al het wereldbezit niets doen dan zakken. Dien rijkdom bezitten zij niet in zichzelf, maar in den Heere. Van hen spreekt de Schrift als van dezulken, die niets hebben en toch alles bezitten. Zien zij op zichzelf, dan moeten ze een klaaglied zingen. Ontvangen zij echter oog en hart voor Christus en diens volkomen werk, dan spelen zij op de fluit en huppelen zij met David voor de ark. Des Heeren goedertierenheid is hun beter dan het leven.
De mensch heeft in het Paradijs niet Christus, maar zijn God verloren. Vandaar, dat de Heere, aan wien Hij zaligmakend de hand slaat, allereerst aan zijn Godsgemis ontdekt. Een ontdekt zondaar begint niet met naar Christus, maar naar God te vragen. De buitenmenschen weten wel, dat een natte zaaitijd een rijken oogst belooft. Een ontdekt zondaar kent zulk een natten zaaitijd. De Schrift spreekt er ook van en zegt, dat die hier bedrukt met tranen zaaien, zullen juichen, als zij vruchten maaien.
Schreiend wordt de mensch geboren, zoo natuurlijk als geestelijk. Wanneer de Heere iemand levend maakt, doet Hij hem eerst sterven. Als de Heere iemand wil troosten, maakt Hij hem eerst bedroefd. Door onderwijs van boven ontvangt de ziel dan een diep gevoel van zonde en schuld, van onmacht en onwaardigheid. Daar wordt het geleerd, dat hij alleen uit vrije genade en loutere goedheid den Heere in zijn bezit krijgen kan. Aan onzen kant ontbreken daartoe alle middelen. Een zeldzame bemoediging wordt reeds ontvangen in het onderwijs, dat er een Middelaar en Borg is. Alleen in den Middelaar kan God terug worden ontvangen. In Christus komt God zelf tot den zondaar en van dien Christus gaan trekkende banden uit. Zalig, wanneer door die trekkende kracht het in het naloopen van Christus zoover komt, dat de ziel in de binnenkamers des Konings wordt ingebracht. O, zalige gebeurtenis! Daar wordt alle ledigheid vervuld. Daar wordt de Vader uit den Zoon en de Zoon uit den Vader verklaard door des Heeren Woord en Geest.
Zie, op dat vrije en rijke legt de dichter van Psalm 16 den nadruk. En juist, omdat de Heere het uit vrije goedheid en louter ontfermen schenkt, is de mogelijkheid van dat eenige bezit voor den grootsten zondaar niet uitgesloten. Hoor, in welken weg de dichter het heeft ontvangen: Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen! De Kerk des Heeren zingt: Hij kan en wil en zal! Deze heilige trits gewaagt van de almacht, de gewilligheid en de getrouwheid Gods, ten dienste van hen, die alles verbeurd hebben en het gansch onwaardig zijn.
We zagen de menschen tezamen, in Palestina, waar het ging om een stuk gronds, om welstand voor den tijd. Niemand bleef thuis, al konden toch slechts enkelen het meest gewenschte ontvangen. En hier geldt het niet den tijd, maar een eeuwigheid; niet slechts het lichaam, maar de ziel.
Hoe dikwerf ook teleurgesteld, iederen keer waagden ze het er op. Het begeerde mocht ze nu eens ten deel vallen! Ik mag schrijven voor allen, die aan hun Godsgemis zijn ontdekt, meer dan dat de Heere het schenkt uit vrije goedheid. Hij zegt:
„Die bidt, die ontvangt". Denzulken kan het niet ontgaan. Vraagt maar als zielen, die nood hebben en een onuitsprekelijk heimwee naar God! Hij kan en wil en zal!
Wanneer iemand een vet stuk gronds ten deel was gevallen in Isrel en hij vertelde daarvan opgetogen, dan was zijn zwijgen voor de anderen toch beter geweest, lmmers, wat hij bezat, konden anderen niet krijgen.
Niet alzoo, waarvan de dichter spreekt. Laat hij met wijd geopenden mond en losgemaakte tong maar getuigen van het heil, voor hem bereid. Laten velen maar jaloersch op hem worden; want, wat hij heeft ontvangen en waar hij het heeft gekregen, schenkt de Heere het nog in Christus Jezus. 
Laten we een kring vormen om den dichter en luisteren met een jaloersch hart naar zijn getuigenis, totdat ook wij het mogen zeggen en zingen:
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God,
Mijn erfenis en 't deel mijns harten wezen.
Gij onderhoudt gestaag het heugelijk lot,
Dat Gij zoo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren,
O, heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
D e n H a a g.                                                                                     W.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's